ECLI:NL:RBDHA:2025:24132

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
11864332 \ EJ VERZ 25-82951
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet en betalingsverplichtingen van werkgever in arbeidsrechtelijke geschil

In deze zaak heeft de kantonrechter te Gouda uitspraak gedaan in een arbeidsrechtelijk geschil tussen een werknemer, aangeduid als [verzoeker], en zijn werkgevers, [verweersters sub 1] GmbH, [verweersters sub 2] GmbH en [verweersters sub 3] BV. De werknemer heeft een dringende reden voor ontslag op staande voet ingeroepen, omdat zijn salaris en onkosten stelselmatig niet of te laat zijn betaald. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de werknemer recht heeft op achterstallig salaris, een gefixeerde schadevergoeding en een transitievergoeding. De arbeidsovereenkomst was ondertekend door [verweersters sub 1] GmbH, en de kantonrechter heeft geoordeeld dat deze vennootschap verantwoordelijk is voor de betaling van het salaris, ondanks dat betalingen ook door [verweersters sub 2] zijn gedaan. De kantonrechter heeft de werkgever veroordeeld tot betaling van diverse bedragen aan de werknemer, waaronder het achterstallige salaris van € 25.277,52 bruto, een bonus van € 976,25, onkostenvergoeding van € 11.331,70 en een transitievergoeding van € 5.332,52. Tevens is de werkgever verplicht om correcte salarisspecificaties te verstrekken en loonheffingen af te dragen aan de Belastingdienst. De verzoeken van de werknemer tegen [verweersters sub 2] en [verweersters sub 3] zijn afgewezen, omdat er geen arbeidsovereenkomst met deze vennootschappen bestond. De kantonrechter heeft de proceskosten aan de zijde van de werknemer begroot op € 1.925,00, te betalen door [verweersters sub 1] GmbH.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Gouda
DJ c
Rep.nr.: 11864332 \ EJ VERZ 25-82951
Datum: 4 december 2025 (bij vervroeging)
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde: mr. L. Smit,
tegen

1.[verweersters sub 1] GmbH,

gevestigd te [vestigingsplaats 1], Duitsland,
2.
[verweersters sub 2] GmbH,
gevestigd te [vestigingsplaats 2], Duitsland,
3.
[verweersters sub 3] BV,
gevestigd te [vestigingsplaats 3].
verweersters,
gemachtigde: mr. L.M. van Egmond.
Verzoekende partij wordt hierna ‘[verzoeker]’ genoemd. Verwerende partijen worden daar waar ze gezamenlijk worden bedoeld [verweersters] genoemd en waar ze afzonderlijk worden bedoeld worden ze [verweersters sub 1] GmbH, [verweersters sub 2] en [verweersters sub 3] genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- een verzoekschrift van 3 september met de producties 1 tot en met 12H;
- een brief met een gewijzigd verzoek met producties 13JH en 14 JH.
1.2.
Op 23 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden van het verzoekschrift. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. Smit. Namens [verweersters] is [naam 1] verschenen, vergezeld van [naam 2] die als tolk heeft gefungeerd. Mr. Smit heeft pleitaantekeningen overgelegd. De griffier heeft voor het overige aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Deze bevinden zich in het griffiedossier.
1.3.
[verzoeker] heeft na de zitting nadere stukken overgelegd en zijn verzoek gewijzigd, waarop [verweersters] schriftelijk heeft gereageerd.
1.4.
Daarna is de uitspraak bij vervroeging bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Er is op 28 mei 2024 een arbeidsovereenkomst ondertekend. Daarin staat dat [verzoeker] met ingang van 1 augustus 2024 voor 40 uur per week in dienst treedt bij [verweersters sub 1] GmbH tegen een netto salaris van € 7.600,- en een provisie van 1,25% over gerealiseerde omzet. De arbeidsovereenkomst is op 28 mei 2024 ondertekend door [verzoeker] en namens [verweersters sub 2]. Het salaris werd meestal door [verweersters sub 2] uitbetaald en ook enkele malen door [verweersters sub 1] GmbH.
2.2.
Een van de taken van [verzoeker] was het opzetten van een vestiging in Nederland. In verband daarmee heeft [verzoeker] daarna [verweersters sub 3] opgericht met hemzelf als statutair directeur. [verzoeker] heeft daarna nog betalingen van [verweersters sub 2] ontvangen. [verzoeker] heeft na de oprichting een schriftelijke arbeidsovereenkomst tussen hem en [verweersters sub 3] aan [verweersters] voorgelegd en verzocht deze te ondertekenen. Dat heeft [verweersters] niet gedaan.
2.3.
[verzoeker] verrichtte zijn werkzaamheden voornamelijk in of vanuit Nederland.
2.4.
Bij brief van 20 augustus 2025 heeft [verzoeker] het dienstverband met onmiddellijke ingang opgezegd vanwege een dringende reden, namelijk het niet, althans niet tijdig, betalen van zijn salaris.

3.Het verzoek

3.1.
[verzoeker] verzoekt -na wijziging- bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [verweersters] gezamenlijk en/of ieder hoofdelijk:
a. binnen zeven dagen na betekening van de beschikking te veroordelen tot betaling van:
i. de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over het salaris in de periode van 1 augustus 2024 tot en met 1 juli 2025;
ii. € 25.277,52 bruto aan achterstallig salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging tot aan de dag van volledige betaling;
iii. € 12.851,25 bruto in verband met de ten onrechte niet betaalde bonus, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging tot aan de dag van de volledige betaling;
iv. € 24.483,29 bruto als schadevergoeding, omdat er geen pensioenpremies zijn afgedragen;
v. € 20.222,01 bruto aan gefixeerde schadevergoeding vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging;
vi. € 5.332,52 bruto aan transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging tot aan de dag van de volledige betaling;
vii. € 90.999,06 bruto (gelijk aan zes bruto maandsalarissen) aan billijke vergoeding;
viii. € 11.331,70 netto aan onkosten;
binnen zeven dagen na betekening van de beschikking te veroordelen tot:
i. het aanleveren van correcte salarisspecificaties over de periode van 1 augustus 2024 tot en met 20 augustus 2025 op straffe van een dwangsom van € 300,- per (gedeelte van de) dag dat deze verplichting niet wordt nageleefd, of een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;
binnen zeven dagen na betekening van de beschikking te veroordelen tot:
i. (met terugwerkende kracht) afdracht van loonheffingen en premies over het aan [verzoeker] verschuldigde loon en emolumenten aan de Belastingdienst, met gelijktijdige verstrekking van schriftelijk bewijs daarvan (zoals aangiften en betalingsbewijzen) op straffe van een dwangsom van € 300,- per (gedeelte van de) dag dat deze verplichting niet wordt nageleefd, of een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom; en/of
ii. (met terugwerkende kracht) afdracht van andere belastingen aan de Belastingdienst, zoals btw, met gelijktijdige verstrekken van schriftelijk bewijs daarvan (zoals aangiften en betalingsbewijzen) op straffe van een dwangsom van € 300,- per (gedeelte van de) dag dat deze verplichting niet wordt nageleefd, of een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom; en/of
iii. volledige vrijwaring en op euro-voor-euro basis schadeloosstelling van [verzoeker] voor aanspraken (na)heffingen, boetes, rentes, andere schade en/of kosten die voortvloeien uit het feit dat de belastingen en premies (in de ruimste zin des woords) niet (tijdig) zijn afgedragen;
iv. [verzoeker] volledig te vrijwaren en op euro-voor-euro basis schadeloosstellen voor aanspraken voortvloeiend uit eventuele (externe) bestuurdersaansprakelijkheid die verband houden met het feit dat [verweersters] de (betalings)afspraken niet zijn nagekomen;
binnen 24 uur na betekening van de beschikking te verplichten:
i. schriftelijk te bevestigen dat [verzoeker] alle bedrijfseigendommen correct heeft ingeleverd en te verklaren dat er geen kosten meer bij hem in rekening zullen worden gebracht als gevolg hiervan op straffe van een dwangsom van € 300,- per (gedeelte van de) dag dat deze verplichting niet wordt nageleefd, of een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;
per direct te verbieden om:
i. het betaalde loon (inclusief emolumenten) op [verzoeker] te verhalen op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding te vermeerderen met € 300,- voor ieder(e) (gedeelte van de) dag dat in strijd met dit verbod wordt gehandeld, dan wel een door de kantonrechter vast te stellen dwangsom;
ii. het genoemde bedrag van € 300.000,- of ieder ander bedrag op [verzoeker] te verhalen als het contract met de klant uit Delft niet tot stand komt op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding te vermeerderen met € 300,- voor ieder(e) (gedeelte van de) dag dat in strijd met dit verbod wordt gehandeld, dan wel een door de kantonrechter vast te stellen dwangsom;
iii. onjuiste en ongefundeerde negatieve uitlatingen te doen over [verzoeker] op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding, dan wel een door de kantonrechter vast te stellen dwangsom;
te veroordelen in de volledige kosten voor het inschakelen van de loonspecialist, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag dat er volledig is betaald;
te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de (daadwerkelijk gemaakte) advocaatkosten, als ook de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag dat dit volledig is betaald;
2. voor recht te verklaren dat [verweersters] geen rechten kan ontlenen aan een concurrentie- en/of relatiebeding, aangezien de arbeidsovereenkomst is beëindigd vanwege ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van hen, dan wel [verweersters] te veroordelen tot betaling van een vergoeding, omdat dergelijke bedingen [verzoeker] in belangrijke mate belemmeren om ergens anders werkzaamheden te verrichten.
3.2.
Aan dit verzoek legt [verzoeker] het volgende ten grondslag.
3.2.1.
[verweersters] heeft een dringende reden voor ontslag op staande voet gegeven door zijn salaris en zijn onkosten stelselmatig niet of te laat te betalen. [verzoeker] is van mening dat hij een arbeidsovereenkomst heeft met [verweersters sub 1] GmbH zodat zij het salaris moet betalen. De salarisbetalingen zijn echter deels ook door [verweersters sub 2] gedaan. Als [verweersters sub 1] GmbH niet verantwoordelijk is voor betaling van het salaris dan is het [verweersters sub 2], eventueel via vereenzelviging. Als [verweersters sub 3] de werkgever is dan moet zij het salaris betalen maar dit betreft een vennootschap waar inmiddels geen activiteit meer is. [verzoeker] verzoekt dan ook veroordeling van alle drie, gezamenlijk dan wel afzonderlijk waarbij ze hoofdelijk aansprakelijk moeten worden gehouden.
3.2.2.
Nu [verweersters] een dringende reden voor ontslag op staande voet heeft gegeven is zij een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd en een transitievergoeding. Omdat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld moet zij ook een billijke vergoeding betalen. Bij de hoogte daarvan moet worden betrokken dat [verweersters] niet alleen het loon te laat betaalde maar ook heeft verzuimd om sociale premies en pensioenpremie af te dragen. Zij heeft bovendien de goede naam van [verzoeker] beschadigd door rekeningen van leveranciers niet te betalen en niet voortvarend te reageren op opdrachtbevestigingen.

4.Het verweer

4.1.
[verweersters] voert verweer. Zij voert aan dat er een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweersters sub 3] is ontstaan. [verzoeker] was daar statutair directeur van en dus zelf verantwoordelijk voor het tijdig betalen van zijn salaris. Van vereenzelviging van [verweersters] is geen sprake.

5.De beoordeling

Is de Nederlandse rechter bevoegd?
5.1.
De eerste vraag die moet worden beantwoord is of de Nederlandse rechter bevoegd is van het geschil kennis te nemen. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Op grond van art. 1 van de Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (‘Brussel I’) is de rechter in de lidstaat van gedaagde bevoegd. In afdeling van 5 van Brussel I is echter een afwijkende regeling opgenomen voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomsten. Daarin is onder meer bepaald dat de werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat voor het gerecht kan worden opgeroepen van de lidstaat waarin de werknemer gewoonlijk heeft gewerkt (art. 21 lid 1, sub b, onderdeel i, Brussel I). Partijen zijn het erover eens dat [verzoeker] zijn werk gewoonlijk vanuit Nederland verrichtte. Dat betekent dat de Nederlandse rechter bevoegd is van het geschil kennis te nemen.
5.2.
[verzoeker] werkte voornamelijk vanuit [plaats]. Op grond daarvan is de kantonrechter te Gouda relatief bevoegd.
Welk recht is van toepassing?
5.3.
Op grond van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) is de hoofdregel dat de overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen (uitdrukkelijk) hebben gekozen. In de door partijen getekende arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en [verweersters sub 1] GmbH is geen rechtskeuze gemaakt. In art. 8 lid 2 van Rome I is bepaald dat, als er geen rechtskeuze is gemaakt, het recht van het land waar de werknemer zijn werk gewoonlijk verricht van toepassing is. Dat betekent dat het Nederlandse recht van toepassing is.
Wie is werkgever?
5.4.
Vervolgens is vraag wie van de als verweersters opgeroepen partijen een arbeidsovereenkomst met [verzoeker] heeft. Vaststaat dat er een arbeidsovereenkomst is opgesteld waarin [verweersters sub 1] GmbH als werkgever is genoemd. De arbeidsovereenkomst is ondertekend namens ‘[bedrijfsnaam]’. [verweersters] heeft daarover ter zitting aangevoerd dat dhr. [naam 3] niet bevoegd was de arbeidsovereenkomst te tekenen. [naam 1] was destijds directeur en hij was niet van de arbeidsovereenkomst op de hoogte. De kantonrechter passeert dit verweer. In art. 3:61 lid 2 BW is immers bepaald dat als een rechtshandeling in naam van een ander is verricht, tegen de wederpartij (dat is [verzoeker] in dit geval), die op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep kan worden gedaan. Vaststaat dat [verzoeker] na het tekenen van de arbeidsovereenkomst voor [verweersters sub 1] GmbH aan het werk is gegaan en ook een aantal keren salaris van [verweersters sub 1] GmbH heeft ontvangen. Op grond daarvan heeft [verzoeker] er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat een geldige arbeidsovereenkomst met [verweersters sub 1] GmbH tot stand is gekomen en kan op een eventuele onbevoegde ondertekening geen beroep worden gedaan. Dat wordt niet anders doordat het salaris ook een aantal keren is betaald door [verweersters sub 2]. Een eventuele rolwisseling tussen aan elkaar gelieerde rechtspersonen mag niet ten nadele van een werknemer gelden.
5.5.
[verweersters] hebben aangevoerd dat daarna een arbeidsovereenkomst met [verweersters sub 3] tot stand is gekomen. Zij voeren daartoe aan dat in de arbeidsovereenkomst met [verweersters sub 1] GmbH het volgende is bepaald:
“Zodra de Nederlandse BV “[verweersters sub 3]” is opgericht en in het handelsregister is ingeschreven, wordt deze overeenkomst omgezet naar de Nederlandse BV”. Dat betekent volgens [verweersters] dat [verzoeker] vanaf de inschrijving bij de KvK (29 augustus 2024) bij [verweersters sub 3] in dienst is.
5.6.
De kantonrechter volgt [verweersters] hierin niet. Weliswaar staat vast dat partijen de bedoeling hebben gehad dat er aansluitend een arbeidsovereenkomst met [verweersters sub 3] zou komen maar die is niet gerealiseerd. [verzoeker] heeft een conceptarbeidsovereenkomst ter tekening aan [verweersters sub 1] GmbH voorgelegd. Vervolgens heeft hij meerdere keren verzocht om deze te ondertekenen. [verweersters sub 1] GmbH heeft dat echter niet gedaan. Dat betekent dat er geen nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen en dat [verzoeker] zijn werkzaamheden op basis van de oude arbeidsovereenkomst is blijven verrichten. Vaststaat bovendien dat de salarisbetalingen ook na 29 augustus 2024 door [verweersters sub 2] zijn verricht. [verweersters] stelt weliswaar dat het hier om een tijdelijk voorschot ging gedurende de opstartfase in de vorm van een overbruggingslening. Zij verwijst daarvoor naar de bankoverschrijvingen van [verweersters sub 2] waarbij wordt vermeld
‘Vorschluss Lohn’. De kantonrechter is van oordeel dat dit onvoldoende is om hieruit de juistheid van de stelling van [verweersters] af te leiden. Het gaat hier om deelbetalingen van het stelselmatig te laat betaalde salaris (zie onder 5.19) en niet is gebleken dat partijen concrete afspraken hebben gemaakt over indiensttreding bij en het verstrekken van leningen aan [verweersters sub 3]. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat het dienstverband met [verweersters sub 1] GmbH is blijven voortbestaan. Het feit dat [verzoeker] statutair directeur werd van [verweersters sub 3] maakt dat niet anders. Het zijn van statutair directeur van een dochtervennootschap staat op zichzelf immers niet aan het bestaan van een arbeidsovereenkomst in de weg.
5.7.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat de verzoeken moeten worden afgewezen voor zover deze zich richten tot [verweersters sub 2] en [verweersters sub 3]. Met deze beide vennootschappen bestaat immers geen arbeidsovereenkomst. Het beroep op vereenzelviging slaagt niet. Vereenzelviging van betrokken rechtspersonen kan alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden aangenomen. Daarvoor is nodig dat sprake is van misbruik van identiteitsverschil tussen rechtspersonen. Het enkele feit dat het salaris af en toe door [verweersters sub 2] werd uitbetaald is onvoldoende om misbruik aan te nemen. [verzoeker] heeft daarvoor ook onvoldoende gesteld.
Welk salaris moet nog betaald worden?
Achterstallig salaris
5.8.
Vaststaat dat [verweersters sub 1] GmbH het salaris over de periode van 1 juli 2025 tot en met 20 augustus 2025 niet heeft betaald. [verzoeker] heeft het achterstallige bedrag begroot op € 25.277,52 bruto en [verweersters sub 1] GmbH heeft dat niet cijfermatig betwist. De kantonrechter zal daarom uitgaan van de juistheid van dit bedrag en dat toewijzen. [verzoeker] verzoekt daarover wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW. Dit is eveneens toewijsbaar met dien verstande dat deze zal worden gematigd tot 20%.
[verzoeker] heeft bij de wijziging van zijn verzoek na de zitting ook wettelijke verhoging en wettelijke rente verzocht over de salarisbetalingen die voor 1 juli 2025 te laat zijn gedaan. De kantonrechter is van oordeel dat dit verzoek te laat is ingediend en zal dit dan ook niet toewijzen. De aktewisseling na de zitting was slechts bedoeld om de eerder ingediende berekening te corrigeren en/of te verduidelijken en niet om nieuwe verzoeken in te dienen.
Afdracht sociale premies en loonbelasting
5.9.
Dat partijen een netto salaris zijn overeengekomen doet niet af aan de verplichting van [verweersters sub 1] GmbH als werkgever tot afdracht van sociale premies en loonbelasting over het netto salaris. Zij is die verplichting niet nagekomen en zal daartoe dan ook worden veroordeeld. De termijn daarvoor wordt bepaald op vier weken na betekening van de uitspraak. Hieraan zal een dwangsom worden verbonden van € 250,- per dag met een maximum van € 25.000,-. Eveneens zal zij worden veroordeeld tot vrijwaring en schadeloosstelling van [verzoeker] voor eventuele aanspraken, (na)heffingen, boetes, rentes en/of andere schade die voortvloeien uit het niet tijdig afdragen van premies zoals verzocht.
Bonus
5.10.
[verzoeker] had op grond van de arbeidsovereenkomst recht op een bonus van 1,25% over de opdrachtsom
‘im Falle der erfolgreichen Vermietlung von Abbruchaufträgen während der Rückbaumaꟗnahme’. Partijen zijn het erover eens dat hij op grond daarvan aanspraak heeft over provisie over projecten in Chili en Bergen op Zoom. Het daarover berekende bedrag van € 976,25 bruto is daarom toewijsbaar. De verzochte wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 20%.
5.11.
[verzoeker] verzoekt daarnaast om betaling van provisie over een project in Delft ter waarde van € 950.000,- wat een bonus van € 11.875,- oplevert. Vaststaat dat hiervoor alleen een offerte is uitgebracht die niet tot een opdracht heeft geleid. [verzoeker] is van mening dat de bonus toch moet worden uitbetaald omdat het aan [verweersters sub 1] GmbH zelf te wijten is dat de offerte niet tot realisering van de opdracht heeft geleid. [verzoeker] heeft [verweersters sub 1] GmbH diverse malen verzocht om de offerte te tekenen maar die heeft dat nagelaten. [verweersters sub 1] GmbH heeft betwist dat [verzoeker] aanspraak kan maken op deze bonus. De kantonrechter overweegt hierover dat uit de arbeidsovereenkomst slechts volgt dat een bonus verschuldigd is over
‘erfolgreichen Vermietlung’. Vaststaat dat daarvan geen sprake is. De arbeidsovereenkomst biedt voor de verzochte bonus dan ook geen grondslag. Voor zover [verzoeker] zijn verzoek tevens baseert op schade door een tekortkoming aan de kant van [verweersters sub 1] GmbH heeft hij dat onvoldoende onderbouwd om voor toewijzing in aanmerking te komen. Dit bedrag wordt dus afgewezen.
Onkostenvergoeding
5.12.
[verweersters sub 1] GmbH heeft erkend dat [verzoeker] nog € 11.331,70 aan onkostenvergoeding tegoed heeft. Dit bedrag wordt dus toegewezen.
Pensioen
5.13.
[verzoeker] verzoekt ook veroordeling van [verweersters sub 1] GmbH tot afdracht van pensioenpremies. Dit verzoek is niet toewijsbaar. Uit art. 7 van de arbeidsovereenkomst volgt weliswaar dat [verweersters sub 1] GmbH bereid is om een pensioenovereenkomst te sluiten en dat daarvoor een nadere overeenkomst zou worden opgemaakt. Niet gebleken is echter dat die overeenkomst tot stand is gekomen. Een grondslag voor dit verzoek ontbreekt dan ook.
Salarisspecificaties
5.14.
[verweersters sub 1] GmbH zal worden veroordeeld tot het verstrekken van correcte salarisspecificaties over het gehele dienstverband. De termijn waarbinnen dit moet gebeuren wordt bepaald op vier weken. Daaraan zal een dwangsom worden verbonden van € 50,- per dag met een maximum van € 7.500,-.
Overige verzoeken
5.15.
[verzoeker] heeft nog verzocht om [verweersters sub 1] GmbH te verbieden om het betaalde loon en eventuele andere schade op [verzoeker] te verhalen, op straffe van een dwangsom. De kantonrechter overweegt hierover dat de vraag of [verweersters sub 1] GmbH mogelijk aanspraak zou kunnen maken op schadevergoeding op welke grond dan ook in deze procedure niet aan de orde is. Hierover kan dan ook geen oordeel worden gegeven. Dit wordt dus afgewezen.
5.16.
[verzoeker] heeft ook verzocht om [verweersters sub 1] GmbH te verbieden onjuiste en ongefundeerde negatieve uitlatingen over [verzoeker] te doen op straffe van een dwangsom. De kantonrechter overweegt hierover dat het vanzelfsprekend is dat partijen zich over en weer van dergelijke uitlatingen onthouden maar ziet geen aanleiding voor een veroordeling daartoe. Dat die noodzaak bestaat heeft [verzoeker] onvoldoende onderbouwd.
5.17.
Ook voor het verzoek van [verzoeker] om [verweersters sub 1] GmbH te veroordelen om hem te vrijwaren voor bestuurdersaansprakelijkheid geldt dat daarover in het kader van deze procedure geen beslissing kan worden genomen omdat concrete informatie hierover ontbreekt. Dit wordt dan ook afgewezen. Datzelfde geldt voor het verzoek om [verweersters sub 1] GmbH te veroordelen tot afdracht van andere belastingen aan de Belastingdienst, zoals de btw, met gelijktijdige verstrekking van bewijs. [verzoeker] heeft geen feiten aan dit verzoek ten grondslag gelegd en heeft ook niet onderbouwd waarom hij hierbij een belang heeft. De kantonrechter kan hierover geen oordeel geven en wijst het daarom af.
5.18.
[verzoeker] heeft nog verzocht om [verweersters sub 1] GmbH te verplichten om schriftelijk te bevestigen dat [verzoeker] alle bedrijfseigendommen heeft ingeleverd en te verklaren dat er geen kosten meer bij hem in rekening zullen worden gebracht, zulks op straffe van een dwangsom. [verzoeker] heeft in het verzoekschrift niet vermeld welk belang hij bij dit verzoek heeft. Overigens heeft [verweersters sub 1] GmbH in deze procedure niet aangevoerd dat [verzoeker] nog bedrijfseigendommen moet inleveren. De kantonrechter neemt dan ook aan dat [verzoeker] alle bedrijfseigendommen heeft ingeleverd. Mocht dat niet zo zijn dan mag worden aangenomen dat partijen hiervoor in onderling onderleg een oplossing vinden.
Ontslagvergoedingen?
Dringende reden
5.19.
[verzoeker] stelt dat mondeling is overeengekomen dat het salaris op de 15e van de maand betaald zou worden en [verweersters sub 1] GmbH heeft dat niet betwist. De kantonrechter gaat daar dan ook vanuit. Uit het als productie 9 bij verzoekschrift overgelegde overzicht volgt dat de betalingen steeds later dan de 15e van de maand hebben plaatsgevonden en regelmatig veel later. [verzoeker] heeft onbetwist gesteld dat hij meerdere keren heeft verzocht om het salaris tijdig uit te betalen. Het stelselmatig te laat betalen van salaris levert op grond van art. 7:679 lid 2, onder c BW een dringende reden voor ontslag op staande voet op. Het ontslag is dan ook rechtsgeldig.
Gefixeerde schadevergoeding
5.20.
In art. 7:677 lid 2 BW is bepaald dat een partij die door opzet of schuld de andere partij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd is, indien de wederpartij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt (een gefixeerde schadevergoeding). Die vergoeding is op grond van art. 7:677 lid 3, onder a, BW gelijk aan het bedrag van het in het geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had moeten voortduren. Op grond van art. 7:672 lid 1 BW geschiedt opzegging tegen het einde van de maand tenzij iets anders is overeengekomen. Dat laatste is niet het geval. Op grond van art. 7:672 lid 2, onder a, BW bedraagt de opzegtermijn een maand.
5.21.
Aangezien [verweersters sub 1] GmbH [verzoeker] een dringende reden voor ontslag op staande voet heeft gegeven en dit aan haar schuld te wijten is moet zij een gefixeerde schadevergoeding betalen over de periode van 20 augustus 2025 tot en met 31 september 2025. [verzoeker] heeft het salaris over die periode berekend op € 20.222,01 bruto. [verweersters sub 1] GmbH heeft de juistheid van die berekening niet gemotiveerd betwist. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen. [verzoeker] verzoekt hierover ook wettelijke verhoging. Die is niet toewijsbaar, het gaat immers niet om loon maar om schadevergoeding. De wettelijke rente is op grond van art. 7:686a lid 1 BW toewijsbaar vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot de dag van volledige betaling.
5.22.
[verzoeker] verzoekt daarnaast om hem een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van [verweersters sub 1] GmbH toe te kennen. De wet biedt hiervoor echter geen ruimte. Indien [verzoeker] voor een billijke vergoeding in aanmerking had willen komen had hij -in plaats van ontslag op staande voet te nemen- een ontbindingsverzoek op grond van art. 7:671c BW, dat deze grondslag wel biedt, kunnen indienen. Op grond van art. 7:677 lid 5, onder b, BW is het wel mogelijk om de gefixeerde schadevergoeding op een hoger bedrag te stellen als de opzegging door de werknemer geschiedt en dit naar de omstandigheden billijk voorkomt. De kantonrechter ziet daartoe echter onvoldoende aanleiding. Het is weliswaar ernstig verwijtbaar om het salaris te laat te betalen en onkostenvergoedingen niet te voldoen maar daarvoor biedt de gefixeerde schadevergoeding al compensatie. Dat [verweersters sub 1] GmbH de reputatie van [verzoeker] heeft beschadigd door rekeningen niet op tijd te voldoen en daarmee een onhoudbare situatie heeft gecreëerd is onvoldoende onderbouwd om tot het oordeel te komen dat een hogere schadevergoeding billijk voorkomt. De overige omstandigheden die [verzoeker] heeft aangevoerd zien op de periode na ontslagname en kunnen daarom niet bijdragen aan de vraag of een hogere vergoeding op zijn plaats is.
Transitievergoeding
5.23.
Het stelselmatig te laat betalen van het salaris is ernstig verwijtbaar. Dat betekent dat [verzoeker] op grond van art. 7:673 lid 1, onder b, BW aanspraak heeft op een transitievergoeding. Het beroep van [verweersters sub 1] GmbH op art. 7:673 lid 7, onder c, BW slaagt niet. [verweersters sub 1] GmbH legt daaraan ten grondslag dat [verzoeker] zelf ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door onvoldoende omzet te genereren. Het niet generen van voldoende omzet zou onder omstandigheden tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van onvoldoende functioneren, hetgeen overigens niet is onderbouwd, maar niet tot het oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door de werknemer. De gevraagde transitievergoeding van € 5.332,52 bruto, waarvan de hoogte niet cijfermatig is betwist, zal dus worden toegewezen.
[verzoeker] verzoekt hierover wettelijke verhoging. Die is niet toewijsbaar, het gaat immers niet om loon. De wettelijke rente is op grond van art. 7:686a lid 1 BW toewijsbaar vanaf 20 september 2025 tot de dag van volledige betaling.
Is [verzoeker] gebonden aan het concurrentiebeding?
5.24.
Op grond van art. 7:653 lid 4 BW kan een werkgever geen rechten aan een concurrentiebeding ontlenen als het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Aangezien in dit geval sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door [verweersters sub 1] GmbH is [verzoeker] niet aan het concurrentiebeding gebonden. De onder 2 verzochte verklaring voor recht is dus toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.25.
Aangezien [verzoeker] netto werd uitbetaald en geen loonspecificaties kreeg heeft hij een loonspecialist moeten inschakelen om zijn bruto loon te berekenen. Naar het oordeel van de kantonrechter betreft het hier redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2, onder b, BW en komen deze voor vergoeding in aanmerking. Blijkens de factuur die [verzoeker] heeft overgelegd hebben deze kosten € 1.009,75 bedragen. Bij zijn akte na zitting heeft hij zijn verzoek verhoogd naar € 2.000,-. Hij voert daartoe aan dat hij een nieuwe loonberekening heeft laten maken maar daarvoor nog geen factuur heeft ontvangen. De kantonrechter overweegt hierover dat de noodzaak om een tweede loonberekening te laten opstellen is ingegeven door het feit dat ter zitting bleek dat de eerdere loonberekening onjuist was. De meerkosten die door die tweede berekening zijn ontstaan kunnen uiteraard niet voor rekening van [verweersters sub 1] GmbH worden gebracht. Toegewezen wordt dus een bedrag van € 1.009,75.
Heeft [verzoeker] recht om vergoeding van de daadwerkelijke proceskosten?
5.26.
[verweersters sub 1] GmbH zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Het verzoek van [verzoeker] om de proceskosten, in afwijking van het liquidatietarief, vast te stellen op de daadwerkelijk gemaakte kosten zal worden afgewezen. De art. 237-240 Rv bevatten in beginsel een limitatieve en exclusieve regeling van de kosten waarin de partij die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Een volledige proceskostenveroordeling is mogelijk maar alleen in buitengewone omstandigheden, zoals in het geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatige daad. Bij het aannemen van dergelijk misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen past terughoudendheid. Volgens [verzoeker] is van dergelijke omstandigheden sprake omdat [verweersters sub 1] GmbH hem na de ontslagname heeft geïntimideerd door kansloze vorderingen op hem te willen verhalen. Het betreft hier echter omstandigheden die los staan van deze procedure. Niet valt in te zien waarom deze omstandigheden van invloed zijn geweest op de hoogte van de proceskosten die [verzoeker] voor deze procedure heeft moeten maken. De kantonrechter ziet daarin dan ook geen aanleiding voor het toekennen van de volledige proceskosten. Dat [verweersters sub 1] GmbH een dringende reden voor ontslag op staande voet heeft gegeven geeft daarvoor evenmin aanleiding. Een vergoeding daarvoor is immers begrepen in de gefixeerde schadevergoeding.
5.27.
De proceskosten worden daarom bepaald op basis van het liquidatietarief en begroot op:
- griffierecht € 732,00
- salaris gemachtigde € 1.058,00
- nakosten
€ 135,00
Totaal € 1.925,00
5.28.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.29.
Omdat de vorderingen tegen [verweersters sub 2] en [verweersters sub 3] worden afgewezen moet [verzoeker] de proceskosten aan die kant betalen. De kantonrechter gaat er echter vanuit dat het betrekken van [verweersters sub 2] en [verweersters sub 3] als partij in deze procedure niet tot extra kosten heeft geleid. Deze kosten worden daarom begroot op nihil.

6.De beslissing

De kantonrechter:
ten aanzien van [verweersters sub 1] GmbH
6.1.
veroordeelt [verweersters sub 1] GmbH tot betaling aan [verzoeker] binnen zeven dagen na betekening van de uitspraak van het netto-equivalent van € 25.277,52 bruto, te vermeerderen met 20% wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW en, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata tot aan de dag van de gehele betaling;
6.2.
veroordeelt [verweersters sub 1] GmbH tot betaling aan [verzoeker] binnen zeven dagen na betekening van de uitspraak van het netto-equivalent van € 976,25 bruto aan bonus, te vermeerderen met 20% wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW en, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum tot aan de dag van de gehele betaling;
6.3.
veroordeelt [verweersters sub 1] GmbH tot betaling aan [verzoeker] binnen zeven dagen na betekening van de uitspraak van € 11.331,70 netto aan onkostenvergoeding;
6.4.
veroordeelt [verweersters sub 1] GmbH tot betaling aan [verzoeker] binnen zeven dagen na betekening van de uitspraak van het netto-equivalent van € 5.332,52 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2025 tot de dag van volledige betaling;
6.5.
veroordeelt [verweersters sub 1] GmbH tot betaling aan [verzoeker] binnen zeven dagen na betekening van de uitspraak van het netto-equivalent van € 20.222,01 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling;
6.6.
veroordeelt [verweersters sub 1] GmbH om binnen vier weken na betekening van deze uitspraak een eindafrekening op te maken en aan [verzoeker] te verstrekken op straffe van een dwangsom van € 50,- voor elke dag dat [verweersters sub 1] GmbH deze verplichting niet nakomt met een maximum van € 7.500,-;
6.7.
veroordeelt [verweersters sub 1] GmbH om binnen vier weken na betekening van deze uitspraak afdracht van loonheffingen en premies over het aan [verzoeker] verschuldigde loon en emolumenten te doen aan de Belastingdienst, met gelijktijdige verstrekking van schriftelijk bewijs daarvan (zoals aangiften en betalingsbewijzen) aan [verzoeker] op straffe van een dwangsom van € 250,- voor elke dag dat [verweersters sub 1] GmbH deze verplichting niet nakomt met een maximum van € 25.000,- en onder volledige vrijwaring en schadeloosstelling van [verzoeker] voor aanspraken (na)heffingen, boetes, rentes en/of andere schade die voortvloeit uit het niet (tijdig) afdragen van belastingen en premies;
6.8.
veroordeelt [verweersters sub 1] GmbH tot betaling aan [verzoeker] van de gemaakte kosten voor het inschakelen van de loonspecialist van € 1.009,75 te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift (3 september 2025) tot de dag dat er volledig is betaald;
6.9.
verklaart voor recht dat [verweersters sub 1] GmbH geen rechten kan ontlenen aan een concurrentie- en/of relatiebeding;
6.10.
veroordeelt [verweersters sub 1] GmbH in de kosten van de procedure die aan de kant van [verzoeker] worden begroot op € 1.925,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [verweersters sub 1] GmbH niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet [verweersters sub 1] GmbH ook de kosten van betekening betalen,
6.11.
veroordeelt [verweersters sub 1] GmbH in de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.12.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.13.
wijst het meer of anders verzochte af;
ten aanzien van [verweersters sub 2] en [verweersters sub 3]
6.14.
wijst de verzoeken af;
6.15.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten aan de zijde van [verweersters sub 2] en [verweersters sub 3] welke worden begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. D. Jongsma en bij vervroeging uitgesproken ter openbare zitting van 4 december 2025.