ECLI:NL:RBDHA:2025:24148

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
NL25.53187
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 6 sub b VwArt. 31 lid 6 sub c Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende geloofwaardigheid asielrelaas

Eiser, een Pakistaanse katholiek, diende op 28 oktober 2023 een asielaanvraag in na bedreigingen en mishandeling vanwege zijn geloof. Hij stelde dat hij vanwege discriminatie, een fatwa en een gewelddadig incident op zijn werk vreest voor vervolging.

De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, waarbij hij twijfels had over de geloofwaardigheid van het werkincident, de onderbouwing van werkzaamheden, het Facebookaccount en de fatwa. Eiser voerde tegen dat deze twijfels onterecht waren en dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd.

De rechtbank oordeelde dat verweerder de kern van het asielrelaas terecht ongeloofwaardig achtte en dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor zijn werkzaamheden en het Facebookcontact. Hoewel de rechtbank enkele motiveringsgebreken constateerde, waren deze niet doorslaggevend. Het beroep werd ongegrond verklaard.

De rechtbank wees tevens op het ontbreken van een vertaling en origineel bewijs van de fatwa en concludeerde dat eiser geen voordeel van de twijfel toekomt. De uitspraak werd gedaan door rechter E.P.W. van de Ven en griffier J.M.T. Zoon op 12 december 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende geloofwaardigheid van het asielrelaas.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53187

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Erdal).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Hij is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld tegen dit besluit. Eiser heeft de redenen uiteengezet waarom hij het niet eens is met het besluit (beroepsgronden). Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hoewel verweerder verschillende verklaringen van eiser als wisselend en niet aannemelijk heeft aangemerkt zonder dit zorgvuldig te motiveren, heeft verweerder de kern van eisers asielrelaas niet geloofwaardig kunnen achten. Het beroep is daarom ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 28 oktober 2023 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend.
2.1.
Bij besluit van 29 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1985 en de Pakistaanse nationaliteit te hebben. Hij is op 10 maart 2023 uit Pakistan vertrokken omdat hij gediscrimineerd werd vanwege zijn katholieke geloof. Eiser is ook beschuldigd van blasfemie, ofwel godslastering. Eiser werkte drie maanden voor een bedrijf als kantoorjongen. Bij het aanreiken van een glas water aan zijn baas is dat glas omgevallen over een koran heen. Eiser is toen geslagen en geschopt. Op dit moment was hij zo bang dat hij Psalm 23 begon te reciteren. Hij kon ontsnappen en is toen gevlucht omdat hij vreesde vanwege dit incident te worden gedood. Tegen eiser is een fatwa uitgevaardigd.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser als ongegrond afgewezen [1] en aan hem een terugkeerbesluit opgelegd. Volgens verweerder bevat het asielrelaas de volgende relevante asielmotieven:
1. De identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Incident op werk en de daaruit voortvloeiende problemen;
3. Discriminatie wegens katholieke geloof.
4.1.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en de discriminatie wegens het katholieke geloof geloofwaardig. Verweerder acht het incident op eisers werk en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig. Eiser heeft dit niet volledig onderbouwd met documenten. Eiser heeft geen documenten overgelegd van zijn werk bij [bedrijf] . Daarnaast vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft wisselend verklaard over de toegang tot zijn Facebookaccount. Verder heeft hij wisselend en onlogisch verklaard over dat hij de Psalm 23 kon citeren terwijl hij door twee mannen in bedwang werd gehouden. Ook is het onlogisch dat eiser kon ontsnappen uit de greep van twee mannen. Eiser heeft ook onlogisch en wisselend verklaard over het moment waarop zijn collega's erachter zijn gekomen dat hij christen is. Verweerder begrijpt verder niet dat de vrouw van eiser niet meer is benaderd nadat de fatwa is uitgesproken. Verweerder kan tenslotte niet van de inhoud van de in kopie overgelegde fatwa uitgaan omdat deze niet op echtheid gecontroleerd kan worden. Hoewel verweerder wel gelooft dat eiser gediscrimineerd is vanwege het katholieke geloof heeft eiser in dat kader geen gegronde vrees voor vervolging omdat eiser niet dusdanig ernstig is beperkt in de bestaansmogelijkheden dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Bij terugkeer naar Pakistan loopt eiser ook geen reëel risico op ernstige schade, aldus verweerder.
De werkzaamheden bij [bedrijf]
5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte tegenwerpt dat eiser geen onderbouwing heeft voor zijn werkzaamheden bij [bedrijf] . Eiser kan dit niet onderbouwen, hij heeft geen contract gekregen en ook geen loonstroken. Eiser kreeg contant uitbetaald. Verweerder werpt ten onrechte tegen dat het gebruikelijk is in Pakistan om via bankoverschrijvingen te worden betaald. Volgens de bron die verweerder aanhaalt, komen contante betalingen minder vaak voor, vooral in formele sectoren. Eiser werkte absoluut niet in de formele sector en daar komen contante betalingen dus voor. Verweerder had hiervoor navraag moeten doen bij TOELT.
5.1.
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat het niet aannemelijk is dat eiser geen enkel bewijs van loonbetaling of werkzaamheden heeft. Dat eiser stelt dat zijn salaris contant werd betaald en dat er geen formeel contract of loonstroken waren, neemt niet weg dat het redelijk is te verwachten dat er in een periode van enkele maanden ten minste enig bewijs van de werkzaamheden voorhanden zou zijn. Eiser heeft los van zijn verklaring, geen enkele onderbouwing overgelegd. Verweerder stelt zich daarom niet ten onrechte op het standpunt dat het ontbreken van enige onderbouwing afbreuk doet aan de aannemelijkheid van de gestelde werkzaamheden bij [bedrijf] . Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het Facebookaccount
6. Eiser voert aan dat verweerder niet langer tegenwerpt dat eiser wisselend heeft verklaard over het Facebookaccount, maar stelt dat eiser bewijs had kunnen overleggen van het geblokkeerde account. Dit is een nieuw standpunt en een gebrek in de motivering.
6.1.
De rechtbank overweegt allereerst dat van een nieuw standpunt geen sprake is, nu dit een reactie is op de zienswijze en in het kader van de eerdere tegenwerping dat eiser zijn werkzaamheden niet met stukken heeft onderbouwd. De rechtbank is verder met verweerder van oordeel dat eisers aanvullende toelichting in de zienswijze ten aanzien van het Facebookaccount, geen consistente en aannemelijke verklaring is voor het feit dat hij geen enkel bewijs kan overleggen van het contact met [bedrijf] via Facebook. Indien het oude Facebookaccount daadwerkelijk zou zijn bevroren, ligt het in de rede dat eiser dit kan aantonen. De rechtbank constateert dat eiser dit, ook in beroep, niet heeft gedaan. Verweerder wijst er verder niet ten onrechte op dat uit eisers verklaringen blijkt dat hij in staat is geweest een nieuw Facebookaccount aan te maken, hetgeen erop wijst dat hij bekend is met de werking van dit platform. Verweerder heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk kunnen vinden dat eiser in het geheel geen toegang meer zou kunnen hebben tot enig bewijs van het contact met [bedrijf] of de betreffende vacature nu dit blijkens eisers verklaringen via Facebook ging. Het ontbreken van dergelijke gegevens doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over het solliciteren en werken bij [bedrijf] . Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Het reciteren van Psalm 23 tijdens het incident
7. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende is ingegaan op hetgeen hij in de zienswijze heeft aangevoerd over de mishandeling en het oplezen van de Psalm. In de zienswijze is gesteld dat verweerder het relaas verkeerd heeft gelezen omdat eiser juist heeft verklaard dat hij de Psalm aan het reciteren was en daarin werd gestopt doordat de voet op zijn gezicht werd gezet. Hier gaat verweerder niet op in. Het bestreden besluit berust hier dus op een gebrekkige motivering. Eiser heeft niet gezegd dat hij de Psalm heeft kunnen opzeggen ondanks de wijze waarop hij werd behandeld. Hij heeft juist gezegd dat hij de Psalm daardoor niet kon afmaken. Aldus eiser.
7.1.
Verweerder stelt dat eiser wisselend en onlogisch heeft verklaard over hoe hij Psalm 23 kon reciteren terwijl hij door twee mannen werd vastgehouden. Eiser heeft verklaard dat hij tijdens het incident op het werk Psalm 23 heeft gereciteerd, terwijl hij op de grond lag en werd mishandeld door twee mannen. Volgens eisers verklaring lag hij met zijn gezicht op de grond en kon hij niet meer praten, omdat één van de mannen zijn voet op eisers gezicht had geplaatst. Vervolgens heeft eiser verklaard dat hij in diezelfde situatie Psalm 23 is gaan reciteren en dit heeft kunnen doen totdat hij werd tegengehouden. Deze verklaringen sluiten niet op elkaar aan en worden daarom niet aannemelijk geacht. Daarnaast heeft eiser verklaard dat de mannen op zijn werk hem bleven slaan en probeerden te voorkomen dat eiser doorging met reciteren, terwijl eiser tegelijkertijd stelt dat hij Psalm 23 heeft kunnen opzeggen. Dit maakt de verklaringen tegenstrijdig, aldus verweerder.
7.2.
De rechtbank is oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij eisers verklaringen wisselend, tegenstrijdig of onlogisch acht. De rechtbank volgt eisers standpunt dat hij niet wisselend heeft verklaard. Hij heeft verklaard dat hij is begonnen met het reciteren van Psalm 23 terwijl hij geslagen werd. Omdat hij aan het praten was werd een voet op zijn wang geplaatst. Hij heeft verder verklaard dat hij niet verder kon reciteren vanwege de voet op zijn wang. Het is niet uitgesloten dat eiser dit op deze manier bedoeld heeft. Voor zover verweerder heeft bedoeld dat het niet logisch is dat eiser fysiek gezien heeft kunnen reciteren met een schoen op zijn wang, is dit naar het oordeel van de rechtbank ook niet onmogelijk. Deze beroepsgrond slaagt.
De bekendheid van eisers geloof op zijn werk
8. Eiser voert aan dat zijn werkgever eerst bekend raakte met zijn geloof. Daarna is eiser bij een bijeenkomst uitgenodigd om zich te laten bekeren waardoor ook de rest van de collega's erachter kwam. Eiser heeft dit uiteengezet, dit is logisch en samenhangend.
8.1.
Verweerder stelt dat eiser wisselend heeft verklaard over het moment waarop op zijn werk bekend werd dat eiser christen is. Hij heeft enerzijds verklaard dat dit na de koranlezing van 13 januari of 4 februari 2023 bekend werd, toen hij werd uitgenodigd om de islam te accepteren. Anderzijds heeft hij verklaard dat zijn werkgever al in december 2022 wist dat eiser christen is, omdat hij toen een voorschot vroeg voor kerst. Deze verklaringen maken onduidelijk wanneer en hoe eisers geloof op het werk bekend is geworden en worden niet als samenhangend en aannemelijk beoordeeld.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom eisers verklaringen over het moment van de bekendheid van zijn geloof op het werk niet samenhangend en niet aannemelijk zijn. Eiser heeft verklaard dat hij zijn baas in december 2022 heeft gevraagd om een kersttoelage. Na de koranlezing in januari 2023 wist iedereen van zijn christelijke geloof. De omstandigheid dat eerst de werkgever en daarna de rest van de collega’s op de hoogte waren van eisers religie heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onterecht als niet samenhangend en niet aannemelijk beoordeeld. Dit is immers niet ondenkbaar. Verweerders standpunt dat eiser het onderscheid tussen wanneer zijn werkgever, en de rest van de collega’s achter zijn religie kwamen ook zelf in het nader gehoor had moeten maken volgt de rechtbank niet. Hij heeft op pagina 7 van het nader gehoor namelijk verklaard dat na de koranlezing in februari 2023 ‘iedereen’ wist dat hij christen is. Deze beroepsgrond slaagt ook.
Andere behandeling op werk, huidskleur en [naam]
9. Eiser voert aan dat verweerders stelling dat zijn streng islamitische werkgever nooit een christen in dienst zou nemen niet op een bron gebaseerd is. Hiermee wordt impliciet de stelling geponeerd dat een werkgever zal controleren of iemand christen is. Dit is enkel gebaseerd op de omstandigheid dat eisers bestek apart werd gehouden en hij anders behandeld werd. Dit past juist bij het algemene beeld van discriminatie van christenen in Pakistan, maar neemt niet weg dat christenen ook werken en zo ook voor islamitisch werkgevers. Eisers werkgever heeft ook niet kunnen vermoeden dat eiser christen was nu hij geen lichte huidskleur heeft, en niet de naam [naam] heeft.
9.1.
Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat de stelling niet is dat eisers werkgever nooit een christen in dienst zou nemen, maar benadrukt dat het erom gaat dat niet is voor te stellen dat een streng islamitisch werkgever als die van eiser, enkel op de naam zal controleren of iemand christen is voorafgaand aan indiensttreding. Niet alle christenen hebben immers de naam [naam] .
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende heeft gemotiveerd en weerlegt dat bij indiensttreding niet direct duidelijk was dat hij christen is. Eiser draagt niet de naam [naam] en heeft ook geen lichte huidskleur. Deze twee aspecten kenmerken doorgaans een christen in Pakistan. Nu eiser geen van beide kenmerken heeft, heeft zijn werkgever bij aanvang geen vermoedens hoeven hebben dat eiser christen was. Deze beroepsgrond slaagt.
Het benaderen van eisers vrouw
10. Eiser voert aan dat het onderduiken van zijn vrouw wel geloofwaardig is. Zijn vrouw zit sinds het uitspreken van de fatwa over eiser ondergedoken en wisselt steeds van woonplek. Dat zij niet meer benaderd is komt omdat zij ondergedoken zit.
10.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat zijn vrouw zit ondergedoken, maar dat zij zich verplaatst binnen Pakistan en bij familie verblijft. Eiser heeft geen navraag gedaan bij zijn vrouw over of zij nog benaderd is sinds eisers vlucht. Dat maakt eisers verklaring dat zij zich nog steeds verborgen houdt, niet aannemelijk.
10.2.
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat de omstandigheid dat de vrouw van eiseres steeds bij verschillende familieleden verblijft, niet maakt dat sprake is van onderduiken. Verweerder heeft op zitting ook niet ten onrechte gewezen op het feit dat indien de vrouw van eiser wordt gezocht, het aannemelijk is dat zij als eerste bij familie zal worden gezocht. Eiser heeft verklaard dat zijn vrouw twee dagen na het incident op het werk telefonisch is benaderd door een onbekend nummer. Tegen haar is gezegd dat eiser wordt gezocht en zij hem zullen traceren en pakken. Eisers stelling dat dit komt door de mensen die hem bedreigen is slechts een vermoeden nu hij niet weet wie zijn vrouw heeft gebeld. Ook heeft verweerder het opmerkelijk kunnen vinden dat eiser, ondanks de ernst van de gestelde bedreigingen, niet bij zijn vrouw heeft nagevraagd of zij opnieuw is benaderd of andere problemen heeft ondervonden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De ontsnapping
11. Eiser voert aan dat verweerder de ontsnapping ten onrechte niet geloofwaardig acht. Eiser heeft verklaard dat hij door één man is mishandeld en dat de andere man zat en een wapen vasthield. Eisers verklaringen sluiten dus ook op elkaar aan.
11.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers verklaring over de wijze waarop hij is ontkomen, niet aannemelijk is. Hij heeft verklaard dat hij door twee mannen werd mishandeld, waarbij één man zijn voet op zijn gezicht hield terwijl de ander een pistool uit de lade van zijn bureau pakte. Vervolgens heeft eiser verklaard dat hij, ondanks dat hij op de grond lag en werd geslagen, erin slaagde de man met de voet op zijn gezicht uit balans te brengen, op te staan en hem tegen de ander aan te duwen. Gelet op deze door eiser beschreven omstandigheden, waarin hij door twee personen werd vastgehouden, geschopt en geslagen, wordt niet aannemelijk geacht dat hij zich fysiek kon bevrijden zonder dat zij dit konden verhinderen. De verklaring dat één van de mannen met slechts één voet op de grond stond, maakt dit niet aannemelijker, nu eiser zelf heeft verklaard dat hij in bedwang werd gehouden en zich nauwelijks kon bewegen.
11.2.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd waarom de wijze waarop eiser is ontkomen, niet aannemelijk is. De rechtbank stelt vast dat uit het gehoor niet is gebleken dat eiser door twee mannen werd vastgehouden zoals verweerder stelt. Eiser heeft verklaard dat hij werd geslagen en geschopt door een man terwijl de ander op een stoel zat en een pistool had. Eiser heeft verklaard dat hij de man die zijn voet op zijn wang had geplaatst uit balans kon brengen, waardoor hij viel. Eiser heeft verder verklaard dat die man daarbij viel op de zittende man met het pistool. Dat is ook de reden dat eiser kon ontsnappen. Verweerders standpunt dat eiser fysiek niet uit de greep van twee mannen kon ontsnappen volgt de rechtbank al daarom niet. Dat het verhaal niet logisch is volgens verweerder neemt niet weg dat hij beter dient te motiveren waarom de door eiser geschetste ontsnappingssituatie niet aannemelijk is. Deze beroepsgrond slaagt.
Fatwa
12. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen onderzoek of navraag heeft gedaan naar de fatwa. Verweerder stelt enkel dat eiser de originele fatwa nooit heeft gezien. Daarnaast komt verweerder pas in het besluit met de tegenwerping dat de fatwa niet is vertaald.
12.1.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het aan eiser is om te onderbouwen dat er een fatwa over hem is uitgesproken. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat Bureau Documenten geen onderzoek hoeft te verrichten naar een kopie van een screenshot van een foto van de fatwa. Het betreft immers geen origineel document, maar een kopie van een afbeelding van een foto. Hierdoor kan Bureau Documenten geen betrouwbaar oordeel geven over de echtheid of herkomst ervan. Uit eisers verklaringen blijkt dat hij de gestelde fatwa nooit zelf in origineel heeft gezien, maar dat hij via zijn neef een printje van een screenshot van zijn telefoon heeft ontvangen. Eiser heeft verder verklaard dat hij niet heeft geprobeerd de herkomst of verspreiding van dit document te achterhalen en dat hij dit niet nodig vond, omdat het voor hem al voldoende was dat het een boodschap van zijn dood was. Daarmee heeft eiser geen enkele poging ondernomen om de echtheid of herkomst van de fatwa nader te bevestigen. Verweerder heeft dit kunnen tegenwerpen. In de zienswijze en op zitting heeft eiser aangevoerd dat in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 27 februari 2025, [2] een vergelijkbare situatie speelde. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser geen geslaagd beroep doen op deze uitspraak nu in die uitspraak sprake was van een geloofwaardig relaas. Ook had eiser in die zaak een vertaling van de fatwa overgelegd en kwam de inhoud overeen met de verklaringen die eiser daarover hadden gegeven. Deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, heeft in die uitspraak toen ‘in het licht van de geloofwaardig geachte problemen’ geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij het ongeloofwaardig vindt dat er een fatwa is uitgesproken. In onderhavige zaak heeft verweerder eisers verklaringen ongeloofwaardig bevonden en ook is er geen vertaling van de fatwa. Voor zover eiser op de zitting nog heeft verwezen naar een brief van 25 juli 2025 in een andere zaak waarin verweerder aangeeft dat hij een fatwa laat onderzoeken, is de rechtbank van oordeel dat dit eisers situatie niet anders maakt. De rechtbank kan de omstandigheden in die zaak immers niet beoordelen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
13. De rechtbank volgt eiser dus deels in zijn beroepsgronden. Dit betekent niet dat het beroep gegrond is. Uit rechtsoverweging 6.1 blijkt immers, dat verweerder heeft kunnen stellen dat aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder b van de Vw niet is voldaan. Al om die reden heeft verweerder eiser niet het voordeel van de twijfel hoeven geven. Daar komt bij dat verweerder weliswaar niet alle tegenwerpingen in het kader van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw voldoende heeft gemotiveerd, maar de motivering die de rechtbank wel voldoende acht, betreft de werkzaamheden, het Facebookaccount en de Fatwa en deze punten raken aan de kern van eisers asielrelaas. Het beroep is daarom ongegrond.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Zoon, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, zesde lid, onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).