ECLI:NL:RBDHA:2025:242

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2025
Publicatiedatum
10 januari 2025
Zaaknummer
NL24.49427
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 30 VwVerordening (EU) nr. 604/2013EVRM art. 3Handvest van de grondrechten van de Europese Unie art. 4
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser voerde aan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt, onder meer vanwege detentie, gebrek aan opvang en push-backs, en dat de minister het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

De rechtbank overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser een hoge drempel moet nemen om aan te tonen dat Kroatië structureel tekortschiet. De aangevoerde informatie over push-backs en opvangvoorzieningen voldeed niet aan deze zware bewijsstandaard. De rechtbank volgde de eerdere beoordeling van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die geen gedocumenteerde gevallen van push-backs kende en de opvangvoorzieningen in Kroatië als voldoende beoordeelde.

Ook het beroep op het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel faalde, omdat de minister voldoende op de bezwaren is ingegaan en het gebruik van standaardoverwegingen niet onjuist is. Daarnaast was er geen aanleiding om op grond van bijzondere omstandigheden het verzoek aan Nederland toe te wijzen. De rechtbank verklaarde het beroep dan ook ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.49427

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

Bij besluit van 10 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Turkse nationaliteit te hebben.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. [2] Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [3] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië voor eiser een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartegen het volgende aan. Kroatië houdt zich niet aan diens internationale verplichtingen. Eiser heeft in Kroatië een nacht in detentie verbleven en heeft geen opvang gehad. Ook vinden in Kroatië push-backs plaats. Aan eiser kan niet worden tegengeworpen dat hij in Kroatië had moeten klagen omdat hij in Kroatië geen toegang tot de autoriteiten. Verweerder heeft ook de door eiser ingebrachte informatie onvoldoende weerlegd, waardoor sprake is van een motiveringsgebrek. Verder is het besluit onzorgvuldig voorbereid omdat verweerder in het voornemen gebruik heeft gemaakt van standaardoverwegingen en is niet ingegaan op eisers bezwaren. Tot slot heeft verweerder ten onrechte niet betrokken dat eisers vader in Nederland verblijft.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen, waaronder het EVRM [4] en de Opvangrichtlijn [5] , zal nakomen. [6] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in het algemeen of in zijn specifieke geval niet kan en dat in Kroatië sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. [7] Daarbij geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid. [8]
5. Eiser is hier niet in geslaagd. Eiser heeft zich in overgrote mate op de informatie beroepen die door de Afdeling is meegewogen. Volgens de Afdeling [9] blijkt uit de bekende landeninformatie niet dat Dublinclaimanten in Kroatië onderhevig zijn aan pushbacks, omdat hiervan geen gedocumenteerde gevallen bekend zijn. [10] De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling op basis van deze informatie heeft gedaan. De informatie die niet expliciet door de Afdeling is genoemd en door eiser wel naar voren is gebracht biedt geen grondslag voor een ander oordeel. Ook hierin heeft de rechtbank geen gevallen aangetroffen van Dublinclaimanten die met push-backs te maken hebben gekregen.
6. Voor wat betreft de opvangvoorzieningen in Kroatië heeft eiser geen informatie overgelegd die nog niet door de Afdeling is beoordeeld. Volgens de Afdeling voldoen de opvangvoorzieningen in grote lijnen aan de van toepassing zijnde internationale maatstaven. [11] De ervaringen die eiser stelt zelf te hebben gehad, hebben plaatsgevonden toen hij illegaal Kroatië was ingereisd. Eiser zal echter terugkeren als Dublinclaimant, wat een andere situatie is. In wat eiser over zijn eerdere ervaring in Kroatië heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor een ander oordeel dan de Afdeling heeft gegeven. Indien eiser na overdracht vindt dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, heeft eiser niet onderbouwd. Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen.
7. Verweerder heeft verder terecht geconcludeerd dat niet is gebleken van (gestelde) familieleden waarmee eiser een afhankelijkheidsrelatie heeft en dat de Dublinprocedure niet is bedoeld voor reguliere verzoeken om bij gezinsleden te kunnen verblijven. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser heeft verklaard dat hij niet bij zijn vader wil wonen en niet heeft gesteld of onderbouwd dat er een afhankelijkheidsrelatie tussen hem en zijn vader bestaat.
8. Verweerder heeft in de genoemde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Er is namelijk niet gebleken van zodanig bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht naar Kroatië van een zodanige onevenredige hardheid getuigt dat verweerder het asielverzoek van eiser aan zich had moeten trekken.
9. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat verweerder het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Verweerder is in het voornemen en het bestreden besluit aan de hand van de beschikbare informatie van eiser voldoende ingegaan op alle omstandigheden die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid. Dat daarbij in het voornemen mede gebruik is gemaakt van ‘standaardoverwegingen’, maakt nog niet dat die overwegingen niet van toepassing zijn op eiser.
10. Het beroep is kennelijk ongegrond.
11. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 9 januari 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. Kreeftmeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Verordening nr. (EU) 604/2013.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming.
6.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, recent bevestigd in haar uitspraak van 11 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4576.
7.Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
8.Zoals is beschreven in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
9.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.Dit volgt uit rechtsoverweging 5.3 tot en met 5.6 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.
11.Dit volgt uit rechtsoverweging 5.7 tot en met 5.11 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.