ECLI:NL:RBDHA:2025:24200

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/6587
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering van bijstandsvoorschot en afwijzing aanvraag bijstandsuitkering

In deze zaak heeft eiser, woonachtig in Alphen aan den Rijn, beroep ingesteld tegen de terugvordering van een bijstandsvoorschot dat hem was verleend op basis van de Participatiewet (Pw). De rechtbank Den Haag heeft op 20 oktober 2025 uitspraak gedaan in deze zaak, waarbij het beroep van eiser ongegrond is verklaard. Eiser had een aanvraag voor bijstandsuitkering ingediend, maar deze was afgewezen omdat hij niet de gevraagde documenten had ingediend. Het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn had vervolgens het voorschot van € 2.313,72 teruggevorderd. Eiser was het hier niet mee eens en voerde verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank heeft vastgesteld dat het college terecht het voorschot heeft teruggevorderd, omdat de aanvraag voor bijstand niet had geleid tot een toekenning. Eiser had ook een bezwaarschrift ingediend tegen een later besluit van het college, maar dit werd als niet ontvankelijk verklaard. De rechtbank oordeelde dat er geen dringende redenen waren om van de terugvordering af te zien en dat eiser niet voldoende had onderbouwd dat hij niet in staat was om de vordering terug te betalen. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond was en dat eiser geen recht had op terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6587

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. A. Dinç),
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn,het college
(gemachtigde: mr. T. Bui).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van de aan eiser als voorschot verleende bijstand. Eiser is het er niet mee eens dat hij het voorschot moet terugbetalen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de terugvordering van het voorschot. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het voorschot terecht heeft teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 april 2022 afgewezen en het aan eiser verstrekte voorschot ter hoogte van € 2.313,72 teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 18 juni 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag en terugvordering van het voorschot gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser heeft op 21 januari 2022 een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend bij het college. Met het besluit van 31 maart 2022 heeft het college een voorschot ter hoogte van € 2.313,72 aan eiser verstrekt. Met het besluit van 28 april 2022 heeft het college de aanvraag afgewezen omdat eiser niet de gevraagde stukken heeft ingediend, waaronder bankafschriften. Ook heeft eiser het aanvraagformulier niet volledig ingevuld. Het aan eiser verstrekte voorschot ter hoogte van € 2.313,72 is van hem teruggevorderd.
3.1.
Eiser heeft op 26 september 2023 nogmaals een bijstandsuitkering aangevraagd. Het college heeft deze toegekend met ingang van 19 september 2023. Bij besluit van 14 maart 2024 heeft het college de bijstandsuitkering op verzoek van eiser beëindigd met ingang van 1 januari 2024. In dit besluit staat ook vermeld dat eiser een openstaande vordering met een saldo van € 2.070,40 heeft, waarop hij voorheen maandelijks afloste door inhouding op zijn uitkering. Eiser dient het openstaande bedrag binnen zes weken te betalen.
3.2.
Eiser heeft op 25 april 2024 een bezwaarschrift ingediend gericht tegen het besluit van 14 maart 2024. Hij heeft daarin aangevoerd dat hij het wel eens is met de beëindiging van zijn bijstandsuitkering, maar niet met de terugvordering van € 2.070,40. Deze is volgens hem onterecht. Hij heeft hier ook nooit eerder een besluit over ontvangen, aldus eiser.
3.3.
Het college heeft het bezwaarschrift beoordeeld als gericht tegen het besluit van 28 april 2022, aangezien de terugvordering van het voorschot waar eiser het mee oneens is met dat besluit is ontstaan. Het bezwaarschrift is daarmee eigenlijk buiten de termijn van 6 weken ingediend, maar omdat het college geen verzendadministratie heeft kan niet worden aangetoond dat het besluit toen is verzonden. Gelet hierop heeft het college eiser het voordeel van de twijfel gegeven en het bezwaar ontvankelijk verklaard. Het college is van oordeel dat met het besluit van 28 april 2022 terecht is bepaald dat het voorschot wordt teruggevorderd. De aanvraag van 21 januari 2022 heef namelijk niet tot de toekenning van bijstand geleid, waardoor destijds niet tot verrekening van het voorschot kon worden overgegaan.
Wat oordeelt de rechtbank?
4. Eiser voert aan dat nu het college het bezwaar gericht heeft geacht tegen het besluit van 28 april 2022, het college ook de afwijzing van de aanvraag om bijstand had moeten betrekken bij de beoordeling van het bezwaar. Hier zag het besluit van 28 april 2022 namelijk ook op.
4.1.
Dit betoog slaagt niet. Uit de bezwaargronden van eiser kan niet worden afgeleid dat hij het niet eens is met de afwijzing van de aanvraag van 21 januari 2022. Het bezwaarschrift, dat was gericht tegen het besluit van 14 maart 2024, bevat enkel gronden gericht tegen de mededeling dat hij een openstaand saldo van € 2.070,40 heeft. Eiser heeft verder aangegeven dat hij niet gehoord wil worden over het bezwaarschrift. Dat het college in de beslissing op bezwaar enkel de terugvordering van het voorschot heeft heroverwogen, getuigt daarom niet van onzorgvuldige besluitvorming.
4.2.
Voor zover eiser in beroep aanvoert dat het college de aanvraag van 21 januari 2022 ten onrechte heeft afgewezen, slaagt dit betoog evenmin. De enkele, niet nader onderbouwde, stelling dat het recht op bijstand wel kon worden vastgesteld is namelijk onvoldoende om tot de conclusie te komen dat het college de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Voor zover daarbij is verwezen naar een eerder gevoerde beroepsprocedure geldt dat deze zag op een intrekking per 15 mei 2021. De rechtbank oordeelde daar dat het college bevoegd was om de bijstand in te trekken omdat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de Pw was voldaan vanwege het verwijtbaar niet overleggen van bankafschriften. [1] Wat hiervan het belang is voor onderstaande procedure is de rechtbank niet duidelijk geworden.
4.3.
Ten aanzien van de terugvordering van het voorschot voert eiser aan dat het college ruim twee jaar later heeft verzocht om het voorschot terug te betalen. De gevolgen van deze terugvordering zijn onredelijk, nu eiser sinds1 januari 2024 zelf inkomen probeert te verwerven. Dit is niet gelukt en eiser is daarom ook niet in staat om de vordering terug te betalen.
4.4.
Artikel 58, tweede lid, onder d, van de Pw bepaalt dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen voor zover de bijstand ingevolge artikel 52 van de Pw bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat.
4.5.
Het achtste lid van artikel 58 van de Pw bepaalt dat de instantie die de bijstand verleent, kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
4.6.
Nu het college met het besluit van 28 april 2022 de aanvraag heeft afgewezen, was het in beginsel ook bevoegd om het verleende voorschot terug te vorderen. Van dringende redenen om van de terugvordering af te zien is niet gebleken. De stelling van eiser dat hij niet in staat is om de vordering terug te betalen, is niet nader onderbouwd. Hier komt bij dat eiser bij de invordering wordt beschermd door de regels over de beslagvrije voet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak Rechtbank Den Haag d.d. 15 augustus 2023, ECLI:RBDHA:2023:12126.