ECLI:NL:RBDHA:2025:24220

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
25/4891 en 25/6401
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-tijdig beslissen en afwijzing dwangsom in bestuursrechtelijke zaak

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 18 december 2025, behandelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag en het verzoek om een dwangsom. Eiseres had op 13 maart 2025 een melding gedaan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en verzocht om een tijdelijke voorziening. Na het uitblijven van een beslissing heeft zij op 30 juni 2025 beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is, omdat het college al op 16 april 2025 een beslissing had genomen op de aanvraag van eiseres. Dit besluit betrof de toekenning van huishoudelijke ondersteuning, wat de rechtbank als voldoende beschouwt om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

Daarnaast heeft de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de dwangsom ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat het college tijdig heeft beslist op de aanvraag, waardoor er geen grond is voor het verbeuren van een dwangsom. Eiseres krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor aanvragers om tijdig en correct te handelen in bestuursrechtelijke procedures, en dat het niet tijdig nemen van een beslissing niet automatisch leidt tot het recht op een dwangsom als er al een beslissing is genomen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/4891 en 25/6041

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde in de zaak 25/4891: mr. O.C. Bozbiyik en gemachtigde in de zaak 25/6041: mr. N. Talhaoui)
en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, het college

(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag (SGR 25/4891) en het verzoek om een dwangsom (SGR 25/6041). De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is. Het beroep tegen de afwijzing van de dwangsom is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

SGR 25/4891
2. Eiseres heeft bij brief van 13 maart 2025 een melding gedaan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) en heeft daarbij verzocht om een tijdelijke voorziening te treffen op grond van artikel 2.3.3 van de Wmo. Eiseres heeft op 26 mei 2025 het college in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing. Op 30 juni 2025 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
2.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
SGR 25/6401
2.2.
Bij besluit van 10 juni 2025 heeft het college het verzoek tot uitbetaling van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op een aanvraag afgewezen. Met het besluit van 4 augustus 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het beluit van 4 augustus 2025.
2.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: mr. O.C. Bozbiyik (mede namens mr. N. Talhaoui) en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij op 13 maart 2025 zowel een melding op grond van de Wmo heeft gedaan als een aanvraag heeft ingediend om een tijdelijke voorziening te treffen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo. Het college was daarom gehouden om binnen twee weken een beslissing op de aanvraag om een spoedvoorziening te nemen. Nu om een spoedvoorziening is gevraagd is er geen sprake van een melding en is de dwangsomregeling van toepassing, aldus eiseres.
3.1.
Volgens het college is het verzoek om een spoedvoorziening te treffen een melding en geen aanvraag. Daarom kan het college geen dwangsom verbeuren wegens het niet tijdig beslissen. Bovendien heeft er op 3 april 2025 een gesprek plaatsgevonden tussen het college, eiseres en haar partner. Bij dit gesprek zijn blijkens het naderhand opgemaakte ondersteuningsplan de persoonlijke omstandigheden en wensen van beiden in het kader van de Wmo aan bod gekomen. Hierop is een aanvraag om huishoudelijke ondersteuning gevolgd, welke het college bij besluit van 16 april 2025 heeft toegekend. De gemachtigde van het college heeft ter zitting toegelicht dat de huishoudelijke ondersteuning is verstrekt ten behoeve van eiseres en haar partner samen, aangezien zij een gezamenlijk huishouden voeren.
3.2.
Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb kan tegen het niet tijdig nemen van een besluit beroep worden ingesteld. Het beroepschrift kan ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat los van de vraag of het verzoek van eiseres van 13 maart 2025 om een spoedvoorziening als een aanvraag kan worden gekwalificeerd – gelet op de omstandigheid dat de spoedeisendheid in het verzoek op geen enkele wijze is onderbouwd – eiseres ten onrechte beroep heeft ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. De rechtbank overweegt hier toe als volgt.
3.4.
Ten tijde van het instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen had het college reeds beslist op de aanvraag van eiseres om een voorziening op grond van de Wmo. Het college heeft namelijk bij besluit van 16 april 2025 huishoudelijke ondersteuning toegekend. Dat deze voorziening op naam van de partner van eiseres staat maakt dit niet anders. Gesteld noch gebleken is dat de melding die eiseres op 13 maart 2025 heeft gedaan gericht was op het verkrijgen van een andere voorziening dan huishoudelijke ondersteuning voor haar en haar echtgenoot. Mede gelet op de inhoud van het ondersteuningsplan van 3 april 2025, waarbij duidelijk met de omstandigheden van beide partners rekening is gehouden, gaat de rechtbank er daarom vanuit dat het college met het besluit van 16 april 2025 ook op de aanvraag van eiseres heeft besloten. Dat eiseres het niet eens is met de (zwaarte en/of omvang van de) toegekende voorziening staat in deze procedure niet ter beoordeling. Nu het college ten tijde van het instellen van het beroep al op de aanvraag had beslist heeft eiseres geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen.
3.5.
Het beroep met het zaaknummer SGR 25/4891 is daarom niet-ontvankelijk.
3.6.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het niet tijdig, dat wil zeggen onverwijld, nemen van een beslissing tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening een fictieve weigering is waartegen op grond van de Awb bezwaar, al dan niet gepaard gaande met een verzoek om een voorlopige voorziening, en beroep tegen kan worden aangetekend. [1]
3.7.
Ten aanzien van het verzoek om een dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen overweegt de rechtbank als volgt.
3.8.
In artikel 4:17 van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op een aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is tot maximaal 42 dagen.
3.9.
Nu het college een beschikking op de aanvraag van eiseres heeft gegeven binnen de daarvoor geldende termijnen [2] verbeurt het college geen dwangsom. Het college heeft daarom terecht het verzoek om een dwangsom afgewezen.
3.10.
Het beroep met zaaknummer SGR 25/6041 is daarom ongegrond.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep met zaaknummer SGR 25/4891 is niet-ontvankelijk. Het beroep met zaaknummer SGR 25/6041 is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart:
  • het beroep met zaaknummer SGR 25/4891 niet-ontvankelijk;
  • het beroep met zaaknummer SGR 25/6041 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, p. 100 en 147.
2.Als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid en artikel 2.3.5, tweede lid van de Wmo.