Eiseres diende op 13 maart 2025 een melding en aanvraag in op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) voor een tijdelijke voorziening. Na uitblijven van een beslissing stelde zij het college in gebreke en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen. Tevens stelde zij beroep in tegen de afwijzing van een verzoek om een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is omdat het college op het moment van het instellen van het beroep al een besluit had genomen (16 april 2025) tot het toekennen van huishoudelijke ondersteuning aan eiseres en haar partner. De rechtbank stelt vast dat de spoedeisendheid in het verzoek niet is onderbouwd en dat het verzoek van eiseres als melding kan worden gekwalificeerd, waardoor de dwangsomregeling niet van toepassing is.
Het beroep tegen de afwijzing van de dwangsom is ongegrond omdat het college binnen de wettelijke termijn een besluit heeft genomen en dus geen dwangsom verbeurt. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter M.M. Meessen op 18 december 2025.