In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 18 december 2025, behandelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag en het verzoek om een dwangsom. Eiseres had op 13 maart 2025 een melding gedaan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en verzocht om een tijdelijke voorziening. Na het uitblijven van een beslissing heeft zij op 30 juni 2025 beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is, omdat het college al op 16 april 2025 een beslissing had genomen op de aanvraag van eiseres. Dit besluit betrof de toekenning van huishoudelijke ondersteuning, wat de rechtbank als voldoende beschouwt om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
Daarnaast heeft de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de dwangsom ongegrond verklaard. De rechtbank stelt vast dat het college tijdig heeft beslist op de aanvraag, waardoor er geen grond is voor het verbeuren van een dwangsom. Eiseres krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor aanvragers om tijdig en correct te handelen in bestuursrechtelijke procedures, en dat het niet tijdig nemen van een beslissing niet automatisch leidt tot het recht op een dwangsom als er al een beslissing is genomen.