Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 7 oktober 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Eiser stelde de minister op 14 oktober 2025 schriftelijk in gebreke, waarna het beroep werd ingesteld.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet tijdig heeft beslist en dat het beroep gegrond is. Omdat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, bepaalt de rechtbank dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €15.000, voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van €453,50, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp en het beperkte onderwerp van het beroep. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier S.J. Simorangkir op 3 december 2025.