Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 22 juni 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Hoewel de minister aanvankelijk de beslistermijn verlengde, werd deze verlenging ingetrokken, waardoor de termijn weer zes maanden bedroeg.
Eiser stelde de minister op 31 augustus 2025 schriftelijk in gebreke, waarna hij meer dan twee weken later beroep instelde. De rechtbank oordeelt dat de minister nog geen besluit heeft genomen en dat eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven. De rechtbank legt de minister een termijn van acht weken op om alsnog te beslissen.
Daarnaast wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 453,50, vanwege de inschakeling van een professionele juridische hulpverlener. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en verklaart het beroep gegrond.