ECLI:NL:RBDHA:2025:24314

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
24/8993
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een Woo-verzoek en de gevolgen van niet tijdig beslissen door de staatssecretaris van Financiën

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 19 december 2025, wordt het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen door de staatssecretaris van Financiën op haar verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (Woo) beoordeeld. Eiseres had op 26 juli 2024 een Woo-verzoek ingediend bij de Belastingdienst, waarin zij vroeg om openbaarmaking van documenten die leidden tot de vaststelling van haar aanslag inkomstenbelasting 2022. Het primaire besluit van 29 augustus 2024, waarin het verzoek werd afgewezen op basis van de geheimhoudingsplicht uit artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), leidde tot een reeks van ingebrekestellingen door eiseres. De rechtbank concludeert dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van haar beroep, omdat verweerder inmiddels op het Woo-verzoek had beslist. De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling prematuur was, aangezien de beslistermijn nog niet was verstreken. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank benadrukt dat de dwangsomregeling van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing is op besluiten op grond van de Woo. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding, maar verweerder heeft toegezegd het griffierecht te vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8993

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: [naam]),
en

de staatssecretaris van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Talhaoui).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op haar verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres heeft met dagtekening 26 juli 2024 de Belastingdienst op grond van de Woo verzocht om openbaarmaking van alle documenten die hebben geleid tot de vaststelling van de aan haar opgelegde aanslag inkomstenbelasting 2022.
2. Met het primaire besluit van 29 augustus 2024 heeft verweerder het Woo-verzoek van eiseres afgewezen, omdat op de door eiseres verzochte informatie de geheimhoudingsplicht uit artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr)
rust. Volgens verweerder prevaleert de geheimhoudingsplicht die volgt uit artikel 67 van de Awr boven de bekendmakingsverplichting uit artikel 5.5 van de Woo. Verweerder kan daardoor geen fiscale gegevens verstrekken uit het dossier van eiseres.
3. Eiseres heeft verweerder met dagtekening 16 september 2024 [1] in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op haar verzoek. Met dagtekening 7 oktober 2024 [2] stelt eiseres verweerder wederom in gebreke. Verweerder heeft naar aanleiding hiervan op
8 oktober 2024 [3] per mail contact gezocht met eiseres en een kopie van het primaire besluit aan eiseres verstuurd.
4. Op 9 oktober 2024 [4] dient eiseres per mail een bezwaarschrift in tegen het primaire besluit. Eiseres stelt in dit bezwaar onder meer dat zij eerst op 8 oktober 2024 bekend is geworden met het primaire besluit.
5. Met dagtekening 5 november 2024 stelt eiseres beroep in, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar Woo-verzoek. De rechtbank heeft dit beroep ontvangen op 7 november 2024.
6. Op 28 november 2024 is het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat tegen een afwijzing op grond van artikel 67 van de Awr geen bezwaar en beroep open staat en daarnaast is het bezwaar te laat ingediend.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 29 augustus 2024 op het Woo-verzoek van eiseres heeft beslist. Gelet hierop heeft eiseres geen procesbelang meer bij een beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dat eiseres eerst op 8 oktober 2024 bekend is geworden met het primaire besluit, maakt het voorgaande niet anders. Omdat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit, is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk.
8. Uit artikel 8:2 van de Woo volgt dat de dwangsomregeling van artikel 4:17 van de Awb niet van toepassing is op besluiten op grond van de Woo en op beslissingen op bezwaar tegen die besluiten. Verweerder is daarom geen dwangsom aan eiseres verschuldigd.
9. Voor zover het beroep zich richt tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het bezwaar van eiseres van 9 oktober 2024, is de rechtbank van oordeel dat eiseres verweerder prematuur in gebreke heeft gesteld. Eiseres heeft immers gesteld dat zij eerst op 8 oktober 2024 op de hoogte is geraakt van het primaire besluit. Het bezwaarschrift is op
9 oktober 2024 door verweerder ontvangen. Uitgaande van een beslistermijn van zes weken, had verweerder uiterlijk op 20 november 2024 op het bezwaar moeten beslissen. De ingebreke stelling dateert echter van 8 oktober 2024. Op die dag was de termijn om te beslissen op het bezwaar dus nog niet verstreken. Verweerder was daarom nog niet in gebreke om tijdig een besluit te nemen. De ingebrekestelling is daarom te vroeg (prematuur) gedaan. Gelet op het bepaalde in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is ook in zoverre het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt beoordeeld.
10. De rechtbank overweegt ten overvloede nog het volgende. Eiseres heeft verzocht om informatie die bij de Belastingdienst bekend is over haarzelf. Artikel 67 van de Awr is een bijzondere regeling die zowel de openbaarmaking als de individuele verstrekking van informatie uitputtend regelt. [5] Dat betekent dat artikel 5.5 van de Woo niet kan worden toegepast op informatie die onder artikel 67 van de Awr valt. Bij documenten die tot het fiscale dossier behoren van een specifieke natuurlijke persoon mag ervan worden uitgegaan dat het documenten zijn waarvoor de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Awr geldt. [6] Tegen een beslissing om op grond van artikel 67 van de Awr geen uitzondering te maken op de geheimhoudingsplicht, staat geen bezwaar bij verweerder of beroep bij de bestuursrechter open. Een dergelijke beslissing is immers niet aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking in de zin van artikel 26 van de Awr. Een geschil daarover kan dus uitsluitend aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd. [7]

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Verweerder heeft wel ter zitting toegezegd het griffierecht te zullen vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 187 betaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Habetian, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie productie 25 van de stukken van eiseres.
2.Zie productie 29 van de stukken van eiseres.
3.Zie productie 31 van de stukken van eiseres.
4.Zie productie 35 van de stukken van eiseres.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2609, en 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1127.