ECLI:NL:RBDHA:2025:24359
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit en beëindiging tijdelijke bescherming derdelanders
De zaak betreft het verzet van de Minister van Asiel en Migratie tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank van 21 mei 2025, waarin het beroep van eiser gegrond werd verklaard wegens een prematuur opgelegd terugkeerbesluit. De rechtbank heeft het verzet behandeld en vastgesteld dat het terugkeerbesluit op 11 maart 2024 is genomen, dus niet prematuur zoals eerder aangenomen.
De rechtbank concludeert dat het eerdere oordeel onjuist was en verklaart het verzet gegrond, waardoor de uitspraak van 21 mei 2025 vervalt. Vervolgens beoordeelt de rechtbank het beroep zelf inhoudelijk en oordeelt dat de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 rechtmatig is, mede gelet op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en de communicatie aan de Tweede Kamer.
De rechtbank ziet geen schending van het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel en verklaart het beroep ongegrond. Eiser komt niet in aanmerking voor een vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter F. Sijens en griffier A. Hoekstra-Verbeek en is in het openbaar bekendgemaakt op 18 december 2025.
Uitkomst: Het verzet van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard.