4.3Vrijspraak
Bewijs in zedenzaken
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de feiten waarvan de verdachte wordt beschuldigd. In zedenzaken is er vaak weinig bewijs, vooral als de verdachte de feiten ontkent en het gaat om beschuldigingen van gedragingen van de verdachte waar geen anderen dan het vermeende slachtoffer bij aanwezig zijn geweest. De verklaringen van het vermeende slachtoffer nemen dan ook een belangrijke plaats in bij de beoordeling van het bewijs. Het is bij de beoordeling van het bewijs in zedenzaken daarom belangrijk dat de rechtbank eerst beoordeelt of de verklaringen van het vermeende slachtoffer (in dit geval de aangeefster)
betrouwbaarzijn.
Volgens de wet kan een feit niet worden bewezen op grond van de verklaring van één getuige (bijvoorbeeld de aangeefster). Naast de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster is het daarom van belang of er voldoende ander bewijs is dat de verklaring van de aangeefster ondersteunt (zogenaamd
steunbewijs). Volgens de Hoge Raad hoeven niet alle handelingen waarvan de verdachte beschuldigd wordt, ondersteund te worden door ander bewijs. De verklaring van de aangeefster moet wel op concrete, wezenlijke punten worden ondersteund door bewijs uit een andere bron dan de aangeefster zelf. Ook mag het steunbewijs niet in een te ver verwijderd verband staan tot wat moet worden bewezen.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster
Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid kan door de rechtbank (onder meer) gekeken worden of de verklaringen van de aangeefster concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent zijn. De beoordeling van de betrouwbaarheid vindt plaats van de verklaringen in hun geheel en kijkend naar alle omstandigheden van de specifieke zaak.
In dit geval is daarbij relevant dat de aangeefster verklaringen heeft afgelegd over gebeurtenissen die zich lang geleden hebben afgespeeld, namelijk toen zij ongeveer 2,5 tot en met 12 jaar oud was, terwijl zij ten tijde van haar eerste gesprek met de politie 29 jaar oud was. Ook tussen de verschillende gesprekken bij de politie en het horen door de rechter-commissaris zijn enkele jaren verstreken (2019 tot 2023).
De aangeefster heeft in drie gesprekken met de politie en bij de rechter-commissaris verklaringen afgelegd over seksueel misbruik binnen het gezin waarin zij is opgegroeid. Zij verklaart dat ze langdurig is misbruikt door de verdachte en door haar broers [naam 1] en [naam 2] . Het misbruik door de verdachte bestond er volgens haar voornamelijk uit dat zij gedwongen werd de verdachte (ongeveer wekelijks) te pijpen. Het misbruik door de verdachte begon volgens de aangeefster toen zij tussen de 2,5 en 4 jaar oud was en eindigde toen zij ongeveer 12 jaar oud was. De aangeefster verklaart iets meer gedetailleerd over één specifiek incident waarbij de verdachte een lolly over zijn penis gerold zou hebben, waarna hij zijn penis in haar mond heeft gebracht. De aangeefster verklaart ook dat de verdachte op verschillende momenten tandpasta over zijn penis smeerde voordat hij die in haar mond bracht.
De rechtspsycholoog die een rapport heeft geschreven over (de betrouwbaarheid van) de verklaringen van aangeefster trekt een aantal conclusies. Het lange tijdsverloop vanaf de gebeurtenissen waarover de aangeefster vertelt, is nadelig voor de betrouwbaarheid van haar verklaringen. Uit het gebrek aan details in de verklaringen valt in dit geval niets af te leiden, omdat de gebeurtenissen zich zo lang geleden hebben afgespeeld en daarnaast ook herhaaldelijk zouden zijn gebeurd. Dat sommige details juist wel in de verklaringen van aangeefster voorkomen, vormt in dit geval ook geen aanwijzing voor (on)betrouwbaarheid van die verklaringen.
De gesprekken die de aangeefster heeft gevoerd met anderen en de psychotherapeutische behandelingen die zij heeft ondergaan zijn ongunstig voor de betrouwbaarheid, omdat die kunnen leiden tot pseudoherinneringen. De rechtspsycholoog heeft in zijn rapport verder gesteld dat het onwaarschijnlijk is dat de herinneringen waarover de aangeefster heeft verklaard van vóórdat zij 4 jaar oud was, authentiek zijn. Mensen hebben doorgaans geen herinneringen van vóór hun vierde levensjaar. Dat wordt ‘infantiele amnesie’ genoemd. Daarnaast geeft de aangeefster zelf aan dat zij weet hoe oud ze was toen het misbruik begon, omdat zij is gaan bladeren in fotoboeken en zag dat zij er op foto’s vanaf een bepaald moment niet meer vrolijk maar terneergeslagen uitzag. Dit wijst er volgens de rechtspsycholoog op dat het daarbij waarschijnlijke niet gaat om authentieke herinneringen, maar om reconstructies.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de aangeefster niet betrouwbaar zijn, omdat zij op belangrijke onderdelen te veel uiteenlopen en vanwege de kanttekeningen uit het rapport van de rechtspsycholoog.
Uit het dossier is het de rechtbank (net als de rechtspsycholoog) duidelijk geworden dat de aangeefster en de getuigen in ieder geval de afgelopen jaren in aanloop naar de aangifte met elkaar hebben gesproken over de beschuldigingen. Dit maakt het mogelijk dat tijdens die gesprekken de betrokkenen elkaars herinneringen hebben beïnvloed. Ook heeft de aangeefster verschillende therapieën gevolgd, waaronder EMDR. Daardoor is er een risico op pseudoherinneringen. Uit het dossier wordt echter ook duidelijk dat er al veel eerder, ruim vóór de aangifte, gesproken is over de beschuldigingen. Zo heeft de moeder van de aangeefster verklaard dat zij is gebeld door de school van haar dochter die toen zes jaar oud was (in 1996). Er was toen een incident geweest van de aangeefster met haar broer [naam 2] op het schoolplein, waarna aangeefster op school ook iets heeft verteld over de verdachte. De aangeefster heeft verder rond 2004 aan [naam 3] (toen de partner van de verdachte) verteld dat zij misbruikt werd door de verdachte en [naam 1] en [naam 2] . Daarnaast verklaren meerdere getuigen dat er in 2008 of 2009 een gesprek heeft plaatsgevonden over seksueel misbruik van aangeefster door haar broers, waarbij het gezin en de toenmalige vriend van de aangeefster ( [naam 4] ) aanwezig waren.
De rechtbank vindt het voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster van belang dat zij ook toen zij nog heel jong (pas 6 jaar) was iets heeft verteld over misbruik. Het is niet duidelijk wat aangeefster op dat moment precies heeft verteld, maar wel dat dit de strekking had dat sprake was van misbruik van aangeefster, door de verdachte. De verdachte heeft ter zitting immers verklaard dat zij naar aanleiding van deze melding van school hierop door hun moeder is aangesproken. De aangeefster had toen nog geen therapie gehad en van gesprekken met anderen over het misbruik (voor en tot die momenten) is niet gebleken. Daarnaast hebben ook andere
‘disclosures’plaatsgevonden door aangeefster voor de start van haar therapieën, zoals die aan [naam 3] rond 2004, aan de toenmalige vriend van aangeefster, [naam 4] , en het gezinsgesprek in 2008/2009. De rechtbank vindt het feit dat de aangeefster niet meer alle details van het misbruik kan terughalen en dat zij op punten niet helemaal consistent verklaart, gelet op het aanzienlijke tijdsverloop, geen aanwijzing dat haar verklaringen als onbetrouwbaar aangemerkt zouden moeten worden. In de kern zijn haar verklaringen wel consistent, namelijk dat zij gedurende een lange periode is misbruikt door de verdachte, [naam 1] en [naam 2] en dat het hier voornamelijk ging over gedwongen pijpen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaringen van aangeefster in de kern betrouwbaar zijn.
De rechtbank vindt de verklaringen van aangeefster alleen niet betrouwbaar voor zover zij verklaart over hoe oud zij was toen het misbruik begon en specifiek toen het incident met de lolly plaatsvond. De aangeefster heeft gedetailleerde herinneringen aan dit incident, dus het is niet waarschijnlijk dat het incident heeft plaatsgevonden voordat zij 4 jaar oud was zoals zij heeft verklaard. Ook geeft de aangeefster zelf aan dat zij haar leeftijd op het moment van het begin en dat incident later heeft afgeleid uit fotoboeken. Dit maakt niet dat de verklaringen voor het overige als onbetrouwbaar moeten worden beschouwd. In beginsel kunnen zij dan ook dienen als bewijs van het tenlastegelegde.
(Steun)bewijs in het dossier
De officier van justitie heeft ter zitting naar voren gebracht welke onderdelen van het dossier naar haar mening de verklaringen van de aangeefster ondersteunen. De rechtbank zal moeten beoordelen of het dossier inderdaad onderdelen bevat die steunbewijs opleveren. Daarvoor moet de rechtbank kijken naar de bron van de informatie (dat moet immers een andere zijn dan aangeefster zelf), en beoordelen of die onderdelen de verklaringen van aangeefster voldoende op concrete, wezenlijke punten ondersteunen, en niet in een te ver verwijderd verband staan tot wat uiteindelijk moet worden bewezen.
Eerdere gesprekken over misbruik door verdachte naar aanleiding van beschuldigingen aangeefster
Uit het procesdossier volgt dat beschuldigingen van misbruik van aangeefster door de verdachte (‘
disclosures’), op verschillende momenten hebben plaatsgevonden en tussen familieleden en betrokkenen onderwerp van gesprek zijn geweest. Verschillende getuigen verklaren over die gesprekken en over gebeurtenissen of incidenten die aanleiding zouden hebben gegeven tot die gesprekken.
Bij het eerdergenoemde school incident heeft de school contact opgenomen met moeder omdat aangeefster aan haar juf verteld had over seksueel misbruik. Aanleiding voor het gesprek met haar juf was een incident op het schoolplein tussen aangeefster en haar broer [naam 2] , waarover [naam 2] verklaart dat hij zijn broek liet zakken en aangeefster dat zij zijn penis in haar mond nam. Geen van de getuigenverklaringen houdt in dat de verdachte bij het incident op school zelf betrokken is geweest. Wel volgt uit het dossier, dat naar aanleiding van het contact met school de verdachte door zijn moeder is aangesproken op wat de aangeefster op school, na het incident met haar andere broer, aan een lerares of de schoolleiding heeft verteld over de verdachte.
Ook volgt uit het procesdossier dat aangeefster in of rond 2004 aan [naam 3] (en later ook aan [naam 4] ) zou hebben verteld over misbruik door de verdachte. Verschillende getuigen verklaren ook over een ‘gezinsgesprek’ dat heeft plaatsgevonden in het jaar 2008 of 2009 en waarbij zou zijn gesproken over beschuldigingen van misbruik van de aangeefster door haar broers.
De rechtbank heeft het feit dat aangeefster in verschillende fases van haar leven (en ook op jonge leeftijd) al over misbruik heeft verteld meegewogen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van haar verklaringen, maar als steunbewijs kunnen deze gebeurtenissen of gesprekken niet dienen, nu het in al deze gevallen gaat om informatie die afkomstig is uit dezelfde bron, de aangeefster.
Verklaringen van en over de broers van de verdachte en aangeefster
Het dossier bevat verklaringen van de andere broers ( [naam 1] en [naam 2] ) van de aangeefster en de verdachte, en ook verklaringen over wat [naam 1] en [naam 2] op momenten in het verleden en in gesprek met anderen zouden hebben gezegd of gedaan.
Zo verklaren [naam 1] en [naam 2] beiden dat zij in het in 2008 of 2009 gevoerde gezinsgesprek (onder druk) hebben bekend dat zij aangeefster hebben misbruikt, wat [naam 2] ook later tegenover [naam 3] zou hebben bekend. Ook heeft de vader van het gezin verklaard dat [naam 1] na het gezinsgesprek heeft gezegd dat ‘hij er alleen maar naar heeft gekeken’. [naam 2] heeft bij de politie en bij de rechter-commissaris verklaard dat hij aan de borsten van de aangeefster heeft gezeten. Ten slotte is er door [naam 2] en door verdachte verklaard over een gesprek dat tussen hen heeft plaatsgevonden, in de auto onderweg naar het werk, naar aanleiding van beschuldigingen van [naam 2] over misbruik door de verdachte.
Om die informatie en verklaringen als steunbewijs aan te merken, is vereist dat deze de verklaringen van aangeefster ondersteunen voor wat betreft het misbruik van aangeefster door verdachte. De aangehaalde verklaringen gaan echter niet over misbruik van de aangeefster door de verdachte, maar over mogelijk ander misbruik van of door andere personen. Hoewel ook aangeefster op punten hierover heeft verklaard, staan de getuigenverklaringen van en over [naam 2] en [naam 1] naar het oordeel van de rechtbank in te ver verwijderd verband tot wat bewezen moet worden, te weten het misbruik van de aangeefster door de verdachte. Deze verklaringen kunnen daarvoor dan ook geen steunbewijs opleveren.
Gedrag van de verdachte
Datzelfde geldt voor het gegeven dat de verklaring van aangeefster, dat de verdachte zelf gepest werd en daardoor agressief gedrag vertoonde binnen het gezin, door de verklaring van andere getuigen en van de verdachte wordt ondersteund. Dit staat in een te ver verwijderd verband tot het seksueel misbruik om de verklaringen van aangeefster daadwerkelijk te kunnen ondersteunen.
Slotje op slaapkamerdeur
De moeder van de aangeefster heeft verklaard dat de aangeefster zelf op jonge leeftijd een slotje op haar deur heeft gemaakt. Aangeefster heeft dit zelf ook verklaard en toegelicht dat dit was om het misbruik door de verdachte tegen te gaan. De rechtbank is van oordeel dat dit deel van de verklaring van moeder de verklaring van aangeefster in principe kan steunen, maar dat dit op zichzelf bezien van onvoldoende gewicht is. Het feit dat de aangeefster een slot op haar deur heeft gemaakt, bewijst immers niet direct dat er ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden.
Verklaringen over meer specifiek omschreven incidenten
Uit het dossier volgt dat [naam 3] heeft verklaard dat de verdachte na afloop van het gezinsgesprek in 2008 of 2009 heeft toegegeven dat er ‘iets oraals’ is gebeurd tussen de verdachte en de aangeefster. [naam 3] heeft verklaard dat de verdachte zou hebben gezegd dat zij tandpasta op de clitoris van de aangeefster heeft gesmeerd en zij dat oraal heeft verwijderd. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring de verklaringen van aangeefster niet kan ondersteunen, omdat de aangeefster consistent verklaart dat zij verdachte moest pijpen, maar niet heeft verklaard over deze vorm van misbruik. Daarnaast is dit ook niet aan de verdachte tenlastegelegd.
De verdachte heeft verklaard dat zij de vagina van de aangeefster eenmalig heeft aangeraakt toen zij, de verdachte, 11 jaar oud was, omdat zij een meisje wilde zijn en wilde weten hoe dat er uit zag. De aangeefster verklaart dat haar broers aan haar vagina zouden hebben gezeten en met hun vingers in haar vagina zouden zijn binnengedrongen toen zij 4 of 5 jaar was. De verdachte was toen dus 11 of 12 jaar. Het dossier bevat geen steun voor de verklaring van aangeefster dat zij op dat moment 5 jaar en de verdachte 12 jaar was. Hoewel er dus steunbewijs is dat de verdachte toen zij 11 jaar was de vagina van aangeefster heeft aangeraakt is zij daarvoor niet strafbaar omdat kinderen onder de 12 jaar oud niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd.
Verklaringen over incident met lolly
De moeder van de aangeefster heeft voor het eerst bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd over een incident met een lolly. Daarbij zou de aangeefster hard gegild hebben; de moeder trof de aangeefster vervolgens aan op een slaapkamer op bed, met een ontkleed onderlijf, met [naam 1] , [naam 2] en de verdachte in de kamer waarbij de verdachte een lolly in de hand had die zij snel aan [naam 1] gaf.
De moeder heeft ook verklaard dat de aangeefster haar heeft laten weten dat zij het niet leuk vond dat haar moeder bij de politie niets had gezegd, en dat de moeder het meeste wat ze heeft (de rechtbank begrijpt: het grootste deel van de informatie die ze heeft) gehoord heeft van de aangeefster. De rechtbank vindt de verklaring van de moeder bij de rechter-commissaris over het incident met de lolly niet betrouwbaar. De moeder heeft eerder bij de politie verklaard dat zij niets had gezien en zij wist dat haar dochter het niet leuk vond dat zij niets had verklaard. De inhoud van de verklaring is gedetailleerd, maar de getuige is de enige die over dit incident verklaart. De verklaring komt niet overeen met de verklaring van de aangeefster zelf en van [naam 2] , die beiden wel verklaren over een incident met een lolly. Omdat de rechtbank de verklaring van moeder over dit zeer specifieke incident niet betrouwbaar vindt, kan die verklaring de aangifte daarom niet ondersteunen.
[naam 2] heeft bij de politie en de rechter-commissaris ook verklaringen afgelegd over een incident met een lolly. Hij verklaart daarover dat de verdachte met hem en de aangeefster op de slaapkamer was. De verdachte zou aan hem en de aangeefster hebben gevraagd om hem te pijpen en een lolly hebben gepakt en die om zijn penis hebben gerold. [naam 2] verklaart dat hij zelf daarna is weggegaan uit de kamer. [naam 2] verklaart bij de rechter-commissaris dat hij denkt dat de verdachte toen 11 of 12 jaar was en de aangeefster 9.
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaringen van [naam 2] aan het bewijs kunnen bijdragen, omdat [naam 2] verklaart uit zijn eigen waarnemingen en zijn verklaringen over wat er is gebeurd voor het overgrote deel overeenkomen met die van de aangeefster.
Beoordeling van het (steun)bewijs
Uit de verklaringen van de gehoorde getuigen komen naar het oordeel van de rechtbank verschillende aanwijzingen naar voren dat in de gezinssituatie waarin aangeefster is opgegroeid sprake is geweest van seksueel misbruik. Dat is echter niet voldoende voor een bewezenverklaring van de aan verdachte tenlastegelegde feiten.
De rechtbank concludeert dat in het dossier uiteindelijk op één punt voldoende relevant en daarmee bruikbaar steunbewijs te vinden is voor de in de kern betrouwbare aangifte van aangeefster. De rechtbank moet beoordelen of met het voorhanden bewijs ook wettig en overtuigend kan worden bewezen wat de verdachte wordt verweten in de tenlastelegging.
Het incident met de lolly zoals de aangeefster dat omschrijft, komt overeen met de verklaringen van haar broer [naam 2] . Die was daarbij zelf aanwezig. De rechtbank moet vaststellen of dit incident valt binnen de ten laste gelegde periode. Dat is in dit geval in het bijzonder van belang, omdat de verdachte ook niet strafbaar is voor feiten die hebben plaatsgevonden vóór zij 12 jaar oud was. Aangeefster verklaart dat zij zelf 3 of 4 jaar oud was, waarmee het incident buiten de tenlastegelegde periode zou vallen, maar de rechtbank heeft al eerder overwogen dat zij de verklaringen van de aangeefster op dit punt niet betrouwbaar acht.
De officier van justitie gebruikt de verklaring van [naam 2] om dit incident binnen de ten laste gelegde pleegperiode te kunnen plaatsen. [naam 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de verdachte ten tijde van het incident met de lolly 11 of 12 jaar was, hij zelf 10 jaar en de aangeefster 9 jaar. Dit is echter niet mogelijk, alleen al vanwege het leeftijdsverschil van de aangeefster en de verdachte (iets meer dan 7 jaar), wat de aangeefster 5 of 6 jaar oud zou maken toen de verdachte 12 jaar oud was. Verdachte is 4,5 jaar ouder dan [naam 2] en [naam 2] is weer 2,5 jaar ouder dan aangeefster. Geconfronteerd met zijn wisselende verklaringen over hoe oud aangeefster was ten tijde van dit incident, heeft [naam 2] verklaard dat een ding zeker is, dat verdachte toen op de [school] zat, een basisschool, voordat verdachte naar de middelbare school ging. [naam 2] verklaart dat in zijn gedachten de verdachte ‘toen net 11 of 12 jaar’ was. Daarmee valt het lolly-incident net niet of net wel in de tenlastegelegde periode. [naam 2] plaatst ook het eerdergenoemde gezinsgesprek veel eerder in de tijd dan de andere getuigen. [naam 2] verklaart hierover namelijk dat hij toen 14 of 15 jaar oud was, en de aangeefster dus jonger. Dit terwijl de aangeefster zegt dat ze ten tijde van dat gesprek 18 jaar was, omdat ze een relatie had met [naam 4] . Ook [naam 4] bevestigt dat dit gesprek in 2008 of 2009 moet hebben plaatsgevonden. [naam 3] doet dat ook. Dit alles samen maakt dat de rechtbank niet kan aannemen dat [naam 2] het incident met de lolly wél correct in de tijd plaatst.
De rechtbank kan dus op basis van de verklaring van [naam 2] of op basis van andere stukken in het dossier niet vaststellen wanneer het incident met de lolly plaats heeft gevonden. De rechtbank kan daarmee ook niet vaststellen of het incident met de lolly plaatsgevonden heeft binnen de ten laste gelegde periode.
Omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat dat deel van het tenlastegelegde misbruik, waarvoor steun wordt gevonden in een bewijsmiddel uit een andere bron, daadwerkelijk heeft plaatsgevonden in de ten laste gelegde periode, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de ten laste gelegde feiten aanwezig is. Dit leidt er toe dat de rechtbank de verdachte dan ook van beide feiten zal vrijspreken.