ECLI:NL:RBDHA:2025:24405

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
25/2932
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen omgevingsvergunning voor de realisatie van garageboxen en de beoordeling van het recht op buurweg

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 2 december 2025, wordt het beroep van eiser tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van 37 garageboxen behandeld. Eiser, wonende in [woonplaats 1], stelt dat de vergunning inbreuk maakt op zijn recht op een buurweg, zoals vastgelegd in een akte uit 1959. De rechtbank onderzoekt of de omgevingsvergunning terecht is verleend door het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp. De rechtbank concludeert dat het college de vergunning mocht verlenen, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de garageboxen niet gerealiseerd kunnen worden zonder inbreuk te maken op het recht op de buurweg. De rechtbank wijst erop dat de buurweg sinds 1999 een breedte van circa 1,70 meter heeft en dat het recht op een bredere buurweg mogelijk is verjaard. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard. De rechtbank benadrukt dat het college enkel de criteria van de Wabo moet volgen en dat er geen ruimte is voor andere overwegingen, zoals privaatrechtelijke belemmeringen. De uitspraak bevestigt dat de omgevingsvergunning rechtmatig is verleend en dat eiser zich tot de burgerlijke rechter kan wenden indien hij meent dat zijn recht op de buurweg wordt geschonden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2932

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats 1], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp

(gemachtigde: [naam 1] en [naam 2]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij]uit [woonplaats 2], vergunninghouder
(gemachtigde: mr. A. Vreugdenhil).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit tot verlening van een omgevingsvergunning ter realisatie van 37 garageboxen op het perceel [adres] in [plaats]. Eiser is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning omdat het bouwplan inbreuk maakt op de buurweg van de omliggende woningen. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de verlening van de omgevingsvergunning
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 22 juni 2022 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van 39 garageboxen op het perceel [adres] (het perceel).
2.1.
Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning met het besluit van 16 november 2022 verleend. De omgevingsvergunning ziet op de activiteit ‘bouwen’. [1] Er is ontheffing verleend voor het gedeelte buiten het bouwvlak van de functieaanduiding ‘garage’. Op 12 mei 2023 heeft het college, naar aanleiding van het advies van de Bezwaarschriftencommissie van 13 maart 2025, het besluit van 16 november 2022 herroepen. Op 28 mei 2024 heeft het college een wijzigingsplan vastgesteld.
2.2.
Vergunninghouder heeft op 27 juni 2024 een gewijzigde aanvraag ingediend voor het bouwen van 37 garageboxen op het perceel. Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 15 oktober 2024 verleend (het primaire besluit). De omgevingsvergunning ziet op de activiteit ‘bouwen’. [2] Met het besluit van 18 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is het bij het verlenen van de omgevingsvergunning gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het college heeft een verweerschrift ingediend. Vergunninghouder heeft een zienswijze ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn partner, de gemachtigden van het college, vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 22 juni 2022. De gewijzigde aanvraag van 27 juni 2024 betreft een wijziging van de aanvraag met wijzigingen van ondergeschikte aard. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Toetsingskader
3.2.
Het perceel [adres] is gelegen in het wijzigingsplan “[wijzigingsplan]” (het wijzigingsplan). Dit plan is een wijziging van het bestemmingsplan “[bestemmingsplan]” (het bestemmingsplan) en voorziet in het wijzigen van de grenzen van de functieaanduiding ’garage’ zodat er garageboxen gerealiseerd kunnen worden op het perceel. Het wijzigingsplan is vastgesteld door het college op 28 mei 2024.
3.3.
Uit publicatie van het Gemeenteblad is gebleken dat het wijzigingsplan van 13 juni 2024 tot en met 25 juli 2024 ter inzage heeft gelegen binnen welke termijn daartegen beroep kon worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Gebleken is dat tegen het wijzigingsplan beroep is ingesteld. Ook is er een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is afgewezen op 16 september 2024 [3] , zodat het wijzigingsplan op 26 juli 2024 in werking is getreden. Het wijzigingsplan is dus onderdeel van het toetsingskader.
3.4.
De grond waarop het bouwplan is voorzien heeft de bestemming ‘Verkeer-Wegverkeer’ en ‘Waarde-Archeologie 3’ en gedeeltelijk de functieaanduiding ‘garage’.
3.5.
Volgens artikel 4.1, aanhef en onder sub g, van het wijzigingsplan zijn de voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding ‘garage’ bestemd voor garageboxen.
3.6.
Volgens artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd, in geval van, kort gezegd, (a) strijd met het Bouwbesluit 2012, (b) strijd met de bouwverordening (c) strijd met het bestemmingsplan, of (d) strijd met redelijke eisen van welstand.
Is de omgevingsvergunning terecht verleend?
4. Eiser vindt dat met de bouw van de garageboxen de grenzen van het te bebouwen oppervlakte wordt overschreden. Daarmee wordt de recht van overpad over de buurweg die achter zijn woning loopt geschaad. Eiser heeft een akte uit 1959 overgelegd waaruit volgt dat de bewoners van de omliggende huizen recht hebben op een buurweg van circa 3 meter breed. Uit de tekeningen volgt echter dat als gevolg van de bouw van de garageboxen de buurweg nog maar 1 meter 70 tot 2 meter 10 meter breed zal zijn. De ontbrekende 1 meter 50 is volgens eiser ten onrechte toegevoegd aan de netto oppervlakte van het te bebouwen perceel.
4.1.
De rechtbank begrijpt het beroep van eiser zo dat hij bedoeld dat het bouwplan inbreuk maakt op het recht op onbelemmerd gebruik van de in de akte uit 1959 gevestigde buurweg van circa 3 meter breed die is gelegen rondom het perceel en grenst aan de achtertuinen van de omliggende woningen. Door het bouwplan zal de helft van de buurweg bebouwd worden en dit is onrechtmatig zolang niet iedereen die gerechtigd is tot het gebruik van de buurweg hiermee instemt. Dat het pad voor de helft van de breedte daarvan niet gebruikt wordt vanwege beplanting, doet hier niet aan af. Eiser verwijst hierbij naar het kadaster en het advies van een advies van Wetswinkel Delft.
4.2.
Het college en vergunninghouder vinden dat er geen buurweg met een breedte van 3 meter bestaat. Uit archiefonderzoek en luchtfoto’s is gebleken dat de buurweg sinds 1999 een afmeting van circa 1 meter 70 heeft. In 1999 is op het braakliggende deel van het perceel beplanting aangebracht. Doordat de eigenaren van de buurweg op dat moment geen actie ondernomen hebben, is het recht op een buurweg van 3 meter breed komen te vervallen. De vordering die de gerechtigden van de buurweg hebben tot opheffing van een inbreuk, verliep na 20 jaar. Doordat er niet eerder actie is ondernomen is het recht op een buurweg van 3 meter breed inmiddels verjaard. Het bouwplan maakt geen inbreuk op het bestaande pad van circa 1 meter 70 breed, aldus het college en vergunninghouder.
4.3.
De vraag die de rechtbank in het licht van deze beroepsgrond eerst moet beantwoorden is of het college vergunninghouder terecht als belanghebbende heeft aangemerkt bij een beslissing op zijn aanvraag om een omgevingsvergunning.
4.4.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat degene die een verzoek indient voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op het door hem ingediende verzoek. Dit kan anders zijn als het verzoek om het verlenen van een vergunning betrekking heeft op gronden die bij een ander in eigendom zijn of waarop een ander zakelijke rechten heeft. Als aannemelijk is gemaakt dat de voorgenomen activiteit niet kan worden verwezenlijkt omdat de rechthebbende hiervoor geen toestemming wil geven en er geen mogelijkheid bestaat om de activiteit te verwezenlijken tegen de wens van de rechthebbende in, dan is de verzoeker geen belanghebbende. [4]
4.5.
Uit hetgeen eiser heeft aanvoert volgt niet dat voldoende aannemelijk is dat de garageboxen niet kunnen worden verwezenlijkt omdat dit inbreuk maakt op zijn recht op een buurweg. Hierbij is van belang dat uit de satellietfoto’s kan worden afgeleid dat de buurweg sinds 1999 voor de helft van de breedte niet meer aanwezig is. Uit de overgelegde foto’s blijkt verder dat de grond voor 1/2 deel beplant is en daarom niet gebruikt wordt als pad. Het bouwplan verandert niks aan de breedte van het huidige pad. Niet uitgesloten is derhalve dat het recht van eiser op een buurweg met een breedte van 3 meter geelt op het bepaalde in artikel 3:105 juncto artikel 3:306 van het Burgerlijk wetboek verjaard is, zoals het college en vergunninghouder stellen. Gelet hierop is het niet evident dat er (nog) recht op een buurweg van 3 meter breed bestaat en dat het bouwplan daar inbreuk op maakt. Er was daarom geen reden voor het college om de aanvraag buiten behandeling te stellen.
4.6.
De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn stelling dat de omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd omdat sprake zou zijn van een evidente privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan de uitvoering van de voorgenomen activiteit.
4.7.
Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij uitsluitend dient te beoordelen of zich voor de gevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, een van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, moet de omgevingsvergunning worden verleend, als dat wel zo is, moet deze worden geweigerd. Uit dit stelsel vloeit voort dat geen ruimte bestaat om de omgevingsvergunningen op andere gronden, zoals het bestaan van een privaatrechtelijke belemmering, te weigeren. [5]
4.8.
Gesteld, noch gebleken, is dat het bouwplan niet voldoet aan de toetsingscriteria van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo. Het college heeft daarom terecht de omgevingsvergunning verleend. Eiser kan zich desgewenst tot de burgerlijke rechter wenden indien hij vindt dat de verwezenlijking van het bouwplan een inbreuk op het recht op de buurweg oplevert.
4.9.
Tenslotte overweegt de rechtbank dat zij geen oordeel kan geven over beroepsgronden van eiser tegen de mogelijkheid die het wijzigingsplan biedt om garageboxen te realiseren binnen de grenzen van het perceel. Dit wijzigingsplan staat niet ter beoordeling in deze zaak. Zoals genoemd in 3.3. vormt het wijzigingsplan het toetsingskader van de aanvraag. Het feit dat er op dit moment beroep bij de Afdeling loopt tegen het wijzigingsplan doet hier niet aan af. De gronden van eiser tegen het wijzigingsplan zullen door de Afdeling worden beoordeeld. De rechtbank kan in deze uitspraak enkel beoordelen of de omgevingsvergunning rechtmatig is verleend en is daarbij gebonden aan het toetsingskader, waartoe het wijzigingsplan behoort.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1232.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3067, r.o. 107.1.