ECLI:NL:RBDHA:2025:24441

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/09/689756 / FA RK 25-5985
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 18 november 2025 een beschikking gegeven over de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2016. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om het gezag van de moeder te beëindigen en de Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden tot voogd te benoemen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de moeder door haar psychische problematiek niet in staat is om voor [minderjarige] te zorgen. Ondanks eerdere hulpverlening is er geen verbetering in de situatie van de moeder, die verward gedrag vertoont en geen probleeminzicht heeft. De minderjarige woont momenteel bij zijn oma, die hem een veilige en stabiele omgeving biedt. De rechtbank heeft geoordeeld dat het in het belang van [minderjarige] is om het gezag van de moeder te beëindigen en de voogdij bij de gecertificeerde instelling te beleggen. De rechtbank heeft ook benadrukt dat de moeder altijd de ouder van [minderjarige] zal blijven en dat de ouder-kind band behouden moet blijven. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/689756 / FA RK 25-5985
Datum uitspraak: 18 november 2025
Beschikking van de meervoudige kamer
Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, te 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S.L. Prass te Amsterdam,
[de oma],
zijnde de grootmoeder moederszijde,
hierna te noemen: de oma,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. P. Celikkal te Den Haag,
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 augustus 2025;
  • het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de oma met bijlagen, ontvangen op 17 oktober 2025;
  • het nagezonden stuk van de oma, ontvangen op 20 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 1] namens de Raad;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de oma, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam 2] en [naam 3] namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met één van de rechters van de meervoudige kamer. Tijdens de zitting heeft die rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door [naam 4] .
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] woont bij de oma.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 december 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 27 december 2025 en de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 27 juni 2025. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen zitting gelegen vóór 27 juni 2025. Vervolgens heeft de kinderrechter in deze rechtbank bij beschikking van 19 juni 2025 de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 27 december 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de gecertificeerde instelling tot voogdes over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Hoewel het beëindigen van het ouderlijk gezag een ingrijpende maatregel is, vindt de Raad dit in het belang van [minderjarige] toch noodzakelijk. [minderjarige] verblijft sinds september 2023 bij de oma met een machtiging uithuisplaatsing, omdat de moeder door haar psychische problematiek niet in staat is om zelf voor hem te zorgen. [minderjarige] ontwikkelt zich daar goed. De Raad ziet dat de situatie van de moeder sinds de uithuisplaatsing nagenoeg niet is veranderd, ondanks de inzet van hulpverlening en een eerdere zorgmachtiging. Ook de huidige reclasseringsbegeleiding (die is opgelegd als voorwaarde voor de schorsing van de voorlopige hechtenis wegens verdenking van stalking van de vader door de moeder) heeft geen soelaas geboden. De moeder laat op momenten nog altijd verward en onvoorspelbaar gedrag zien, heeft geen probleeminzicht en kan ook niet inzien dat het in het belang is van [minderjarige] dat zij zich laat behandelen. Zo heeft de moeder [minderjarige] tot twee keer toe ingeschreven op een andere school, wat tot onzekerheid bij [minderjarige] leidt. Verder zijn er kindsignalen zichtbaar bij [minderjarige] en de gecertificeerde instelling acht het noodzakelijk dat hij daarvoor hulpverlening (diagnostiek en weerbaarheidstraining) krijgt. De moeder heeft hier geen toestemming voor willen geven. Volgens de gecertificeerde instelling is dit in het verleden vaker gebeurd. Dit belemmert [minderjarige] in zijn ontwikkeling. Al met al is de moeder niet in staat om voor [minderjarige] te zorgen en de juiste beslissingen voor hem te nemen. Hierdoor is het gedurende de ondertoezichtstelling niet gelukt om te werken aan een thuisplaatsing. [minderjarige] ervaart op dit moment weliswaar geen onzekerheid over zijn opgroeiperspectief, maar hij ervaart wel stress door de jaarlijkse zittingen. Voor [minderjarige] is het van belang dat er duidelijkheid komt en dat er zonder vertraging beslissingen genomen kunnen worden. De Raad stelt dat de gecertificeerde instelling als neutrale partij de belangen van [minderjarige] het beste kan behartigen. De Raad vindt het te vroeg om de oma met de voogdij te belasten. De Raad vreest dat dit de relatie tussen de moeder en de oma teveel onder druk zal zetten. Het is belangrijk dat er eerst meer rust en stabiliteit komt. Daarnaast is het ook belangrijk dat er nog gekeken wordt naar het contact tussen [minderjarige] en zijn vader, waar de moeder en de oma op dit moment niet achter staan. De gecertificeerde instelling moet wel blijven kijken of een overdracht van de voogdij naar de oma in de toekomst mogelijk is.

4.De standpunten en het zelfstandige verzoek

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder heeft aangevoerd dat zij de zorgen van de Raad niet herkent. De moeder acht zichzelf in staat de verzorging en opvoeding voor [minderjarige] zelfstandig te dragen. Ook kan zij beslissingen nemen in zijn belang. Het gaat goed met de moeder. Zij heeft werk en is druk bezig om haar werk als rij-instructeur weer mogelijk te maken. De moeder verklaart op zitting dat de zorgmachtiging niet is verlengd. Zij benadrukt ook geen hulpverlening nodig te hebben. Binnenkort staat de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen de moeder (wegens de verdenking van stalking) gepland. De moeder gaat ervan uit dat de strafzaak zal leiden tot een vrijspraak, waarna er meer rust zal komen in haar leven. Zij meent dat ze dan ook weer zelf voor [minderjarige] kan zorgen. Primair verzoekt de moeder het verzoek van de Raad af te wijzen. Indien de rechtbank overgaat tot beëindiging van het gezag van de moeder, verzoekt de moeder subsidiair om de oma te belasten met de voogdij over [minderjarige] . De moeder ziet geen noodzaak voor enig contact tussen [minderjarige] en de vader. Verder vreest de moeder niet dat de relatie met de oma onder druk kan komen te staan als de oma voogd zou worden. De moeder stelt dat zij bij onenigheid met de oma steeds zelf de doorslaggevende beslissingen zal nemen over [minderjarige] .
4.2.
De oma heeft zich bij monde van haar advocaat gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor zover het gaat om het beëindigen van het gezag van de moeder. De oma heeft wel verweer gevoerd tegen het benoemen van de gecertificeerde instelling tot voogdes over [minderjarige] . De oma heeft zelfstandig verzocht dat zij zelf met de voogdij wordt belast als het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd. Daartoe heeft de oma aangevoerd dat het goed gaat met [minderjarige] . Hij heeft het naar zijn zin op school en bij de oma thuis. Tegelijkertijd ziet de oma dat hij zijn moeder mist en soms verdrietig is. De oma doet haar best om hem daarin te steunen en hem een veilige, stabiele en liefdevolle omgeving te bieden. De oma staat volledig achter haar rol als verzorger en opvoeder van [minderjarige] en wil die verantwoordelijkheid blijven dragen. Zijn welzijn staat voor haar op de eerste plaats en zij is vastberaden om hem de rust te geven die hij zo hard nodig heeft. Nu de oma al jaren voor [minderjarige] zorgt, is het passender om de voogdij bij haar te beleggen. De oma verwacht niet dat dit de relatie met de moeder onder druk zal zetten omdat de verstandhouding tussen hen momenteel goed is. Als de oma en de moeder het niet eens zijn over een beslissing aangaande [minderjarige] zal de oma de beslissing nemen en daarbij het belang van [minderjarige] altijd voorop stellen. De oma geeft desgevraagd aan op dit moment geen reden te zien om het contact tussen [minderjarige] en zijn vader op te starten. Als [minderjarige] op latere leeftijd zelf aangeeft dit te willen, zal de oma daar achteraan gaan.
4.3.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. Het is de afgelopen jaren niet gelukt om te werken aan een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De moeder werkt niet mee aan hulpverlening, waardoor er geen verbetering is ten aanzien van haar problematiek en er ook onvoldoende zicht is op haar opvoedvaardigheden. Het is positief dat de moeder de omgangsafspraken en de afspraken met de jeugdbeschermer nakomt. De omgang wordt begeleid door [zorginstantie 1] en verloopt goed. [zorginstantie 1] ziet echter geen mogelijkheden om de omgang onbegeleid te laten plaatsvinden. Het is duidelijk dat [minderjarige] bij de oma zal opgroeien. [minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de oma en heeft het daar naar zijn zin. [zorginstantie 2] heeft aangegeven dat er geen trauma gerelateerde klachten worden gezien bij [minderjarige] . Wel heeft [zorginstantie 2] een weerbaarheidstraining geadviseerd, maar daar geeft de moeder geen toestemming voor. De gecertificeerde instelling vindt het op dit moment noodzakelijk dat een neutrale partij belast wordt met de voogdij over [minderjarige] . Op termijn moet worden toegewerkt naar het overdragen van de voogdij aan de oma. De gecertificeerde instelling meent dat het daar nu nog te vroeg voor is. De moeder moet eerst tijd en ruimte krijgen om te wennen aan haar ouderrol op afstand. De gecertificeerde instelling vreest dat de relatie tussen de moeder en de oma onder druk komt te staan als de oma nu met de voogdij wordt belast. Daarbij is het belangrijk dat er de komende tijd wordt gekeken naar de rol van de vader van [minderjarige] . Voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] is het immers van belang dat hij een beeld heeft van zijn vader, ook als dat niet direct leidt tot contact.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.2.
Het beëindigen van het ouderlijk gezag is een maatregel die ingrijpt in het gezinsleven van zowel de ouder van wie het gezag wordt beëindigd als de minderjarige waarover het gezag wordt uitgeoefend. Daarbij is van belang dat artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) onder meer eist dat de belangen van het kind en die van de ouder tegen elkaar worden afgewogen. Uit het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) volgt dat de belangen van het kind voorop staan bij het nemen van een beslissing tot het beëindigen van ouderlijk gezag. Op grond van artikel 8 EVRM geldt ten slotte dat, indien het doel van een gezagsbeëindiging met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van deze maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd (subsidiariteit en proportionaliteit).
5.3.
Bij beschikking van 27 september 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] bij wege van spoedvoorziening voorlopig onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst bij de oma, omdat er grote zorgen waren over de psychische toestand van de moeder. De moeder werd steeds vaker in verwarde toestand gezien en was daardoor onvoorspelbaar in haar gedrag. Ook was de moeder volledig uit contact getreden met de hulpverlening en de oma, waardoor er geen zicht was op de opvoedsituatie en veiligheid van [minderjarige] . Het gedwongen kader van de voorlopige ondertoezichtstelling werd noodzakelijk bevonden zodat er zicht zou blijven op de ontwikkeling en de veiligheid van [minderjarige] , de opvoedsituatie bij de moeder en haar opvoedvaardigheden. Vervolgens heeft de kinderrechter bij beschikking van 21 december 2023 [minderjarige] onder toezicht gesteld en een machtiging uithuisplaatsing verleend om [minderjarige] bij de oma te plaatsen omdat de moeder nog altijd niet in staat werd geacht de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. De kinderbeschermingsmaatregelen zijn nadien steeds verlengd.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat de moeder niet in staat is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. Uit de stukken volgt dat het de moeder de afgelopen jaren niet is gelukt om een veilige, betrouwbare en stabiele opvoeder voor [minderjarige] te zijn. Er lijkt bij de moeder geen sprake te zijn van onwil, maar van onmacht. Daarbij speelt de psychische problematiek van de moeder een grote rol. Hoewel diverse malen is geprobeerd om daar hulpverlening voor in te zetten, staat de moeder niet open voor hulpverlening en behandeling van haar psychische problematiek. De moeder maakt nog altijd een verwarde indruk, zo heeft de rechtbank ook zelf vastgesteld tijdens de mondelinge behandeling. Net als de Raad, constateert de rechtbank dat de antwoorden van de moeder op vragen regelmatig onsamenhangend zijn en niet passen bij de gestelde vragen. De moeder toont geen probleeminzicht en beseft niet dat zij hulpverlening nodig heeft. Nu de zorgmachtiging onlangs niet is verlengd, heeft ze haar behandeling bij [zorginstantie 3] ook gestopt. Hierdoor is niet te verwachten dat haar psychische toestand op korte termijn zal verbeteren. De zorgen over haar opvoedvaardigheden en haar persoonlijke problematiek zijn daarmee nog altijd onverminderd aanwezig. Ook is de moeder de afgelopen jaren niet in staat gebleken gezagsbeslissingen te nemen. De moeder geeft geen toestemming voor noodzakelijke hulpverlening voor [minderjarige] en het lukt haar niet om zijn belang voorop te zetten. De kinderrechter heeft daarom vervangende toestemming verleend voor het verrichten van diagnostisch onderzoek bij [zorginstantie 2] . [zorginstantie 2] heeft geadviseerd om [minderjarige] via school een weerbaarheidstraining te laten volgen. Ook daar heeft de moeder geen toestemming voor gegeven. Daarnaast heeft de moeder [minderjarige] op eigen initiatief tot twee keer toe ingeschreven op een andere school, wat voor veel onrust en onzekerheid heeft gezorgd bij [minderjarige] . De moeder lijkt niet te beseffen dat de ontwikkeling van [minderjarige] door haar toedoen geschaad kan worden en dat noodzakelijke zaken voor hem niet geregeld kunnen worden als zij geen toestemming verleent. De rechtbank hoopt – net als de Raad en de gecertificeerde instelling – dat het de moeder in de toekomst wel lukt om individuele behandeling af te ronden, zodat zij een stabiel leven voor zichzelf kan creëren en beschikbaar kan zijn voor [minderjarige] . Gelet op de complexiteit van de problematiek en haar weigerende houding ten opzichte van hulpverlening, is het niet de verwachting dat dit op korte termijn zal gebeuren.
5.5.
[minderjarige] laat sinds de uithuisplaatsing een positieve groei zien. Hij ontwikkelt zich leeftijdsadequaat, heeft het naar zijn zin bij de oma en doet het goed op school. Voor [minderjarige] is het toch belangrijk dat het duidelijk wordt waar hij gaat opgroeien. Omdat het al enige tijd duidelijk is dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt, vindt de rechtbank de maatregelen van een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing niet langer passend voor de huidige situatie. Uit het systeem van de wet volgt immers dat de maatregelen tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet passend zijn als thuisplaatsing niet meer aan de orde is. Dat past niet bij de tijdelijkheid van die maatregelen, die er in beginsel op zijn gericht de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer bij de ouder met gezag te leggen. De rechtbank is er verder niet van overtuigd dat de hulpverlening en het verblijf van [minderjarige] bij de oma in vrijwillig kader voortgezet kunnen worden. Ook heeft de rechtbank er, gelet op de ervaringen tot op heden, geen vertrouwen in dat de moeder de noodzakelijke toestemming voor gezagsbeslissingen steeds (tijdig) zal verlenen. Daarbij heeft de moeder nog altijd het idee dat zij weer zelf voor [minderjarige] kan zorgen, waardoor het risico bestaat dat zij [minderjarige] bij de oma zal weghalen als de plaatsing vrijwillig is. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan en dat beëindiging van het gezag van de moeder een gerechtvaardigde en proportionele inmenging vormt in het gezinsleven, zoals bedoeld in artikel 8 EVRM.
5.6.
De rechtbank zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder dan ook toewijzen. Deze beslissing neemt niet weg dat de moeder altijd de ouder van [minderjarige] blijft en dat hun ouder-kind band ook in de toekomst behouden moet blijven. De rechtbank vindt het positief dat [minderjarige] en de moeder structureel begeleide omgangsmomenten hebben en dat die ook goed verlopen. De rechtbank geeft de gecertificeerde instelling mee dat contact tussen [minderjarige] en de moeder een aandachtspunt moet blijven en dat gekeken moet blijven worden of een uitbreiding van de omgangsregeling in het belang van [minderjarige] op termijn mogelijk wordt geacht.
5.7.
Aangezien de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, moet de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hem benoemen. De Raad en de gecertificeerde instelling stellen zich op het standpunt dat de voogdij bij de gecertificeerde instelling belegd moet worden. De oma – en ook de moeder als het tot een gezagsbeëindiging komt – vindt dat de oma belast moet worden met de voogdij over [minderjarige] . De rechtbank vindt het op dit moment in het belang van [minderjarige] dat de voogdij bij de gecertificeerde instelling wordt belegd. De gecertificeerde instelling kan als neutrale instantie beslissingen nemen in het belang van [minderjarige] . Op die manier kan de oma zich blijven richten op de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en komt er geen druk te staan op de band tussen de oma en de moeder. Anders dan de moeder en de oma, heeft de rechtbank, gelet op de stellingname van de oma en de moeder op de zitting – beiden stellen de doorslaggevende stem te zullen hebben bij onenigheid – de overtuiging dat deze druk wel zal kunnen ontstaan. Daarnaast is het voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] van belang dat er aandacht blijft voor de positie van de vader van [minderjarige] , opdat [minderjarige] zelf een beeld kan vormen van zijn vader en kan bepalen of hij (op termijn) contact met hem wil. De rechtbank verwacht niet dat de oma dit zelfstandig zal vormgeven, nu zowel de moeder als de oma de noodzaak daarvan niet inzien. De rechtbank geeft de gecertificeerde instelling wel mee dat zij moet blijven monitoren of een voogdij-overdracht naar de oma op den duur mogelijk is, omdat het de voorkeur geniet om de voogdij bij een natuurlijk persoon te beleggen.
5.8.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]
5.9.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van:
-
[de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1994 in [geboorteplaats] ,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats] ,
6.2.
benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, mr. J.E. Bierling en mr. W.G. de Boer, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025, in aanwezigheid van
mr. J.M. Dreef als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.