ECLI:NL:RBDHA:2025:24452

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/09/680981 / FA RK 25-1493
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd in een jeugdzorgzaak

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 18 november 2025 een beschikking gegeven over de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2012. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om het gezag van de moeder te beëindigen en de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering als voogd te benoemen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de moeder niet in staat is om de zorg en opvoeding van [minderjarige] te dragen, gezien de verstoorde relatie tussen de moeder en de minderjarige, en het gebrek aan contact tussen hen. De rechtbank heeft ook de zorgen van de Raad over de ontwikkeling van [minderjarige] meegewogen, waarbij is vastgesteld dat de minderjarige bij de oma woont en daar stabiliteit en veiligheid ervaart. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de beëindiging van het gezag van de moeder noodzakelijk is voor het welzijn van [minderjarige]. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De rechtbank heeft de moeder en de gecertificeerde instelling aangespoord om samen te werken aan contactherstel tussen de moeder en [minderjarige].

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/680981 / FA RK 25-1493
Datum uitspraak: 18 november 2025
Beschikking van de meervoudige kamer
Beëindiging ouderlijk gezag en benoeming voogd
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, te 'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige].
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. A.R. Bissessur te Den Haag,
[de oma],
zijnde de grootmoeder moederszijde,
hierna te noemen: de oma,
wonende in [woonplaats 2],
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 25 februari 2025;
  • het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de oma, ontvangen op 8 mei 2025;
- het verweerschrift van de moeder, ontvangen op 23 juli 2025;
- het bericht van mr. [naam 1], de voormalig advocaat van de oma, van 15 augustus 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 2] namens de Raad;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam 3] en [naam 4] namens de gecertificeerde instelling.
De oma is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de oma wel juist is opgeroepen.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de voorzitter van de meervoudige kamer. Tijdens de zitting heeft de voorzitter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont bij de oma.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 januari 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 26 januari 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen, de gecertificeerde instelling tot voogdes over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige]. [minderjarige] heeft een belast verleden waarin zij basisveiligheid heeft gemist en veel wisselingen van verblijfplaats, stress en onduidelijkheid heeft meegemaakt. Sinds september 2022 woont zij bij de oma omdat het de moeder niet lukte om voor [minderjarige] te zorgen. [minderjarige] heeft het fijn bij de oma en wil daar graag blijven. De gecertificeerde instelling heeft het perspectief van [minderjarige] ook bij de oma bepaald. Er zijn geen zorgen over de basale veiligheid en verzorging van [minderjarige] bij de oma. De oma vindt het soms wel lastig om aan te sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. Daarnaast belast de oma [minderjarige] met volwassenzaken. Ook de moeder behandelt [minderjarige] als een volwassene en belast haar met verantwoordelijkheden die niet passen bij haar leeftijd. [minderjarige] en de moeder hebben op dit moment geen fysiek contact met elkaar en spreken elkaar alleen af en toe via de telefoon. [minderjarige] ziet ook haar broertjes niet. Het baart de Raad zorgen dat er geen vaste omgangsregeling is. Het is voor de sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling van [minderjarige] immers van belang dat zij contact heeft met de moeder en met haar broertjes. De moeder vindt dat [minderjarige] het initiatief moet nemen en moet veranderen om erbij te horen. Zij wil niet dat [minderjarige] contact heeft met haar broertjes omdat zij een slechte invloed zou hebben. Zo blijft de moeder [minderjarige] keer op keer afwijzen. Ook geeft de moeder [minderjarige] de schuld van nare gebeurtenissen uit het verleden, zoals een miskraam van de moeder. De moeder lijkt niet in te zien dat [minderjarige] nog een kind is dat bescherming en emotionele ondersteuning nodig heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen. De moeder lijkt haar eigen problemen aan [minderjarige] toe te schrijven en lijkt geen oog te hebben voor de emoties en behoeften van [minderjarige]. De oma krijgt van de moeder te horen dat zij de moeder nooit de kans heeft gegeven om haar moederrol op te pakken. De moeder toont geen zelfinzicht en schuift de problemen af op anderen. De Raad vindt het verder zorgelijk dat de relatie tussen de moeder en de oma verstoord is. De Raad kan zich voorstellen dat [minderjarige] het gevoel krijgt te moeten kiezen tussen de moeder en de oma. Hierdoor kan zij (verder) in een loyaliteitsconflict terechtkomen. De Raad is van mening dat het beëindigen van het gezag van de moeder noodzakelijk is. De moeder is nauwelijks betrokken in het leven van [minderjarige] en heeft weinig tot geen contact met de oma, de school van [minderjarige] en de gecertificeerde instelling. Hierdoor weet zij niet hoe het met [minderjarige] gaat en wat zij nodig heeft. Daarnaast is de moeder vaak niet bereikbaar voor de gecertificeerde instelling en treedt zij soms voor langere tijd uit contact, waardoor het geven van toestemming voor belangrijke beslissingen die voor [minderjarige] moeten worden genomen, langer duurt dan nodig is. Ook heeft de moeder in het verleden wel eens geen toestemming willen geven voor hulpverlening voor [minderjarige] omdat de moeder dat niet nodig vond. De Raad meent dat het in het belang van [minderjarige] is dat de gecertificeerde instelling met de voogdij wordt belast. Het is niet wenselijk dat de oma op dit moment voogd wordt omdat er geen contact is tussen de moeder en de oma. Er zal eerst gewerkt moeten worden aan hun onderlinge verstandhouding, voordat de voogdij aan de oma overgedragen kan worden. Daarvoor is het noodzakelijk dat de moeder met de gecertificeerde instelling in gesprek gaat en afspraken maakt.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder heeft aangevoerd dat het beëindigen van het ouderlijk gezag een ingrijpende maatregel is die slechts in uitzonderlijke gevallen mag worden toegepast. De Raad motiveert haar verzoek enkel met zorgen uit het verleden, namelijk zorgen uit 2018. De Raad heeft destijds onderzoek gedaan naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel en heeft toen geconcludeerd dat een gedwongen maatregel niet noodzakelijk was. Informatie over de huidige situatie van de moeder is door de Raad niet meegewogen. Inmiddels woont [minderjarige] al geruime tijd bij de oma. [minderjarige] is dertien jaar oud en heeft een duidelijke eigen mening over haar toekomst. [minderjarige] geeft zelf aan met wie zij contact wil en bij wie zij wil wonen. De moeder respecteert haar keuze daarin. De moeder maakt geen misbruik van haar gezag en vormt geen bedreiging voor de ontwikkeling van [minderjarige]. De moeder heeft altijd toestemming gegeven voor belangrijke beslissingen. Zij is bang dat zij volledig buitenspel komt te staan als haar gezag wordt beëindigd. De samenwerking tussen de moeder en de gecertificeerde instelling is niet goed. De gecertificeerde instelling houdt de moeder niet op de hoogte van belangrijke zaken en doet ook te weinig om het contact tussen de moeder en [minderjarige] te herstellen. Moeder wordt opzij gezet en lastig gevonden. Het is noodzakelijk dat er hulpverlening wordt ingezet om de communicatie tussen alle betrokkenen te verbeteren. De advocaat van de moeder meent dat het inzetten van mediation daarvoor het meest geschikt is. De moeder zelf weet nog niet hoe ze daartegenover staat. Zij vindt de gecertificeerde instelling niet professioneel. De moeder heeft er geen vertrouwen in dat de gecertificeerde instelling de belangen van [minderjarige] goed kan behartigen. Zij verzoekt daarom het verzoek van de Raad af te wijzen. Als het gezag van de moeder toch wordt beëindigd, dan ziet de moeder nog liever dat de voogdij naar de oma gaat. Ondanks het feit dat de moeder geen contact heeft met de oma, vindt de moeder het niet in het belang van [minderjarige] als een rechtspersoon met de voogdij wordt belast.
4.2.
Bij een op 8 mei 2025 ontvangen verweerschrift had de oma verweer gevoerd tegen het verzoek en bij wege van zelfstandig verzoek verzocht haar te belasten met de voogdij over [minderjarige]. Uit het bericht van mr. [naam 1] van 15 augustus 2025 volgt dat de oma het eerder ingediende verweerschrift met zelfstandig verzoek intrekt. De oma is niet op de mondelinge behandeling verschenen om haar standpunt nader toe te lichten.
4.3.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. [minderjarige] woont al jaren bij de oma en heeft het daar naar haar zin. De oma en [minderjarige] zijn voor de zomervakantie verhuisd. [minderjarige] gaat sinds september 2025 naar de middelbare school. De start op school was positief, maar uit recente berichten blijkt dat [minderjarige] inmiddels wat minder leuke ervaringen heeft gehad op school. De gecertificeerde instelling heeft de schoolmaatschappelijk werker betrokken. Er heeft een eerste gesprek plaatsgevonden, maar [minderjarige] heeft dit niet als positief ervaren. De pestervaringen die [minderjarige] steeds lijkt te ervaren en haar gebrek aan vertrouwen in anderen, kunnen voortkomen uit trauma. Het is belangrijk dat [minderjarige] de nare gebeurtenissen uit het verleden leert verwerken. Het traject Slapende Honden Wakker Maken is gestart, maar [minderjarige] heeft hier moeite mee en de gesprekken tussen haar en de behandelaar liggen momenteel dan ook stil. De hulpverlening is nu méér gericht op gesprekken met de oma. Het perspectief van [minderjarige] is al in 2024 bij de oma bepaald en er wordt sindsdien ook niet meer gewerkt aan een terugplaatsing bij de moeder. Op dit moment heeft de gecertificeerde instelling geen contact met de moeder omdat zij de jeugdbeschermers op haar telefoon heeft geblokkeerd. Hierdoor kan er geen toestemming aan de moeder worden gevraagd voor gezagsbeslissingen. Ook kan er niet ingezet worden op contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder en [minderjarige] en haar broertjes. De gecertificeerde instelling hoopt dat de moeder weer in contact treedt, zodat er afspraken gemaakt kunnen worden. Gelet op de verstoorde relatie tussen de moeder en de oma vindt de gecertificeerde instelling het niet wenselijk dat de oma met de voogdij over [minderjarige] wordt belast. Daarbij komt dat de oma het soms lastig vindt om aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige]. De oma gaat soms teveel mee in de beleving van [minderjarige], waardoor zij niet altijd de juiste keuzes maakt.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.2.
Het beëindigen van het ouderlijk gezag is een maatregel die ingrijpt in het gezinsleven van zowel de ouder van wie het gezag wordt beëindigd als de minderjarige waarover het gezag wordt uitgeoefend. Daarbij is van belang dat artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) onder meer eist dat de belangen van het kind en die van de ouder tegen elkaar worden afgewogen. Uit het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) volgt dat de belangen van het kind voorop staan bij het nemen van een beslissing tot het beëindigen van ouderlijk gezag. Op grond van artikel 8 EVRM geldt ten slotte dat, indien het doel van een gezagsbeëindiging met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van deze maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd (subsidiariteit en proportionaliteit).
5.3.
Bij beschikking van 26 juli 2019 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld omdat er zorgen waren over haar cognitieve en sociale-emotionele ontwikkeling als gevolg van bovenmatig schoolverzuim. De moeder toonde geen probleembesef, waardoor het haar niet lukte om in het belang van [minderjarige] te handelen en situaties vanuit een ander perspectief te bekijken. De ondertoezichtstelling is nadien telkens verlengd. Bij beschikking van 24 juni 2021 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen bij de oma. [minderjarige] verbleef op dat moment al enkele maanden – sinds februari 2021 – bij de oma omdat de moeder met stemmingswisselingen kampte en hulp vanuit haar netwerk afstootte. Hierdoor werd [minderjarige] belast met volwassenproblematiek. Daarbij was er nog steeds sprake van veelvuldig schoolverzuim van [minderjarige]. De machtiging uithuisplaatsing is nadien telkens verlengd.
5.4.
Inmiddels woont [minderjarige] al geruime tijd – op vrijwillige basis sinds februari 2021, officieel sinds juni 2021, en in ieder geval onafgebroken sinds september 2022 – bij de oma. [minderjarige] heeft het haar naar zin bij de oma en wil daar graag blijven wonen. Dat heeft zij ook in het kindgesprek naar voren gebracht. Er zijn geen zorgen over de opvoedsituatie bij de oma. De oma is in staat [minderjarige] stabiliteit, veiligheid en structuur te bieden. Wel lijkt er sprake van kind-eigen problematiek bij [minderjarige], mogelijk gerelateerd aan trauma. [minderjarige] heeft weinig basisvertrouwen in anderen en zij lijkt zich ook vaak afgewezen te voelen door anderen. Daarnaast lijkt zijn weinig aansluiting te hebben bij leeftijdsgenoten. Het traject Slapende Honden Wakker Maken van Jeugdformaat is ingezet om [minderjarige] hierbij te helpen, maar de behandelaar heeft nog weinig ingang kunnen vinden bij [minderjarige]. Het is positief dat [minderjarige] een veilige en stabiele basis heeft bij de oma, maar het is wel noodzakelijk dat er blijvende aandacht blijft voor haar (sociale) ontwikkeling en welzijn en passende hulpverlening wordt ingezet en doorgezet.
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat de moeder niet in staat is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. Uit de stukken volgt dat het de moeder de afgelopen jaren niet is gelukt om een veilige, betrouwbare en stabiele opvoeder voor [minderjarige] te zijn. De afgelopen jaren is het lastig gebleken om tot een samenwerking met de moeder te komen. De moeder toont geen probleeminzicht en legt de schuld van problemen veelal buiten zichzelf, waaronder bij [minderjarige]. Zo is er inmiddels al geruime tijd geen fysiek contact tussen de moeder en [minderjarige] en ziet [minderjarige] daarom ook haar broertjes, die bij de moeder wonen, niet. Volgens de moeder is het [minderjarige] die stappen moet zetten om het contact met de moeder en haar broertjes weer op te starten. Daarmee legt de moeder te veel verantwoordelijkheid bij [minderjarige]. De moeder lijkt niet te beseffen dat dit voor [minderjarige] kan voelen als een afwijzing, omdat [minderjarige] wel duidelijk behoefte heeft aan contact met de moeder en haar broertjes. De rechtbank vindt het – net als de Raad en de gecertificeerde instelling – heel zorgelijk dat [minderjarige] de schuld krijgt van bepaalde problemen en nare gebeurtenissen uit het verleden. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit een negatief effect heeft op het zelfbeeld en de ontwikkeling van [minderjarige]. Het is daarom noodzakelijk dat [minderjarige] de juiste begeleiding en ondersteuning krijgt, zodat zij haar gevoelens en emoties een plek weet te geven. De rechtbank hoopt dat de moeder gaat inzien dat zij de samenwerking met de gecertificeerde instelling moet opzoeken, zodat er afspraken gemaakt kunnen worden. Op dit moment is dat niet mogelijk omdat de moeder uit contact is getreden met de jeugdbeschermers en hen op haar telefoon heeft geblokkeerd. Hierdoor kan er niet ingezet worden op het verbeteren van de relatie van de moeder en [minderjarige] en kan de gecertificeerde instelling ook geen toestemming vragen aan de moeder voor gezagsbeslissingen. De rechtbank heeft er daarom ook geen vertrouwen in dat de moeder de juiste beslissingen kan nemen in het belang van [minderjarige]. De moeder heeft de afgelopen periode nauwelijks betrokkenheid bij of belangstelling voor het leven van [minderjarige] getoond en weet dan ook niet hoe het met [minderjarige] gaat en wat zij nodig heeft.
5.6.
Aangezien het duidelijk is dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder ligt, de moeder ieder contact met de gecertificeerde instelling heeft verbroken en zij amper contact heeft met [minderjarige], vindt de rechtbank de maatregelen van een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing niet langer passend voor de huidige situatie. Uit het systeem van de wet volgt immers dat een verlenging van de maatregelen tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet geëigend is als thuisplaatsing niet meer aan de orde is. Dat verhoudt zich namelijk niet tot de tijdelijkheid van de maatregelen, die er in beginsel op zijn gericht de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer bij de ouder met gezag te leggen. De rechtbank is er verder niet van overtuigd dat de hulpverlening en het verblijf van [minderjarige] bij de oma in vrijwillig kader voortgezet kunnen worden omdat de moeder geen zicht heeft op wat er nodig is voor [minderjarige] en de verstandhouding tussen de moeder en de oma ook verstoord is. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a BW is voldaan en dat beëindiging van het gezag van de moeder een gerechtvaardigde en proportionele inmenging vormt in het gezinsleven, zoals bedoeld in artikel 8 EVRM.
5.7.
De rechtbank zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder dan ook toewijzen. Deze beslissing neemt niet weg dat de moeder altijd de ouder van [minderjarige] blijft en dat hun ouder-kind band ook in de toekomst behouden moet blijven. De rechtbank hoopt dat de moeder weer in samenwerking treedt met de gecertificeerde instelling, zodat er stappen gezet kunnen worden richting contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder en [minderjarige] en haar broertjes. De moeder moet zich actief inzetten voor een doorbraak op dit vlak.
5.8.
Aangezien de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, moet de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over haar benoemen. De Raad en de gecertificeerde instelling stellen zich op het standpunt dat de voogdij bij de gecertificeerde instelling belegd moet worden. De moeder vindt – als het tot een gezagsbeëindiging komt – dat de oma belast moet worden met de voogdij over [minderjarige]. De rechtbank vindt het op dit moment in het belang van [minderjarige] dat de voogdij bij de gecertificeerde instelling wordt belegd. De gecertificeerde instelling kan als neutrale instantie beslissingen nemen in het belang van [minderjarige]. Op die manier kan de oma zich blijven richten op de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. De rechtbank heeft hierbij ook meegewogen dat de oma momenteel niet bereid is om de voogdij op zich te nemen. Dat leidt de rechtbank af uit het bericht van de voormalig advocaat van de oma van 15 augustus 2025. Verder heeft de rechtbank meegewogen dat de moeder tijdens de zitting naar voren heeft gebracht dat de oma het contact tussen de moeder en [minderjarige] in de weg staat en dat de oma [minderjarige], negatief, zo begrijpt de rechtbank, beïnvloedt. De rechtbank vraagt zich daarom af of de moeder de oma wel echt als voogd van [minderjarige] wil zien. Daarbij komt nog dat de oma en de moeder – zo heeft de moeder zelf ook op de zitting verklaard – geen contact met elkaar hebben.
5.9.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]
5.10.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van:
-
[de moeder], geboren op [geboortedatum 3] 1994 op [geboorteplaats 2],
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2012 in
[geboorteplaats 1];
6.2.
benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige:
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.G. de Boer, mr. J.E. Bierling en mr. M.F. Baaij, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025, in aanwezigheid van
mr. J.M. Dreef als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.