Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:24573

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
25_5016
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:42 AwbArt. 6 BekendmakingswetArt. 2 BekendmakingswetArt. 8 BekendmakingswetArt. 217 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onjuiste bekendmaking regeling

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat haar voertuig zonder geldige vergunning en zonder betaling van parkeerbelasting was geparkeerd. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.

De kern van het geschil betrof de vraag of de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022, inclusief de bijbehorende Bijlage 1 met details over parkeerplaatsen en tijden, op de juiste wijze was bekendgemaakt. De rechtbank oordeelde dat de Regeling en Bijlage 1 samen integraal gepubliceerd moeten worden in het gemeenteblad om rechtsgeldigheid te hebben.

Hoewel de bijlage niet letterlijk in het gemeenteblad was opgenomen, was deze wel via een hyperlink op dezelfde officiële website raadpleegbaar. De rechtbank vond deze wijze van bekendmaking voldoende toegankelijk en kenbaar, waardoor de Regeling en bijlage als integraal bekend kunnen worden beschouwd.

Desondanks volgde de rechtbank het oordeel van het Hof Den Haag dat de bekendmaking niet aan de vereisten voldeed en vernietigde de naheffingsaanslag. De rechtbank zag af van het behandelen van de overige grieven en veroordeelde de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens niet-naleving van de bekendmakingsvoorschriften.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/5016

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de heffingsambtenaar.

Procesverloop

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting met dagtekening 31 maart 2025 (aanslagnummer: 2580072628) opgelegd ten bedrage van € 81,50, bestaande uit € 2,70 aan parkeerbelasting en € 78,80 aan kosten van de naheffingsaanslag (de naheffingsaanslag).
Bij uitspraak op bezwaar van 24 juni 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2025.
Belanghebbende is verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door mrs. [naam 1] en [naam 2] .
Ter zitting zijn tevens de zaken van belanghebbende met zaaknummers SGR 25/5013, SGR 25/5014 en SGR 25/5015 behandeld. In die zaken doet de rechtbank separaat uitspraak.

Overwegingen

Feiten
1. Op 24 maart 2025 om 22:32 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd aan de [straatnaam] te Den Haag ter hoogte van nummer 50. De locatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (de gemeente) aangewezen als een plaats waar mag worden geparkeerd met een geldige parkeervergunning of tegen betaling van parkeerbelasting.
2. Tijdens een controle op bovengenoemde datum en tijdstip is geconstateerd dat de auto stond geparkeerd zonder een geldige vergunning en dat ook anderszins geen parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding daarvan is aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd.
3. De raad van de gemeente heeft in zijn openbare vergadering van 4 november 2021 de Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022 (de Verordening) vastgesteld. De Verordening is op 23 december 2021 officieel bekendgemaakt door publicatie van de authentieke akte in het elektronisch Gemeenteblad 2021, nummer 470965. De Verordening is in werking getreden op 1 januari 2022. De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij de Verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. De verordening en de tarieventabel zijn te vinden op de site ‘https://www.officielebekendmakingen.nl/’.
4. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente heeft bij besluit van 21 december 2021 de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 vastgesteld (de Regeling). De Regeling is op 23 december 2021 officieel bekendgemaakt door publicatie in het elektronisch Gemeenteblad 2021, nummer 471695. De Regeling is in werking getreden op 1 januari 2022.
5. In de Verordening is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
Artikel 5:8 Bevoegdheid Pro tot aanwijzing parkeerplaatsen
De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 5:1, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college bij openbaar te maken besluit.”
6. In de Regeling is dienaangaande, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Hoofdstuk 2 Parkeergebieden en parkeerregelingen
Paragraaf 2.1 Aanwijzing parkeergebieden
Artikel 2.1.1 Plaatsen en tijden betaald parkeren en de toepassing van de wielklem
De bij dit besluit behorende bijlage 1 ‘Plaatsen en tijden betaald parkeren en de toepassing van de wielklem’ vermeldt:
a. de plaatsen waar en de tijden waarop tegen betaling van de parkeerbelastingen als bedoeld in artikel 5:1 van Pro de verordening mag worden geparkeerd;
b. de plaatsen waar de wielklem wordt toegepast; en
c. de plaatsen waar mag worden geparkeerd met een vergunning als bedoeld in artikel 2:1 van Pro de verordening.”
7. De in artikel 2.1.1 bedoelde, bij de Regeling behorende bijlage 1 (Bijlage 1) is niet opgenomen in, dan wel vermeld onderaan, de Regeling. Bijlage 1 is een losse bijlage. Bij het raadplegen van de Regeling op de site ‘https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2021-471695.html’ is de schermweergave als volgt:
8. Na het aanklikken van ‘exb-2021-75079’ verschijnt Bijlage 1. Bijlage 1 omvat 67 pagina’s en betreft een overzicht in tabelvorm per straat, straatdeel (indien van toepassing), tijden waarop sprake is van betaald parkeren, de maximale parkeertijd (indien van toepassing) en de gebiedscode parkeervergunning.
9. Na het aanklikken van ‘Aanhef’ en ‘Lichaam’ verschijnt de kop Toelichting en de verdere tekst van de Regeling. Na het aanklikken van ‘Ondertekening’ verschijnt het volgende: ‘Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2022.’ en de verdere tekst van de Regeling. Na het aanklikken van ‘Informatie over publicatie’ wordt informatie over de publicatie van de Regeling weergegeven, waaronder een tabel met voor zover van belang:
Publicatiegegevens
Waarde
Beleidsonderwerp
Verkeer | Organisatie en beleid
Bijlage
RIS311076 Bijlage|exb-2021-75079
Citeertitel
Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022
Geschil10. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. De rechtbank beoordeelt daarbij ambtshalve of de naheffingsaanslag moet worden vernietigd vanwege het niet voldoen aan de voorschriften ter zake van de bekendmaking van de plaatsen en tijdstippen waarop het betaald parkeren geldt binnen de gemeente. Indien niet aan de publicatievoorschriften is voldaan, heeft dit namelijk tot gevolg dat de bekendmaking niet heeft plaatsgevonden en dat zich geen belastbaar feit heeft voorgedaan. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het feit dat haar voertuig niet op de juiste wijze aan de vergunning is gekoppeld geen reden is om onmiddellijk een naheffingsaanslag op te leggen. De heffingsambtenaar had volgens haar eerst contact met haar moeten opnemen.
Beoordeling van het geschil
11. De bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften vindt plaats door plaatsing daarvan in een officieel publicatieblad. Uit de Memorie van Toelichting die is ingediend in het kader van de parlementaire behandeling van de Wijziging van de Bekendmakingswet en andere wetten in verband met de elektronische publicatie van algemene bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen, leidt de rechtbank af dat een van de uitgangspunten van deze wet is dat ook besluiten die niet gericht zijn tot een of meer belanghebbenden integraal in een officieel publicatieblad bekend worden gemaakt. [1]
12. Uit artikel 2, tweede lid, van de Bekendmakingswet, in samenhang met artikel 6 van Pro de Bekendmakingswet, volgt dat het college van burgemeester en wethouders algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels en andere besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht bekendmaakt door deze te plaatsen in het gemeenteblad. Op grond van onder meer artikel 8 van Pro de Bekendmakingswet treedt dergelijke regelgeving niet in werking voordat deze op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
13. Artikel 2, achtste lid, van de Bekendmakingswet schrijft voor dat de uitgifte van het gemeenteblad elektronisch geschiedt op een algemeen toegankelijke wijze door middel van een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in stand gehouden digitale infrastructuur. Hiermee wordt de digitale infrastructuur bedoeld die ervoor zorgt dat de informatie daadwerkelijk via internet beschikbaar komt en blijft, waaronder een website waarmee de informatie wordt ontsloten. [2] Door deze standaardisatie is het voor burgers mogelijk om op één website (officielebekendmakingen.nl) alle algemene bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen van de overheid te raadplegen, hetgeen de toegankelijkheid en kenbaarheid ervan ten goede komt. [3]
14. Aan het Gerechtshof Den Haag [4] (het Hof) is in een soortgelijke kwestie de vraag voorgelegd of is voldaan aan de bekendmakingsvoorschriften. Het Hof komt tot het oordeel dat daaraan niet is voldaan. Voor zover van belang luidt het oordeel van het Hof:
5.5
Aangezien de Regeling niet is gericht tot een of meer belanghebbenden moet de bekendmaking daarvan op grond van artikel 3:42 Awb Pro en artikel 6 van Pro de Bekendmakingswet, in onderlinge samenhang bezien, geschieden door integrale plaatsing daarvan in het gemeenteblad. Bijlage 1 vermeldt per straat waar betaald parkeren geldt op welke tijdstippen parkeerbelasting verschuldigd is, of er een maximale parkeerduur geldt en welke vergunningen geldig zijn. Deze informatie maakt onlosmakelijk deel uit van de Regeling. De Regeling vormt op haar beurt een onlosmakelijk onderdeel van de Verordening, nu het college van B en W hierin op grond van de bevoegdheid die aan hem is gedelegeerd in artikel 5.8 van de Verordening onder meer bepaalt op welke plaatsen en tijdstippen de parkeerbelasting verschuldigd is. De Regeling en de daarvan deel uitmakende bijlage 1 bevatten bepalingen waaruit de belastingschuldige de omvang van zijn belastingschuld kan afleiden en vormen aldus een essentieel onderdeel dat in de Verordening moet worden vermeld, gelet op artikel 217 van Pro de Gemeentewet. De Regeling moet als zodanig op grond van artikel 6 van Pro de Bekendmakingswet worden bekendgemaakt door integrale plaatsing in het gemeenteblad. Aan deze eis is echter niet voldaan, nu de Regeling niet integraal, dat wil zeggen tezamen met bijlage 1, in het gemeenteblad is gepubliceerd.
5.6
De conclusie uit het voorgaande is dat de Regeling, anders dan de Verordening, niet integraal is gepubliceerd in het elektronische gemeenteblad, aangezien de daarbij behorende bijlage 1 niet in het gemeenteblad is geplaatst, maar elders op het internet. Anders dan de Heffingsambtenaar betoogt, doet hieraan niet af dat bijlage 1 is geplaatst op een website met in het adres de vermelding “officiele-overheidspublicaties.nl” en aldaar vindbaar is als externe bijlage bij de Regeling.
15. De rechtbank leest, overeenkomstig het Hof, dat het uitgangspunt is dat zowel algemeen verbindende voorschriften als andere besluiten die niet gericht zijn tot een of meer belanghebbenden integraal in een officieel publicatieblad bekend moeten worden gemaakt. Uit de uitspraak van het Hof leidt de rechtbank af dat integraal bekendmaken door het Hof wordt uitgelegd als ‘onlosmakelijk’ en meer concreet dat de tekst van Bijlage 1 in zijn geheel opgenomen had moeten worden in, dan wel onder, de tekst van de Regeling. Een andere uitleg van het begrip integraal kan evenwel zijn dat een bijlage behorende bij dergelijke regelgeving wel volledig en met de desbetreffende regelgeving wordt gepubliceerd, maar daar niet geheel in hoeft te worden opgenomen. Deze laatste uitleg komt de rechtbank (eveneens) als reëel en doelmatig voor gelet op de wetsgeschiedenis bij artikel 2, achtste lid, van de Bekendmakingswet (zie onder 13). Hieruit volgt namelijk dat de wetgever met name de toegankelijkheid en kenbaarheid van algemene besluiten bij burgers van belang acht. In het licht van het voorgaande onderzoekt de rechtbank of in onderhavige situatie ook bij deze uitleg geconcludeerd moet worden dat geen sprake is van bekendmaking op de voorgeschreven wijze.
16. De rechtbank constateert allereerst dat de Regeling en de hyperlink naar Bijlage 1 beide - bij elkaar - op één en dezelfde website (officielebekendmakingen.nl) staan vermeld. Bijlage 1 is immers direct raadpleegbaar via de hyperlink op de website: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2021-471695.html. Gelet op de opmaak van deze webpagina en de daarop zichtbare linker kolom met de kopjes ‘Inhoudsopgave’, ‘Extra informatie’, ‘Gerelateerd’ en ‘Geconsolideerde regelgeving’ en de zich daaronder bevindende hyperlinks waarop geklikt kan worden, moet het voor een belastingplichtige voldoende kenbaar zijn dat met (externe bijlage) ‘exb-2021-75079’ Bijlage 1 wordt bedoeld als genoemd in (onder meer) artikel 2.1.1 van de Regeling. Doordat de link alleen door een belastingplichtige hoeft te worden aangeklikt is Bijlage 1 ook voldoende toegankelijk. Ook merkt de rechtbank op dat als ‘Informatie over publicatie’ onder ‘Extra informatie’ wordt aangeklikt onder meer vermeld wordt dat ‘RIS311076 Bijlage|exb-2021-75079’ de bijlage bij de Regeling is. Het plaatsen van de integrale tekst in, dan wel onder, de Regeling brengt ten aanzien van deze wijze van bekendmaken geen toegevoegde waarde met zich. Dit alles in samenhang bezien maakt dat er geen twijfel kan bestaan over het feit dat Bijlage 1 behoort bij de Regeling en dat zij tezamen zijn gepubliceerd in het elektronische gemeenteblad. De rechtbank overweegt daarmee dat, met eerder bedoelde uitleg van integrale bekendmaking en in de gegeven omstandigheden, de Regeling en Bijlage 1 ook op de voorgeschreven wijze bekend konden worden gemaakt en daarmee op 1 januari 2022 in werking kunnen zijn getreden. Overigens merkt de rechtbank op dat sinds de gemeente de Regeling heeft gepubliceerd tot aan voornoemde hofuitspraak in de praktijk noch bij belastingplichtigen, noch bij (veel procederende) gemachtigden, enige onduidelijkheid heeft bestaan over (de publicatie van) Bijlage 1.
17. De rechtbank is ermee bekend dat tegen de uitspraak van het Hof cassatie is ingesteld door de gemeente. In dat kader acht de rechtbank het niet opportuun om aan de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen over de uitleg die moet worden toegekend aan integrale bekendmaking. Aangezien het niet in het belang van belanghebbende is om de onderhavige zaak aan te houden totdat uitspraak is gedaan door de Hoge Raad in die procedure of anders te oordelen dan het Hof reeds heeft gedaan, zal de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof de naheffingsaanslag vernietigen. Gelet daarop komt de rechtbank niet meer toe aan de behandeling van de grieven van belanghebbende.
18. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond.
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Gelet op het feit dat het beroep gegrond is verklaard en in de zaken van belanghebbende met zaaknummers SGR 25/5013, SGR 25/5014, SGR 25/5015 en onderhavige zaak slechts éénmaal griffierecht is geheven, dient de heffingsambtenaar het griffierecht, dat in de zaak met zaaknummer SGR 25/5013 is geheven, te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer 2580072628.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Drok, voorzitter, en mr. J.J. Arts en mr. A. van Welie, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via
www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

4.Gerechtshof Den Haag 19 november 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2416.