ECLI:NL:GHDHA:2025:2416

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
BK-24/960
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelastingen gemeente Den Haag wegens niet voldoen aan bekendmakingsvoorschriften

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 19 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag. De belanghebbende, die een naheffingsaanslag van € 75,40 had ontvangen, stelde dat de aanslag vernietigd moest worden omdat de bijlage met de parkeerregelingen niet op de juiste wijze was bekendgemaakt. De rechtbank had eerder het beroep van de belanghebbende ongegrond verklaard, maar het Hof oordeelde dat de bijlage, die onlosmakelijk deel uitmaakt van de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen, niet in het gemeenteblad was gepubliceerd. Dit was in strijd met de wettelijke bekendmakingsvoorschriften. Het Hof concludeerde dat de naheffingsaanslag niet in werking was getreden, omdat er geen belastbaar feit was ontstaan. De uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar werden vernietigd, en de Heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan de belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/960

Uitspraak van 19 november 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: I.N.D.J. Rissema)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 september 2024, nummer SGR 23/5255.

Procesverloop

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag opgelegd ten bedrage van € 75,40, bestaande uit € 2,50 aan parkeerbelasting en € 72,90 aan kosten van de naheffingsaanslag (de naheffingsaanslag).
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 138. Met dagtekening 6 november 2024 heeft belanghebbende de gronden van het hoger beroep aangevuld. Op 27 januari 2025 heeft de Heffingsambtenaar een verweerschrift ingediend. Op 29 augustus 2025 en 17 september 2025 heeft belanghebbende een nader stuk ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 9 oktober 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Op 22 maart 2023 om 09:53 uur stond de auto van belanghebbende met kenteken [kenteken] (de auto) geparkeerd ter hoogte van de [straat] te [woonplaats] . Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag aangewezen als een plaats waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting of met een geldige parkeervergunning mag worden geparkeerd. Tijdens een controle op het genoemde tijdstip is door de parkeercontroleur geconstateerd dat de auto zonder geldige parkeervergunning geparkeerd stond en dat ook geen parkeerbelasting was voldaan. Naar aanleiding daarvan heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd.
2.2.
De raad van de gemeente Den Haag heeft in zijn openbare vergadering van 4 november 2021 de Verordening parkeerregulering en parkeerbelasting Den Haag 2022 (de Verordening) vastgesteld. De officiële bekendmaking van de Verordening is op 23 december 2021 geschied door publicatie van de authentieke akte in het elektronisch Gemeenteblad 2021, nummer 470965. De Verordening is in werking getreden op 1 januari 2022. De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij de Verordening onlosmakelijk behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. De verordening en de tarieventabel zijn te vinden op de site “https://www.officielebekendmakingen.nl/”.
2.3.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (het college van B en W) heeft bij besluit van 21 december 2021 de Regeling parkeerregulering en parkeerbelastingen Den Haag 2022 vastgesteld (de Regeling). De officiële bekendmaking van de Regeling is op 23 december 2021 geschied door publicatie van de authentieke akte in het elektronisch Gemeenteblad 2021, nummer 471695. De Regeling is in werking getreden op 1 januari 2022.
2.4.
In de Verordening is, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende opgenomen:

“Artikel 5:8 Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen

De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 5:1, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college bij openbaar te maken besluit.”
2.5.
In de Regeling is dienaangaande, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende opgenomen:

“Hoofdstuk 2 Parkeergebieden en parkeerregelingen

Paragraaf 2.1 Aanwijzing parkeergebieden

Artikel 2.1.1 Plaatsen en tijden betaald parkeren en de toepassing van de wielklem
De bij dit besluit behorende bijlage 1 ‘Plaatsen en tijden betaald parkeren en de toepassing van de wielklem’ vermeldt:
a. de plaatsen waar en de tijden waarop tegen betaling van de parkeerbelastingen als bedoeld in artikel 5:1 van de verordening mag worden geparkeerd;
b. de plaatsen waar de wielklem wordt toegepast; en
c. de plaatsen waar mag worden geparkeerd met een vergunning als bedoeld in artikel 2:1 van de verordening.”
2.6.
De in artikel 2.1.1 bedoelde, bij de Regeling behorende bijlage 1 (bijlage 1) is niet opgenomen als deel uitmakend van de Regeling. Bijlage 1 is gepubliceerd als externe bijlage en is opgenomen als onderdeel van “https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/”. Bij het raadplegen van de authentieke akte van de Regeling op de site “https://www.officielebekendmakingen.nl/” staat aan de linkerzijde vermeld:
“Gerelateerd
> Externe bijlagen
exb-2021-75079
RIS311076 Bijlage”
Na het aanklikken van “exb-2021-75079” verschijnt bijlage 1.
2.7.
Bijlage 1 omvat 67 bladzijden en betreft een overzicht in tabelvorm per straat, straatdeel (indien van toepassing), tijden waarop sprake is van betaald parkeren, de maximale parkeertijd (indien van toepassing) en de gebiedscode parkeervergunning.

Relevante wettelijke bepalingen

3.1.
In de Bekendmakingswet zijn de volgende bepalingen opgenomen:
“Artikel 2
1. (…)
2. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente geeft een gemeenteblad uit.
3. (…)
4. (…)
5. (…)
6. (…)
7. Een bestuursorgaan dat behoort tot een van de in het eerste tot en met vijfde lid genoemde openbare lichamen dan wel tot een bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in het vijfde lid, dan wel een gemeenschappelijk orgaan als bedoeld in het vijfde lid, maakt slechts gebruik van het publicatieblad van het openbaar lichaam waartoe het behoort, tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald.
8. De uitgifte van de in het eerste, tweede, derde en vijfde lid genoemde publicatiebladen geschiedt elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze door middel van een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in stand gehouden digitale infrastructuur.
9. (…)”
“Artikel 6
Algemeen verbindende voorschriften, beleidsregels en andere besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, vastgesteld door een bestuursorgaan dat behoort tot een van de in artikel 2, eerste tot en met vierde lid, genoemde openbare lichamen, of de in artikel 2, vijfde lid, genoemde openbare lichamen, bedrijfsvoeringsorganisaties en gemeenschappelijke organen, worden bekendgemaakt door plaatsing in het door dat openbaar lichaam, die bedrijfsvoeringsorganisatie of dat gemeenschappelijke orgaan uitgegeven publicatieblad.”
“Artikel 7
1. Een wet, een algemene maatregel van bestuur of een ander in artikel 4, 5 of 6, genoemd besluit bestaat uit een tekst en kan tevens informatie bevatten die niet uit tekst bestaat.
2. In afwijking van artikel 4, artikel 5 of artikel 6, kan een wet, een algemene maatregel van bestuur of een ander in die artikelen genoemd besluit na voorafgaande instemming van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bepalen dat een bij die wet, die algemene maatregel van bestuur of dat besluit behorende bijlage wegens aard of omvang wordt bekendgemaakt door middel van een in die wet, die algemene maatregel van bestuur of dat besluit aangewezen ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het in die artikelen bedoelde publicatieblad.
3. In geval van een wijziging van informatie als bedoeld in het eerste lid of van een bijlage als bedoeld in het tweede lid wordt die informatie of die bijlage opnieuw vastgesteld.”
“Artikel 8
Een algemeen verbindend voorschrift treedt niet in werking voordat het op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.”
“Artikel 12
1. Een bestuursorgaan dat behoort tot een van de in artikel 2, eerste, tweede, derde en vijfde lid, genoemde openbare lichamen, bedrijfsvoeringsorganisaties of gemeenschappelijke organen, doet in het door dat openbaar lichaam, die bedrijfsvoeringsorganisatie of dat gemeenschappelijke orgaan uitgegeven publicatieblad in ieder geval zijn wettelijk voorgeschreven mededelingen in de vorm van een volledige publicatie en kennisgevingen in de vorm van een zakelijke weergave van de inhoud, met vermelding van de wijze waarop en de periode waarin de stukken waar de kennisgeving betrekking op heeft voor eenieder ter inzage liggen.
2. (…)”
3.2.
In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn de volgende bepalingen opgenomen:
“Artikel 3:40
Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt.”
“Artikel 3:42
De bekendmaking van besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt op de in de artikelen 5 onderscheidenlijk 6 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze.”
3.3.
In de Gemeentewet is de volgende bepaling opgenomen:
“Artikel 217
Een belastingverordening vermeldt, in de daartoe leidende gevallen, de belastingplichtige, het voorwerp van de belasting, het belastbare feit, de heffingsmaatstaf, het tarief, het tijdstip van ingang van de heffing, het tijdstip van beëindiging van de heffing en hetgeen overigens voor de heffing en de invordering van belang is.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In hoger beroep is onder meer in geschil of zich een belastbaar feit heeft voorgedaan. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de naheffingsaanslag moet worden vernietigd wegens het niet voldoen aan de voorschriften ter zake van de bekendmaking van de plaatsen en tijdstippen waarop betaald parkeren geldt, omdat bijlage 1 niet is gepubliceerd in het gemeenteblad. Belanghebbende beantwoordt voornoemde vraag bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van proceskosten en griffierechten en tot vergoeding van wettelijke rente over deze bedragen, indien deze niet binnen vier weken na openbaarmaking van de uitspraak zijn betaald.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
Uit de Memorie van Toelichting die is ingediend in het kader van de parlementaire behandeling van de Wijziging van de Bekendmakingswet en andere wetten in verband met de elektronische publicatie van algemene bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen (Wet elektronische publicaties) [1] blijkt uit onderdelen 4 en 4.3 dat een van de uitgangspunten van het wetsvoorstel is dat “Besluiten die niet gericht zijn tot een of meer belanghebbenden (…) integraal in een officieel publicatieblad bekend [worden,
Hof] gemaakt”.
5.2.
In de Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel is dit uitgangspunt, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt toegelicht:
“Het wetsvoorstel heeft tot doel de toegankelijkheid van (voorgenomen) overheidsbesluiten te vergroten door de gesignaleerde problemen op te lossen. Daartoe wordt voorgesteld dat alle wettelijk voorgeschreven bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen van (voorgenomen) besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, worden gedaan in de officiële elektronische publicatiebladen van de openbare lichamen waartoe de bestuursorganen behoren. Daarbij dienen deze publicatiebladen op gestandaardiseerde wijze te worden gepubliceerd op www.officielebekendmakingen.nl. Door deze standaardisatie wordt het voor burgers mogelijk om op één website alle algemene bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen van de overheid te raadplegen.” (p. 2)
“Als de informatie volgens een vaste standaard wordt gepubliceerd kan deze eenvoudig worden doorzocht en geselecteerd, of op maat worden aangeboden.” (p. 10)
“Met dit wetsvoorstel wordt de hierboven geschetste ontwikkeling om algemene bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen te publiceren in de officiële elektronische publicatiebladen geformaliseerd en gestructureerd. Daarbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
– Bekendmakingen van besluiten van algemene strekking en andere niet tot een of meer belanghebbenden gerichte besluiten vinden plaats door integrale publicatie van het besluit en eventuele toelichting in een officieel elektronisch publicatieblad. Andere wettelijk voorgeschreven openbare kennisgevingen van (ontwerp)besluiten worden eveneens gedaan in een officieel elektronisch publicatieblad, waarbij kan worden volstaan met een zakelijke weergave van de inhoud waarbij er ook een elektronische toegang is tot de stukken die ter inzage worden gelegd.
– (…)
– Burgers kunnen de voor hen relevante publicaties eenvoudig opzoeken en kunnen op maat worden geattendeerd op het verschijnen van nieuwe publicaties.” (p. 12)
“4.3 Besluiten die niet gericht zijn tot een of meer belanghebbenden worden integraal in een officieel publicatieblad bekendgemaakt
De Wet elektronische bekendmaking zette in 2009 een belangrijke stap in de richting van elektronische bekendmaking door voor te schrijven dat de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften moet plaatsvinden door integrale plaatsing daarvan in een officieel elektronisch publicatieblad.
(…)
Het is inmiddels wel steeds meer gebruikelijk geworden om ook de andere besluiten die niet gericht zijn tot een of meer belanghebbenden integraal te publiceren in een officieel publicatieblad. Bij gebrek aan een verplichting ter zake blijven er echter uitzonderingen op de regel bestaan en heeft de burger niet de garantie dat hij al deze besluiten integraal in de officiële publicaties kan vinden.
(…)
Daarom wordt met artikel 2.1, onderdeel G, een wijziging van artikel 3:42 Awb voorgesteld. Deze wijziging houdt in dat de bekendmaking van besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt op een in de Bekendmakingswet bepaalde wijze. In de Bekendmakingswet wordt vervolgens bepaald dat niet alleen algemeen verbindende voorschriften, maar ook andere besluiten die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht in een officieel elektronisch publicatieblad worden bekendgemaakt. Uitzonderingen hierop (bijvoorbeeld bij bijlagen) zijn dan de uitzonderingen die de Bekendmakingswet mogelijk maakt.” (p. 15)

4.5 Ook andere openbare mededelingen en kennisgevingen van (voorgenomen) besluiten worden in een officieel publicatieblad gedaan
Naast de hier genoemde algemene regels inzake de openbare kennisgeving van (ontwerp)besluiten bestaan er veel bijzondere wettelijke bepalingen die een bestuursorgaan tot een openbare mededeling of kennisgeving met betrekking tot besluiten verplichten. Voorgesteld wordt om in beginsel al deze bepalingen zodanig aan te passen dat de betreffende mededelingen en kennisgevingen in een in de Bekendmakingwet genoemd publicatieblad moeten worden gedaan. Uitgangspunt is dat integrale publicaties worden aangeduid met de term «mededeling» en een zakelijke weergave met een terinzagelegging wordt aangeduid als een «kennisgeving». Daarbij wordt een (met toepassing van artikel 3:41 Awb bekendgemaakt) besluit altijd medegedeeld, dat wil zeggen: integraal gepubliceerd.” (p. 17)
“4.11 Gevolgen voor burgers
Er worden verschillende maatregelen genomen om het bereik van de elektronische bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen zo groot mogelijk te maken.
(…)
De informatieverstrekking moet worden afgestemd op de diversiteit aan burgers die belanghebbende zijn.
(…)
Wat verandert er voor de burgers? Zij kunnen in de toekomst alle algemene bekendmakingen, mededelingen en kennisgevingen van (voorgenomen) besluiten vinden op dezelfde plaats waar nu al algemeen verbindende voorschriften worden gepubliceerd.
(…)
De vindbaarheid en de toegankelijkheid van de publicaties neemt daarmee ten opzichte van papieren publicaties aanzienlijk toe (…).” (p. 26)
“In de nieuwe situatie is het streven dat zoveel mogelijk onderdelen van een algemeen verbindend voorschrift in het publicatieblad worden bekendgemaakt. Daartoe wordt in het eerste lid van het nieuwe artikel 7 bepaald dat een wet, amvb of ander algemeen verbindend voorschrift naast uit een tekst ook uit andere informatie kan bestaan. Voorbeelden zijn bepaalde afbeeldingen, (digitale) maquettes en film- of geluidsbestanden die door hun aard niet in de voor de publicatiebladen geldende standaarden passen of bestanden die door hun omvang slechts tegen hoge kosten en inspanning in die standaard te brengen zijn (…)
(…)
De mogelijkheid is geclausuleerd: een bijlage is alleen toegestaan als de publicatie in het publicatieblad wegens de aard of omvang van de bijlage niet mogelijk is. Deze uitzondering moet terughoudend worden toegepast.
(…)
Niet toegestaan is derhalve de wel voorkomende praktijk van bekendmaking in het publicatieblad van een besluit dat luidt dat de gemeenteraad de in de bijlage bij dat besluit opgenomen verordening heeft vastgesteld onder vermelding van de plaats van terinzagelegging van die bijlage. Een op die manier gepubliceerde verordening zal op grond van het nieuwe artikel 8 van de Bekendmakingswet niet in werking zijn getreden.” (p. 41)
“(…) publicatie in het publicatieblad is nodig voor de vindbaarheid, zodat men bij het zoeken niet bedacht hoeft te zijn op een bekendmaking buiten het publicatieblad.” (p. 48)
5.3.
In de tweede nota van wijzing bij dit wetsvoorstel [2] is in de toelichting onder meer het volgende vermeld:
“Artikel 7, tweede lid, Bekendmakingswet
In het voorgestelde artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet wordt de mogelijkheid geboden om een deel van een wet, een algemene maatregel van bestuur of een ander besluit van algemene strekking bekend te maken op een andere elektronische wijze dan het voor die wet of dat besluit aangewezen publicatieblad. Deze mogelijkheid is noodzakelijk, in geval die bijlage te omvangrijk is of omdat het type bestand waaruit de bijlage bestaat niet in het publicatieblad kan worden verwerkt. Van deze mogelijkheid dient terughoudend gebruik te worden gemaakt.” (p. 5)
“Om te zorgen dat bestuursorganen niet te snel gebruik maken van artikel 7, tweede lid, van de Bekendmakingswet (…) wordt aan die bepaling toegevoegd dat voorafgaand aan de besluitvorming de instemming van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als degene die de voor de publicaties noodzakelijker infrastructuur ter beschikking heeft gesteld. Deze instemming zal in de praktijk namens de Minister worden gegeven door het Kennis- en exploitatiecentrum Officiële Overheidspublicaties (KOOP) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die daarbij zal bezien of bekendmaking buiten het publicatieblad noodzakelijk is dan wel of er alternatieven binnen het publicatieblad mogelijk zijn. Omdat de uitzondering in de bekend te maken publicatie moet worden opgenomen, zal die instemming voorafgaand aan de vaststelling moeten worden verkregen.” (p. 6)
5.4.
De informatie in bijlage 1 is niet als onlosmakelijk behorende bij en deel uitmakende van de Regeling gepubliceerd in het gemeenteblad. Hoewel bijlage 1 elders terug te vinden is op “https://www.officielebekendmakingen.nl/” en de wetgever niet heeft willen uitsluiten dat ook via andere media dan het officiële publicatiemedium bekendheid wordt gegeven aan de publicatie van algemeen verbindende voorschriften, komt dit niet in de plaats van de officiële bekendmaking (vgl. HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:823, BNB 2021/115).
5.5.
Aangezien de Regeling niet is gericht tot een of meer belanghebbenden moet de bekendmaking daarvan op grond van artikel 3:42 Awb en artikel 6 van de Bekendmakingswet, in onderlinge samenhang bezien, geschieden door integrale plaatsing daarvan in het gemeenteblad. Bijlage 1 vermeldt per straat waar betaald parkeren geldt op welke tijdstippen parkeerbelasting verschuldigd is, of er een maximale parkeerduur geldt en welke vergunningen geldig zijn. Deze informatie maakt onlosmakelijk deel uit van de Regeling. De Regeling vormt op haar beurt een onlosmakelijk onderdeel van de Verordening, nu het college van B en W hierin op grond van de bevoegdheid die aan hem is gedelegeerd in artikel 5.8 van de Verordening onder meer bepaalt op welke plaatsen en tijdstippen de parkeerbelasting verschuldigd is. De Regeling en de daarvan deel uitmakende bijlage 1 bevatten bepalingen waaruit de belastingschuldige de omvang van zijn belastingschuld kan afleiden en vormen aldus een essentieel onderdeel dat in de Verordening moet worden vermeld, gelet op artikel 217 van de Gemeentewet. De Regeling moet als zodanig op grond van artikel 6 van de Bekendmakingswet worden bekendgemaakt door integrale plaatsing in het gemeenteblad. Aan deze eis is echter niet voldaan, nu de Regeling niet integraal, dat wil zeggen tezamen met bijlage 1, in het gemeenteblad is gepubliceerd.
5.6
De conclusie uit het voorgaande is dat de Regeling, anders dan de Verordening, niet integraal is gepubliceerd in het elektronische gemeenteblad, aangezien de daarbij behorende bijlage 1 niet in het gemeenteblad is geplaatst, maar elders op het internet. Anders dan de Heffingsambtenaar betoogt, doet hieraan niet af dat bijlage 1 is geplaatst op een website met in het adres de vermelding “officiele-overheidspublicaties.nl” en aldaar vindbaar is als externe bijlage bij de Regeling.
5.7.
Gesteld noch gebleken is voorts dat zich een situatie heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 7, lid 2, van de Bekendmakingswet dat, voorafgaand aan de publicatie van de Regeling, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, wegens de aard of omvang van bijlage 1, ermee heeft ingestemd dat bijlage 1 op een ander algemeen toegankelijk elektronisch medium dan het gemeenteblad wordt bekendgemaakt.
5.8.
Dat aan de publicatievoorschriften niet is voldaan, heeft tot gevolg dat bijlage 1 niet in werking is getreden.
5.9.
Gesteld noch gebleken is dat (de inhoud van) bijlage 1 met betrekking tot voorgaande tijdvakken is gepubliceerd op een wijze die wel in overeenstemming is met de bekendmakingsvoorschriften, en dat die voorgaande regeling niet is ingetrokken. Gelet hierop kan niet worden teruggevallen op voorgaande regelgeving. Derhalve heeft zich in het onderhavige geval geen belastbaar feit voorgedaan en dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd.
5.10.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is het hoger beroep gegrond en dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd omdat niet is voldaan aan de bekendmakingsvoorschriften. Hetgeen belanghebbende voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd, behoeft geen behandeling.

Proceskosten

6.1.
De Heffingsambtenaar wordt veroordeeld in de door belanghebbende voor de bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsprocedure gemaakte proceskosten, welke, op de voet van artikel 7:15, lid 2, Awb respectievelijk artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, worden vastgesteld op € 3.368 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in:
bezwaar: 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, waarde per punt € 647 en een wegingsfactor 0,5;
beroep: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 907 en een wegingsfactor 0,5; en
hoger beroep: 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 907 en een wegingsfactor 1;
waarbij de onderhavige zaak en de ter zitting van het Hof gelijktijdig behandelde zaken van [naam 1] (BK 24/861) en [naam 2] (BK 24/959) als samenhangende zaken worden aangemerkt, zodat in de onderhavige zaak een proceskostenvergoeding van 1/3 van € 3.368 = € 1.123 wordt toegekend.
6.2.
Voorts dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep en hoger beroep gestorte griffierecht van in totaal € 188 te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag;
- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.123; en
- gelast de Heffingsambtenaar de door belanghebbende betaalde griffierechten van € 188 aan deze te vergoeden,
- welke laatstgenoemde twee bedragen dienen te worden verhoogd met wettelijke rente, te vergoeden vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.
Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J. Vonk, R.A. Bosman en A.P. Bliek-Monsma, in tegenwoordigheid van de griffier X. Evers. De beslissing is op 19 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, de voorzitter,
X. Evers P.J.J. Vonk
De beslissing is op 19 november 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 2018/19, 35 218, nr. 3.
2.Kamerstukken II, 2018/19, 35 218, nr. 8.