ECLI:NL:RBDHA:2025:24583
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens termijnoverschrijding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Eiser heeft zijn aanvraag niet binnen de wettelijke termijn van tien jaar ingediend. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen met het besluit van 24 oktober 2024, en het bezwaar tegen dit besluit is ongegrond verklaard op 5 maart 2025. De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde zich afmeldden. Verweerder was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Eiser diende op 4 juli 2024 een aanvraag in, waarin hij stelde dat hij van 2013 tot eind 2014 meerdere keren was bedreigd door een huisgenoot. De rechtbank oordeelt dat de aanvraag terecht is afgewezen, omdat deze niet binnen de wettelijke termijn van tien jaar na het misdrijf is ingediend. Eiser betoogde dat hij zijn aanvraag wel tijdig had ingediend, maar de rechtbank concludeert dat de bewijsvoering van eiser onvoldoende is om aan te nemen dat de bedreigingen na 2013 zijn doorgegaan. De rechtbank wijst erop dat het aan de aanvrager is om de aanvraag te onderbouwen met objectieve informatie.
De rechtbank stelt vast dat eiser zijn aanvraag te laat heeft ingediend en dat verweerder op goede gronden heeft afgewezen. Het beroep van eiser is ongegrond verklaard, en hij krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, en is openbaar uitgesproken op 6 november 2025.