ECLI:NL:RBDHA:2025:24583
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens termijnoverschrijding
Eiser diende op 4 juli 2024 een aanvraag in voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven, naar aanleiding van bedreigingen die hij in 2013 ondervond van een voormalige huisgenoot. Verweerder wees de aanvraag af omdat deze niet binnen de wettelijke termijn van tien jaar na het misdrijf was ingediend. Eiser voerde aan dat de bedreigingen mogelijk ook in 2014 en 2015 plaatsvonden en dat het beleid omtrent de termijn in zijn nadeel was gewijzigd.
De rechtbank oordeelde dat uit de objectieve stukken, waaronder de aangifte en een brief van Slachtofferhulp, alleen blijkt dat de bedreigingen plaatsvonden in mei 2013. De stelling van eiser dat de bedreigingen daarna doorgingen, werd onvoldoende onderbouwd met objectieve informatie. Omdat de aanvraag pas in juli 2024 werd ingediend, was deze te laat volgens de wettelijke termijn.
Verder wees de rechtbank het betoog van eiser af dat het beleid onevenredig was of dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Verweerder had immers de mogelijkheid om de aanvraag te behandelen als deze zo spoedig mogelijk was ingediend, maar eiser gaf geen geldige reden voor de late indiening. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag wegens overschrijding van de wettelijke termijn van tien jaar.