ECLI:NL:RBDHA:2025:24583

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
25/2370
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens termijnoverschrijding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Eiser heeft zijn aanvraag niet binnen de wettelijke termijn van tien jaar ingediend. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen met het besluit van 24 oktober 2024, en het bezwaar tegen dit besluit is ongegrond verklaard op 5 maart 2025. De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde zich afmeldden. Verweerder was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Eiser diende op 4 juli 2024 een aanvraag in, waarin hij stelde dat hij van 2013 tot eind 2014 meerdere keren was bedreigd door een huisgenoot. De rechtbank oordeelt dat de aanvraag terecht is afgewezen, omdat deze niet binnen de wettelijke termijn van tien jaar na het misdrijf is ingediend. Eiser betoogde dat hij zijn aanvraag wel tijdig had ingediend, maar de rechtbank concludeert dat de bewijsvoering van eiser onvoldoende is om aan te nemen dat de bedreigingen na 2013 zijn doorgegaan. De rechtbank wijst erop dat het aan de aanvrager is om de aanvraag te onderbouwen met objectieve informatie.

De rechtbank stelt vast dat eiser zijn aanvraag te laat heeft ingediend en dat verweerder op goede gronden heeft afgewezen. Het beroep van eiser is ongegrond verklaard, en hij krijgt geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, en is openbaar uitgesproken op 6 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2370

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. P. van Baaren),
en

Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

(gemachtigde: mr. A.S.R. Bisseser-Chigharoe).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (het Schadefonds).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 oktober 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 maart 2025 heeft verweerder het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar ongegrond verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft op 4 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds. In zijn aanvraag heeft eiser aangegeven dat hij van 2013 tot eind 2014 meerdere keren is bedreigd met de dood door één van zijn toenmalige huisgenoten. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen, omdat eiser de aanvraag niet binnen de wettelijke termijn van tien jaar heeft ingediend nadat het betreffende misdrijf heeft plaatsgevonden.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt zich in de kern op het standpunt dat hij zijn aanvraag wel binnen de wettelijke tienjaarstermijn heeft ingediend. Hij is namelijk in 2014 en mogelijk ook nog in 2015 bedreigd. Hoewel uit zijn aangifte inderdaad alleen volgt dat hij op verschillende momenten in 2013 is bedreigd, is het op zichzelf niet onaannemelijk dat de bedreigingen ook daarna zijn doorgegaan. Verweerder had ook moeten meewegen dat het beleid van verweerder in de tussentijd in eisers nadeel is gewijzigd. De tienjaarstermijn gold eerder nog niet. Verder is nog van belang dat een uitkering uit het Schadefonds erop is gericht om aan een slachtoffer een tegemoetkoming uit te keren, maar vooral ook erkenning te geven. Daarbij past het niet om iemand die minder handig is met het indienen van een aanvraag buiten de boot te laten vallen. Subsidiair betoogt eiser dat de termijnoverschrijding in zijn geval niet zodanig ernstig is dat zijn aanvraag direct niet meer in behandeling moest worden genomen. Verweerder had ook kunnen beslissen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4.1.
Artikel 7 van de Wet Schadefonds geweldsmisdrijven bepaalt dat een aanvraag voor een uitkering binnen tien jaar na de dag waarop het misdrijf is gepleegd bij de commissie moet worden ingediend. Een na afloop van de termijn ingediende aanvraag wordt niettemin behandeld, indien blijkt dat de aanvraag zo spoedig is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.
4.2.
Bij het beoordelen van een aanvraag om een uitkering hanteert verweerder beleid. Dit beleid is neergelegd in de Beleidsbundel en de Letsellijst en te raadplegen op de website van verweerder (www.schadefonds.nl). Volgens vaste rechtspraak zijn de beleidsregels die verweerder hanteert in ieder geval niet onredelijk. [1]
4.3.
In de Beleidsbundel staat onder het kopje ‘Overgangsbeleid’ dat een primaire aanvraag wordt behandeld op basis van het beleid dat gold ten tijde van de aanvraag. [2] Ten tijde van de aanvraag van eiser op 4 juli 2024 was dit de Beleidsbundel van 1 juli 2024. Uit de Beleidsbundel volgt dat het uitgangspunt is dat het slachtoffer verantwoordelijk is voor het onderbouwen van de aanvraag met voldoende objectieve aanwijzingen. Objectieve aanwijzingen zijn aanwijzingen afkomstig uit een andere bron dan het slachtoffer zelf. Deze bronnen moeten betrouwbaar en onpartijdig zijn en vanuit eigen waarneming verklaren. [3] De aanvraag wordt afgewezen als deze niet binnen tien jaar na de dag waarop het misdrijf is gepleegd wordt ingediend, tenzij de aanvrager een geldige reden heeft voor het feit dat hij de aanvraag niet eerder indiende. Van een aanvrager wordt verwacht dat hij zijn aanvraag zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs mogelijk indient nadat hij bekend is geworden met de gevolgen van het misdrijf en een zodanige fase van het verwerkingsproces heeft bereikt dat de aanvrager in staat is om een aanvraag in te dienen. Het is daarbij aan de aanvrager om de opgegeven reden voor de termijnoverschrijding te onderbouwen. [4]
4.4.
De rechtbank stelt vast dat uit de door eiser overlegde aangifte alleen volgt dat hij in de periode van 2 mei tot 7 mei 2013 is bedreigd door een toenmalige huisgenoot. Dat de bedreigingen in de jaren daarna nog zijn doorgegaan, kan hieruit niet worden opgemaakt. Ook in de naderhand door eiser overlegde brief van Slachtofferhulp van 9 december 2016 staat hierover geen informatie opgenomen. Zoals in de voorgaande rechtsoverweging al is overwogen, is het volgens het geldende beleid aan de aanvrager om zijn aanvraag te onderbouwen met objectieve informatie. Eiser is daar in dit geval niet in geslaagd. De enkele verklaring van eiser zelf dat hij na 7 mei 2013 en ook in de jaren na 2013 nog is bedreigd, is onvoldoende objectief om hier zonder meer vanuit te kunnen gaan. Op grond van de beschikbare objectieve informatie gaat de rechtbank er vanuit dat eiser in de periode van 2 mei tot 7 mei 2013 slachtoffer was van bedreigingen. Gelet op de wettelijke tienjaarstermijn had eiser zijn aanvraag voor 8 mei 2023 moeten indienen. Dat betekent dat eiser zijn aanvraag op 4 juli 2024 te laat heeft ingediend.
4.5.
Verweerder heeft eiser met de mail van 8 oktober 2024 verzocht om de reden van de termijnoverschrijding te geven. Eiser heeft hierop niet gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder hieruit afleiden dat eiser zijn aanvraag niet zo spoedig heeft ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Ook in beroep heeft eiser niet toegelicht waarom hij zijn aanvraag te laat heeft ingediend.
4.6.
Het betoog van eiser dat het beleid in zijn geval onevenredig uitpakt omdat eerder de tienjaarstermijn nog niet gold, volgt de rechtbank niet. Sinds de wetswijziging van 1 juli 2016 [5] moet de aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds binnen tien jaar worden ingediend nadat het incident heeft plaatsgevonden. Voor die wetswijziging moest de aanvraag binnen drie jaar na het incident worden ingediend. Anders dan eiser heeft betoogd, pakt de wetswijziging in dat opzicht juist voordelig voor hem uit. Het betoog van eiser dat een uitkering uit het Schadefonds erop is gericht om een slachtoffer een tegemoetkoming uit te keren en dat het in dat kader niet past om burgers, zoals hijzelf, die minder handig zijn met het indienen van een aanvraag, buiten de boot te laten vallen, vindt de rechtbank onvoldoende voor het standpunt dat verweerder zijn aanvraag die meer dan 10 jaar na het geweldsincident is ingediend, in afwijking van het beleid in behandeling had moeten nemen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten. Ook krijgt hij geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:449.
2.Zie pagina 32 van de Beleidsbundel.
3.Zie pagina 7 van de Beleidsbundel.
4.Zie pagina 19 van de Beleidsbundel.
5.Stb. 2016, 160 (Staatsblad 2016, 160 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen).