In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om herziening van het besluit van 30 april 2024, waarbij zijn aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven werd afgewezen. Eiser, die stelt slachtoffer te zijn van mishandeling in juni 2023, heeft geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd die zijn herzieningsverzoek zouden kunnen onderbouwen. De rechtbank heeft op 15 september 2025 de zaak behandeld, waarbij zowel de gemachtigde van eiser als die van verweerder aanwezig waren.
De rechtbank concludeert dat verweerder op goede gronden het herzieningsverzoek heeft afgewezen. Eiser heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen die de afwijzing van zijn aanvraag zouden kunnen rechtvaardigen. De rechtbank stelt vast dat de afwijzing van het verzoek om herziening niet evident onredelijk is, aangezien eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. De rechtbank wijst erop dat medische informatie over letsel niet voldoende is om de toedracht van het geweldsmisdrijf te onderbouwen.
Eiser heeft ook aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden, omdat hij niet is gehoord tijdens de bezwaarprocedure. De rechtbank oordeelt echter dat deze beroepsgrond niet slaagt, omdat eiser niet tijdig heeft gereageerd op de uitnodiging voor een hoorzitting. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de verzoeken van eiser af, zonder hem te vergoeden voor proceskosten of griffierecht.