Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Marokkaanse staatsburger geboren in 2004, vroeg op 11 augustus 2023 een visum voor kort verblijf aan om een referent in Nederland te bezoeken. Verweerder wees de aanvraag af vanwege redelijke twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko. De afwijzing werd gehandhaafd na bezwaar.
Eiser voerde aan dat hij wel degelijk voldoende sociale en economische bindingen met Marokko heeft, waaronder zorg voor het gezin van de referent, nauwe familiebanden en een dienstverband bij een aluminiumbedrijf met salarisbetalingen. Hij overhandigde diverse documenten ter onderbouwing, waaronder bankafschriften en een werkgeversverklaring.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt en dat zijn sociale binding met Marokko niet sterk genoeg is. De overgelegde documenten waren onvoldoende objectief of dateren van na het bestreden besluit. Ook ontbraken zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die terugkeer zouden waarborgen.
Op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode en jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie is bij redelijke twijfel het visum te weigeren. De rechtbank volgde verweerder in zijn ruime beoordelingsruimte en concludeerde dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding of griffierechtteruggave.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende sociale en economische binding met Marokko.