ECLI:NL:RBDHA:2025:24668

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
21 december 2025
Zaaknummer
C/09/688415 / FA RK 25-5300
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeschikking inzake voorlopige zorgregeling en vervangende toestemming voor legitimatiebewijs in een ouderschapskwestie

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 20 november 2025 een tussenbeschikking gegeven in een ouderschapskwestie tussen de moeder en de vader van de minderjarige [minderjarige 1]. De moeder verzoekt om een zorgregeling waarbij [minderjarige 1] elke woensdag na schooltijd en elk weekend bij haar verblijft. De vader verzet zich hiertegen en vraagt om begeleid contact, waarbij hij zich zorgen maakt over de veiligheid van [minderjarige 1] bij de moeder. De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingediende stukken en de standpunten van beide ouders. De moeder heeft aangegeven dat zij de dagelijkse verzorging van [minderjarige 1] op zich heeft genomen, maar dat er sprake is van huiselijk geweld vanuit de vader. De vader stelt dat hij altijd de zorg voor de kinderen heeft gedragen en dat de moeder onbetrouwbaar is. De rechtbank heeft besloten dat er een raadsonderzoek moet plaatsvinden om de situatie beter in kaart te brengen en om te adviseren over de zorgregeling. Tevens heeft de rechtbank de vader toestemming verleend om een legitimatiebewijs voor [minderjarige 1] aan te vragen, ter vervanging van de toestemming van de moeder. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak pro forma aangehouden tot 15 juni 2026, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming een rapport moet opstellen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5300 (bodemprocedure) en FA RK 25-6565 (voorlopige voorziening)
Zaaknummer: C/09/688415 (bodemprocedure) en C/09/690838 (voorlopige voorziening)
Datum beschikking: 20 november 2025

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en voorlopige voorziening ex 223 Rv

Beschikkingop het op 12 juli 2025 ingekomen verzoek in de bodemprocedure en de
beschikkingop het op 29 augustus 2025 ingekomen verzoek in de voorlopige voorzieningenprocedure van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.K. Gopal te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.G. de Jong te Den Haag.

Procedure

In de procedure met nummer C/09/688415 (bodem)
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift met producties;
  • het F9-formulier van 3 november 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
  • het verweerschrift met producties.
In de procedure met nummer C/09/690838 (voorlopige voorziening)
  • het verzoekschrift met producties;
  • het bericht, met een aanvullende productie, van de zijde van de vrouw;
  • het verweerschrift met producties.
Op 6 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de advocaat van de moeder;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Feiten

- De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van de nog minderjarige [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .
- Partijen zijn ook de ouders van de minderjarige [minderjarige 2] , de meerderjarige [meerderjarige 1] en de meerderjarige [meerderjarige 2] .
- [minderjarige 1] is in de Basisregistratie Persoonsgegevens geregistreerd op het woonadres van de vader.
- De ouders zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] zijn belast.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt de rechtbank in de bodemprocedure en de voorlopige voorzieningenprocedure een verdeling van zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) vast te stellen tussen de moeder en [minderjarige 1] , waarbij [minderjarige 1] bij de moeder is iedere woensdag na schooltijd tot 18.00 uur en elk weekend van vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagmiddag 17.00 uur.
De vader voert in de bodemprocedure en de voorlopige voorzieningenprocedure gelijkluidend verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt vaststelling van een zorgregeling waarbij het contact begeleid zal plaatsvinden, eerst bijvoorbeeld voor twee uur per twee weken en met mogelijke uitbreiding indien blijkt dat het contact onbelast verloopt en de veiligheid van [minderjarige 1] gewaarborgd is. Indien de rechtbank een uitgebreidere zorgregeling wenselijk acht, verzoekt de vader aan de rechtbank om de Raad te gelasten onderzoek te verrichten naar de vorm waarin omgang zou moeten plaatsvinden, dan wel de zaak aan te houden in afwachting van het verloop van het begeleide contact. Tot slot verzoekt de vader de rechtbank om hem toestemming te verlenen, die de toestemming van de moeder vervangt, om een legitimatiebewijs aan te vragen voor [minderjarige 1] .

Beoordeling

In de procedure met zaaknummer C/09/690838 (voorlopige voorziening)
Voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over dezelfde onderwerpen als in de voorlopige voorzieningenprocedure, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen afwijzen bij gebrek aan belang.
In de procedure met zaaknummer C/09/688415 (bodem)
Zorgregeling
Wettelijk kader
In artikel 1:253a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.
Standpunten
De moeder geeft aan dat zij de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] vanaf zijn geboorte op zich heeft genomen. De moeder stelt dat zij, na jarenlang huiselijk en intiem geweld vanuit de vader, op enig moment heeft besloten de relatie definitief te beëindigen. Volgens de moeder heeft de vader haar sinds de breuk onder meer gevolgd en dwingende en bedreigende whatsapp-berichten en mails gestuurd. Ook stelt de moeder dat zij vanaf april 2025 geen contact meer heeft gehad met [minderjarige 1] omdat de vader dat weigert. Dat is de reden dat de moeder de rechtbank verzoekt een zorgregeling vast te stellen. Als gevolg van de huidige situatie en de dreigende taal van de vader is de moeder via [zorginstantie] recent op een geheim adres geplaatst. Vanwege haar eigen veiligheid en omdat de moeder [minderjarige 1] niet kan ontvangen op de plek waar zij nu verblijft, verzoekt de moeder de rechtbank te bepalen dat er begeleid contact zal plaatsvinden.
De vader geeft aan dat de relatie tussen de ouders in 2019 al is verbroken en dat de moeder meermaals voor langere tijd is vertrokken en afwezig is geweest in het leven van de kinderen. Volgens de vader heeft hij altijd alleen de zorg gedragen voor de kinderen en is de moeder nog nooit alleen met [minderjarige 1] geweest. De vader benadrukt dat [minderjarige 1] in het verleden erg verdrietig is geweest vanwege de contactbreuk(en) met zijn moeder en dat – indien er weer contact tussen [minderjarige 1] en zijn moeder zou komen – het van groot belang is dat dit contact bestendig is om teleurstelling bij [minderjarige 1] te voorkomen. Bij de andere kinderen in het gezin hebben de gebeurtenissen in het verleden namelijk ook tot veel boosheid en verdriet geleid, aldus de vader. Daarnaast maakt de vader zich zorgen over de veiligheid van [minderjarige 1] bij de moeder omdat de moeder onberekenbaar is en erg snel afgeleid raakt, waardoor zij [minderjarige 1] uit het oog kan verliezen. Gelet op de veiligheid van [minderjarige 1] meent ook de vader dat contact begeleid zou moeten plaatsvinden.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken blijkt dat er sprake is van een verstoorde verstandhouding tussen de ouders. Het beeld dat de ouders over elkaar en (het ontstaan van) de huidige situatie schetsen, loopt sterk uiteen en er worden over en weer ernstige zorgen geuit. De vader heeft aangegeven dat er over een lange periode betrokkenheid is geweest vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin en vanuit Veilig Thuis, maar hiervan zijn geen stukken overgelegd. Hoewel de ouders het er wel over eens zijn dat er contact moet zijn tussen [minderjarige 1] en de moeder, acht de rechtbank zich gelet op het voorgaande onvoldoende voorgelicht om een definitieve beslissing te kunnen nemen over de vaststelling van een zorgregeling. Om meer duidelijkheid te krijgen over de gehele situatie en te onderzoeken wat het meest in het belang is van [minderjarige 1] , acht de rechtbank een onderzoek door de Raad noodzakelijk. De rechtbank zal daarom een raadsonderzoek gelasten en aan de Raad verzoeken te rapporteren en te adviseren over de navolgende vragen:
  • Hoe ziet de gezinssituatie van [minderjarige 1] er op dit moment uit en zijn er zorgen over de veiligheid van [minderjarige 1] bij de moeder en/of de vader?
  • Welke mogelijkheden zijn er voor een zorgregeling van [minderjarige 1] met de moeder?
  • Zijn er belemmeringen voor het vaststellen van een zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de moeder?
  • Hoe zou een zorgregeling (vorm, opbouw en frequentie) er in het belang van [minderjarige 1] uit moeten zien?
  • Is hulpverlening voor de vader en/of de moeder noodzakelijk om het ouderschap samen verder vorm te geven? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
  • Is hulpverlening voor [minderjarige 1] aangewezen? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
Daarbij merkt de rechtbank het volgende op. Gelet op de voorliggende verzoeken in deze procedure kan de rechtbank de Raad enkel gelasten onderzoek te doen naar [minderjarige 1] . Dat neemt niet weg dat ook de andere kinderen in het gezin betrokken zijn bij wat er speelt en dus een rol kunnen hebben in het onderzoek. De rechtbank verzoekt de Raad met name ook oog te hebben voor de nog minderjarige [minderjarige 2] .
Op de zitting is met de ouders gesproken over de vraag of de begeleide omgang moet worden opgestart in afwachting van het rapport van de Raad. De moeder heeft aangegeven het contact zo snel mogelijk te willen opstarten. De vader toonde zich aanvankelijk bereid om hieraan mee te werken, maar heeft daarna aangegeven zorgen te hebben over de veiligheid van [minderjarige 1] indien het contact direct zou worden gestart omdat de moeder volgens de vader eerst aan haar eigen problematiek zou moeten werken. In dit verband is namens de Raad opgemerkt dat tijdens het raadsonderzoek eventueel ook kan worden bezien op welk moment en op welke manier kan worden aangevangen met de begeleide omgang.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het voor een evenwichtige sociale en emotionele ontwikkeling van kinderen van belang is om contact te hebben met beide ouders, mits dat contact op een goede en veilige manier plaatsvindt. Op dit moment heeft [minderjarige 1] al geruime tijd, namelijk sinds april, geen contact met de moeder. Bovendien bestaat er een wachtlijst voor het traject begeleide omgang. Daarom acht de rechtbank het van groot belang dat de ouders het onderzoek van de Raad niet afwachten, maar zich reeds nu aanmelden voor het traject begeleide omgang, zodat het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder spoedig kan worden hersteld. De rechtbank is ervan overtuigd dat de begeleiding van de omgang voldoende waarborgen biedt om de veiligheid van [minderjarige 1] te borgen gedurende de contactmomenten. Daarnaast is het de rechtbank gebleken dat de moeder wordt begeleid door KesslerPerspektief. De rechtbank gaat ervan uit dat deze begeleiding de moeder zal helpen om de afspraken rondom het begeleide contact na te komen en dat de moeder zich hiervoor zal inspannen. Omdat de rechtbank de ouders vanwege het ontbreken van de daarvoor vereiste instemming niet zelf kan doorverwijzen naar omgangsbegeleiding, verwacht de rechtbank van de ouders dat zij zich vóór 15 december 2025 aanmelden bij Kracht voor het traject begeleide omgang. Daarbij zal de rechtbank bij wijze van
voorlopigezorgregeling bepalen dat, zodra de benodigde hulpverlening beschikbaar is, zal worden gestart met begeleid contact tussen [minderjarige 1] en de moeder voor de duur van één uur per twee weken. Dat voorlopige contact kan in onderling overleg – en eventueel onder begeleiding van de Raad – worden uitgebreid. Daarbij merkt de rechtbank op dat het van belang is dat er bestendigheid zit in de nakoming van de zorgregeling, zodat [minderjarige 1] niet opnieuw wordt geconfronteerd met een contactbreuk. In afwachting van het raadsonderzoek zal de rechtbank iedere verdere beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling pro forma aanhouden.
Vervangende toestemming aanvraag legitimatiebewijs
De vader wenst een legitimatiebewijs aan te vragen voor [minderjarige 1] en heeft hiervoor de toestemming van de moeder nodig. De vader heeft de moeder echter niet kunnen bereiken om haar te vragen om deze toestemming te verlenen. De moeder heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen dit verzoek van de vader.
Omdat [minderjarige 1] belang heeft bij een geldig legitimatiebewijs, zal de rechtbank het verzoek van de vader om vervangende toestemming toewijzen.

Beslissing

De rechtbank:
in de procedure met nummer C/09/690838 (voorlopige voorziening):
*
wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv;
in de procedure met nummer C/09/688415 (bodem):
*
bepaalt dat de minderjarige:
- [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] ;
zodra de daarvoor benodigde hulpverlening beschikbaar is,
voorlopigeens per twee weken voor de duur van één uur contact zal hebben met de moeder, onder begeleiding van een professionele instantie, welk contact de ouders in onderling overleg en eventueel onder begeleiding van de Raad kunnen uitbreiden;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
de Raad kan daartoe telefonisch een eerste afspraak maken met de ouders, die te bereiken zijn op de volgende telefoonnummers: [telefoonnummer 1] (advocaat moeder) en [telefoonnummer 2] / [telefoonnummer 3] (advocaat vader);
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
houdt de behandeling aan tot
15 juni 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht
aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling op de zitting op een nader te bepalen datum en tijdstip zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;
beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling ter terechtzitting ieder via de eigen advocaat op te roepen;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van de verdeling van zorg- en opvoedingstakenaan;
*
verleent aan de vader toestemming – die de toestemming van de moeder vervangt - om voor [minderjarige 1] een legitimatiebewijs aan te vragen.;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, kinderrechter, bijgestaan door
mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 november 2025.