ECLI:NL:RBDHA:2025:24686

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
C/09/671036 FA RK 24-5849
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Erkenning van een Canadese geboorteakte en adoptie in het kader van een draagmoederschapszaak

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 21 november 2025 een beschikking gegeven in een draagmoederschapszaak waarbij de wensouders, een gehuwd stel met de Nederlandse nationaliteit, een verzoek hebben ingediend om de Canadese geboorteakte van hun kind, geboren uit een draagmoeder in Alberta, Canada, te erkennen en om de adoptie door de wensmoeder uit te spreken. De wensouders hebben gekozen voor hoogtechnologisch draagmoederschap omdat zij hun kinderwens niet op natuurlijke wijze konden vervullen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de draagmoeder, een Canadese staatsburger, geen ouderlijke rechten heeft en dat de wensvader als enige ouder wordt erkend op basis van de Canadese wetgeving. De rechtbank heeft de zorgvuldigheid van het draagmoederschapstraject beoordeeld en geconcludeerd dat de belangen van alle betrokkenen, inclusief het kind, voldoende zijn gewaarborgd. De rechtbank heeft de erkenning van de Canadese geboorteakte toegewezen en de adoptie door de wensmoeder goedgekeurd, waarbij de familierechtelijke relatie tussen de wensvader en het kind in stand blijft. De rechtbank heeft ook bepaald dat de inschrijving van de geboorteakte in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage moet plaatsvinden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-5849
Zaaknummer: c/09/671036
Datum beschikking: 21 november 2025

Beschikking op het op 31 juli 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[de wensmoeder] ,

de wensmoeder en
[de wensvader],
de wensvader
gezamenlijk verzoekers/de wensouders
beiden wonende op een bij de rechtbank bekend adres
advocaat mr. J.H. van der Tol te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage,

zetelend te ’s-Gravenhage,
de ambtenaar.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen
- het F9-formulier18 augustus 2024 met als bijlage de originele geboorteakte;
- het F9-formulier van 17 oktober 2024 met als bijlage het DNA-rapport;
- de brief van 22 oktober 2024 van de ambtenaar van de burgerlijke stand;
- de brief van 15 april 2025 van de raad voor de kinderbescherming met als bijlage
het raadsrapport met kenmerk [kenmerk] .
Met instemming van verzoekers heeft er geen zitting plaatsgevonden

Verzoek

De wensouders verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;
I hen met de voogdij over [minderjarige] te belasten totdat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan;
II De geboorteakte van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2022, te [geboorteplaats 1] , Canada, met registratienummer 2022-08-009138 opgemaakt door de Registrar of Vital Statistics op 23 maart 2022 rechtsgeldig te verklaren en de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten de geboorteakte op te nemen in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand te Den Haag;
III Indien de rechtbank van oordeel is dat de draagmoeder nog belast is met het gezag over [minderjarige] te bepalen dat de wensvader eenhoofdig met het gezag over [minderjarige] wordt belast;
IV De adoptie uit te spreken van [minderjarige] door de wensmoeder en de familierechtelijke betrekkingen tussen de wensvader en [minderjarige] daarbij in stand te laten en de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag te gelasten de adoptie als latere vermelding aan te hechten aan de geboorteakte;
en voorwaardelijk:
V de adoptie van [minderjarige] door de wensvader uit te spreken.

Feiten

  • De wenshouders zijn gehuwd op [datum] 2010 in [plaats] ;
  • Zij hebben beiden de Nederlandse nationaliteit;
  • De wensouders kunnen hun kinderwens niet via de natuurlijke weg realiseren en hebben voor hoogtechnologisch draagmoederschap gekozen.
  • De wensouders hebben met [naam 1] , als eiceldonatrice, en haar partner [naam 2] , een “Know Ovum Donation Agreement” d.d. 17 augustus 2018 gesloten.
  • De draagmoeder, [naam 3] , is Canadees staatsburger. Zij is ongehuwd.
  • De wensouders en de draagmoeder hebben een draagmoederschapsovereenkomst “The Surrogacy Agreement” opgesteld, gedateerd op 21 mei 2021.
  • De wensouders en de draagmoeder hebben in Canada onafhankelijk juridisch advies ontvangen van hun eigen advocaat, waarin zij zijn gewezen op hun verantwoordelijkheden en verplichtingen op basis van de bestaande wetgeving in Canada. Daarnaast hebben zij psychologische bijstaand voorafgaand en gedurende het traject gehad.
  • Voor de draagmoeder was medische zorg geregeld.
  • Voor de ivf behandeling is gebruik gemaakt van de kliniek “CReATe Fertility Centre.
  • De draagmoeder is na een ivf behandeling door voornoemde kliniek in verwachting geraakt. Dr. [naam 4] heeft op 21 oktober 2023 een verklaring afgegeven dat bij de ivf behandeling een embryo bij de draagmoeder is geplaatst, waarbij er gebruik is gemaakt van een zaadcel van de wensvader en een eicel van de bekende eiceldonatrice Ong.
  • De wensvader heeft op 9 maart 2022 met toestemming van de draagmoeder de ongeboren baby erkend bij de [gemeente] .
  • Op [geboortedatum 1] 2022 is uit de draagmoeder in [geboorteplaats 1] , Alberta (Canada) geboren [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).
  • Op de geboorteakte van [minderjarige] , opgemaakt op 23 maart 2022, is vermeld dat de draagmoeder de moeder is en de wensvader de vader. De geboorteakte is gelegaliseerd.
  • Op 17 maart 2022 hebben de wensvader en de draagmoeder een Care and Custody agreement gesloten, waarin is opgenomen dat het de intentie van de draagmoeder is dat de wensouders de volledige voogdij over en zorg voor [minderjarige] hebben vanaf het moment van de zijn geboorte.
  • Op 23 maart 2022 heeft de Court of Queen’s Bench of Alberta, Calgary (Canada) een Surrogacy order afgegeven waarin – voor zover relevant – het volgende is bepaald:
Pursuant to section 8.2 of the Family Law Act, S.A. 2003, c F-4.5, the surrogate, [naam 3] , born [geboortedatum 3] , 1978 in [geboorteplaats 3] , (…) is not a parent of the child;
(..) [de wensvader] , born [geboortedatum 2] , 1967 in [geboorteplaats 2] , Netherlands, is the sole parent of the Child for the purposes of law in Alberta and this parentage is retroactive to the moment of Birth;
The executed Care and Custody Agreement attached to this Order as Schedule A is valid under the law of Alberta. (..)”
  • Een deskundige rapport van DNA Diagnostics Center van 16 oktober 2024 vermeldt dat uit een vergelijking van de DNA-monsters met een waarschijnlijkheid van 99,9% is aangetoond dat de wensvader de biologische vader is van [minderjarige] .
  • De wensouders verzorgen en voeden [minderjarige] op sinds zijn geboorte.

Beoordeling

Rechtsmacht
De rechtbank heeft op grond van artikel 3 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht om van de verzoeken kennis te nemen, nu verzoekers hun woonplaats in Nederland hebben.
Positie van de draagmoeder
De draagmoeder kan in beginsel als belanghebbende als bedoeld in artikel 798 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) worden aangemerkt. De rechtbank zal de draagmoeder evenwel niet als belanghebbende aanmerken. Dit gelet op het feit dat – zoals hieronder nog zal blijken – het draagmoederschapstraject met de nodige zorgvuldigheid is doorlopen, waarbij de belangen van de draagmoeder in acht zijn genomen. Bij de Canadese beslissing is bepaald dat de draagmoeder niet de ouder is van het kind. Daarbij komt dat de draagmoeder een Affidavit heeft ondertekend waarin zij – kort gezegd – aangeeft dat het de bedoeling is dat verzoekers de volledige ouderlijke verantwoordelijkheid hebben vanaf de geboorte en dat zij– indien nodig – instemt met een Nederlandse beslissing hieromtrent. De rechtbank zal verdere oproeping dan ook achterwege laten.
Erkenning Canadese geboorteakte
Toepasselijk recht
Nu primair wordt verzocht om voor recht te verklaren dat de buitenlandse geboorteakte en buitenlandse beslissing voor erkenning in aanmerking komen en naar hun aard vatbaar zijn voor opneming in het register van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage zal de rechtbank het Nederlandse recht toepassen.
Op grond van artikel 1:26 lid 1 BW kan een ieder die daarbij een gerechtvaardigd belang heeft de rechtbank verzoeken een verklaring voor recht af te geven dat een op hem betrekking hebbende, buiten Nederland opgemaakte akte of gedane uitspraak overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt of gedaan en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand.
Het belang van verzoekers is erin gelegen dat zij in Nederland als wettige ouders van [minderjarige] zullen worden erkend en geregistreerd. Dit is een gerechtvaardigd belang zodat aan verzoekers een beroep op artikel 1:26 BW toekomt.
De rechtbank stelt voorop dat vast staat dat de Canadese geboorteakte, waarop de draagmoeder en de wensvader als ouders staan geregistreerd, is opgemaakt overeenkomstig het recht van Ontario, Canada.
De rechtbank moet beoordelen of de uit de Canadese geboorteakte voortvloeiende, uit hoofde van afstamming vastgestelde, familierechtelijke rechtsbetrekkingen hier te lande van rechtswege kunnen worden erkend. De rechtbank zal in dit kader de in boek 10 BW geplaatste erkenningsregeling naar analogie toepassen op de afstammingsrechtelijke gevolgen van draagmoederschap.
In artikel 10:101 lid 1 BW is, voor zover hier van belang, de in artikel 10:100 leden 1, onder b en c, 2 en 3 BW opgenomen erkenningsregeling van overeenkomstige toepassing verklaard op buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, die zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte.
Hieruit volgt dat een buitenlands tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte van rechtswege worden erkend, tenzij:
- aan de rechtshandeling geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of
- de erkenning van de rechtshandeling onverenigbaar is met de openbare orde.
De rechtbank stelt vast dat voor [minderjarige] overeenkomstig het recht van Alberta, Canada, een Canadese geboorteakte is opgemaakt, waarin de draagmoeder en de wensvader als ouders zijn opgenomen. De geboorteakte is afgegeven door de Registrar of Vital Statistics van de Registration of Birth filed at Edmonton Alberta, Canada, die bevoegd is geboorteaktes af te geven. Niet in geschil is dat deze aangifte is opgenomen door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat aan deze rechtshandeling geen behoorlijk onderzoek is voorafgegaan. Ten aanzien van de Canadese geboorteakte gaat het daarom om de vraag of erkenning van de uit de Canadese geboorteakte voortvloeiende afstammingsrelaties kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, zoals bedoeld in artikel 10:100 lid 1 sub c BW.
Openbare orde exceptie?
Uit artikel 10:101 lid 1 BW juncto artikel 10:100 lid 2 BW volgt dat de erkenning van de buitenlandse akte, ook wanneer daarbij een Nederlander betrokken is, niet wegens onverenigbaarheid met de openbare orde kan worden geweigerd op de enkele grond dat daarop een ander recht is toegepast dan uit deze titel zou zijn gevolgd. Van onverenigbaarheid met de openbare orde is slechts sprake in geval van strijdigheid met beginselen en waarden van juridische, sociale of morele aard die in de eigen rechtsorde fundamenteel worden geacht.
Uitgangspunt is dat de buitenlandse akte dient te worden erkend.
De rechtbank acht het in het kader van de openbare orde toets van belang om te oordelen of het in het buitenland gevolgde traject van draagmoederschap zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Dit gelet op de ingrijpende gevolgen van draagmoederschap voor de rechten en verplichtingen van zowel het kind, de draagmoeder als de wensouders in kwestie.
Nu de wensvader op de Canadese geboorteakte als ouder is aangemerkt, welk juridisch ouderschap in de Canadese beslissing van 23 maart 2022 is bevestigd, en hij samen met de wensmoeder vanaf de geboorte van [minderjarige] de zorg over hem draagt, dient hierbij naar het oordeel van de rechtbank met name te worden gekeken of de belangen van [minderjarige] , de eiceldonatrice en de draagmoeder voldoende in acht zijn genomen. Hierbij zijn van belang de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking Ouderschap, zoals opgenomen in het adviesrapport ‘Kind en ouders in de 21e eeuw’ van 7 december 2016, en de door het kabinet in zijn brief van 12 juli 2019 (kamerstukken TK 2018/2019, 33836, nr. 45) geformuleerde waarborgen om het traject zorgvuldig en transparant te laten verlopen en zoveel mogelijk rechtszekerheid te bieden aan de draagmoeder, de wensouders en het kind.
Hieruit volgt dat het voor kinderen van groot belang is om te (kunnen) achterhalen uit wie zij zijn geboren, van wie zij genetisch afstammen en onder welke omstandigheden zij zijn ontstaan en geboren. Het recht van het kind om zijn of haar afstamming te kennen is een mensenrecht dat is opgenomen in artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
Op grond van de overgelegde stukken komt de rechtbank tot het oordeel dat het traject van draagmoederschap in Alberta, Canada met waarborgen is omkleed, die overeenkomen met de aanbevelingen van de Staatscommissie. Verzoekers hebben bij het realiseren van hun ouderschapswens voor het draagmoederschapstraject gebruik gemaakt van de eicel van een bekende eiceldonatrice, met wie een “Know Ovum Donation Agreement” is gesloten en ondertekend. Hierin zijn zowel de juridische als de medische belangen van de eiceldonatrice gewaarborgd. In deze overeenkomst zijn in artikel 7 bepalingen opgenomen dat de wensouders en de eiceldonatrice hun contactgegevens actueel zullen houden en dat het de intentie van de wensouders is om [minderjarige] op enig moment op de hoogte te stellen van zijn ontstaansgeschiedenis. Ook blijkt hieruit dat [minderjarige] vanaf zestienjarige leeftijd informatie over de eiceldonatrice kan opvragen en dat hij contact met haar kan opnemen.
Met de draagmoeder hebben verzoekers een “Surrocacy agreement” opgesteld en ondertekend. Hierin zijn zowel de juridische als de medische belangen van de draagmoeder gewaarborgd. Uit de in het verzoekschrift opgenomen brief van de wensouders aan de rechtbank volgt dat zij een goede band hebben met de draagmoeder en altijd contact met haar hebben onderhouden. De rechtbank stelt dan ook vast dat de ontstaansgeschiedenis van [minderjarige] op termijn voor hem volledig is te achterhalen en dat hij in de toekomst kennis kan nemen van de eiceldonatrice en de draagmoeder. Hiermee wordt voldoende voorzien in het recht van [minderjarige] om zijn afstamming te kennen, zoals opgenomen in artikel 7 IVRK.
De wensouders en de draagmoeder hebben daarnaast onafhankelijk juridisch advies ontvangen van hun eigen advocaat. De draagmoeder heeft gedurende het traject de mogelijkheid gehad tot medische en psychologische bijstand.
De rechtbank stelt vast dat van verzoekers geen verzoek voorligt om de Canadese beslissing van 23 maart 2022 te erkennen. De rechtbank acht het in buitenlandse draagmoederschapszaken evenwel van belang of er sprake is geweest van een (buitenlandse) rechterlijke toets op de zorgvuldigheid van het proces.
De rechtbank stelt vast dat nu het draagmoederschap in Canada heeft plaatsgevonden en de draagmoeder daar ook woonachtig is, niet kan worden geoordeeld dat er voor de rechtsmacht van de Canadese rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat aan deze beslissing geen behoorlijk onderzoek en rechtspleging is voorafgegaan.
De rechtbank stelt vast dat de Canadese rechter bij beslissing van 23 maart 2022 het ouderschap van de wensvader heeft vastgesteld en dat de draagmoeder “the surrogate of the Child” is en dat het draagmoederschapstraject overeenkomstig de Family Law Act en de Alberta Rules of Court heeft plaatsgevonden.
De rechtbank is, net als de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft aangegeven, van oordeel dat de geboorte akte waarop de draagmoeder en de wensvader als ouders staan geregistreerd vatbaar is voor inschrijving in de daartoe bestemming register.
De rechtbank stelt verder vast dat in het voorgaande is vastgesteld dat tussen de wensvader en [minderjarige] door de prenatale erkenning familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld. Daarmee stamt [minderjarige] af van een Nederlandse ouder, zodat hij de Nederlandse nationaliteit aan de wensvader ontleent. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde voor inschrijving van de Canadese geboorteakte in het Nederlandse register.
Het verzoek van de wensouders om de ambtenaar te gelasten de buitenlandse geboorteakte in te schrijven wordt dan ook toegewezen.
gezag
Gelet op de erkenning van de Canadese geboorteakte van [minderjarige] staat vast dat de wensvader de ouder is van [minderjarige] . Ter beantwoording ligt de vraag voor of de wensvader op het moment, danwel enige periode na, de geboorte van [minderjarige] met de ouderlijke verantwoordelijkheid over hem is belast.
De rechtbank is van oordeel dat [minderjarige] in de eerste weken na zijn geboorte zijn gewone verblijfplaats in Canada had. Naast zijn fysieke aanwezigheid in Canada op het moment van zijn geboorte geldt dat het draagmoederschapstraject zich volledig in Canada heeft afgespeeld, hij geboren is uit een Canadese draagmoeder en ook enige tijd nog in Canada heeft verbleven.
Uit de Canadese “Childrens law Reform Act” volgt in het kader van een draagmoederschapstraject dat de draagmoeder in beginsel niet de moeder wordt van het kind maar dat dit de beoogde ouder(s) is (zijn). De ouderlijke rechten en plichten komen te liggen bij de beoogde ouder(s). Hierover hebben verzoekers en de draagmoeder in de draagmoederschapsovereenkomst afspraken gemaakt.
De wensvader en de draagmoeder hebben daarnaast op 23 maart 2022 een “Care and Custody Agreement” gesloten, die samengevat onder meer inhoudt dat de wensouders vanaf het moment van de geboorte de zorg en de controle over het kind op zich zullen nemen en dat zij verantwoordelijk zullen zijn voor alle beslissingen die normaliter door een ouder of voogd ten aanzien van een kind worden genomen, waarbij specifiek worden genoemd, beslissingen met betrekking tot de dagelijkse zorg voor het kind, internationale reizen met het kind, over de hoofdverblijfplaats van het kind en met wie het kind zal samenleven, over de medische zorg en behandeling en alle andere rechten en verantwoordelijkheid die een ouder of voogd normaliter heeft.
De Canadese rechter heeft bij beslissing van 23 maart 2022 vastgesteld dat de draagmoeder geen ouder is van het kind en dat de wensvader de enige ouder is van het kind vanaf het moment van de geboorte van het kind. Daarnaast heeft de Canadese rechter vastgesteld dat de Care and Custody Agreement in overeenstemming is met het recht van de staat Alberta, Canada.
De rechtbank stelt vast dat op grond van deze beslissing de draagmoeder niet langer met het gezag over [minderjarige] is belast en dat de wensvader alleen met het gezag over [minderjarige] is belast.
Op grond van artikel 16 lid 3 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het gezag van de wensvader in stand gebleven na de wijziging van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] naar Nederland.
Omdat de draagmoeder niet meer met het gezag over [minderjarige] is belast, is aan de voorwaarde voor het verzoek om vaststelling van het eenhoofdig gezag niet voldaan en behoeft de rechtbank op dat verzoek geen beslissing te nemen.
adoptie
Verzoekers verzoeken de adoptie van [minderjarige] door de wensmoeder uit te spreken en te verstaan dat de familierechtelijke betrekkingen tussen de wensvader en [minderjarige] in stand blijven na de adoptie door de wensmoeder.
toepasselijk recht op adoptie
Op grond van artikel 10:105 BW is op het verzoek het Nederlandse recht van toepassing.
De vraag welke betekenis toekomt aan de toestemming van de ouders van het kind wordt in beginsel beantwoord naar de regels die het nationale recht van het kind daarvoor bevat. [minderjarige] heeft mede de Nederlandse nationaliteit zodat Nederlands recht van toepassing is.
Juridisch kader Nederlandse adoptie
In dit geval is sprake van een adoptie door de partner van de ouder. De artikelen 1:227 en 1:228 BW zijn van toepassing.
De rechtbank stelt vast dat verzoekers meer dan drie jaar samenwonen en dat zij [minderjarige] meer dan een jaar gezamenlijk verzorgen en opvoeden.
De rechtbank stelt vast dat uit de Canadese geboorteakte volgt dat de draagmoeder en de juridische ouders zijn van [minderjarige] . De toestemming van de draagmoeder voor adoptie is dan ook nodig. Uit de overgelegde “Affidavit” van de draagmoeder blijkt dat zij het in het belang acht dat verzoekers als enigen het wettelijke ouderlijke gezag over [minderjarige] hebben en dat de draagmoeder niet juridisch ouder van het kind wenst te zijn. Verzoekers en de draagmoeder hebben ook een draagmoederschapsovereenkomst getekend en daaruit blijkt ook dat de draagmoeder geen ouderschapsrechten en plichten ten aanzien van het kind wil hebben. De rechtbank stelt dan ook vast dat de benodigde toestemming voor adoptie aanwezig is.
De Raad heeft in zijn rapport van 14 april 2025 positief geadviseerd ten aanzien van de adoptie van [minderjarige] door de wensmoeder.
Nu aan de overige vereisten van de artikelen 1:227 en 1:228 BW eveneens is voldaan, zal de rechtbank de verzoeken tot adoptie in het belang van [minderjarige] toewijzen.
gelasten van de ambtenaar de adoptie als latere vermelding toe te voegen
De wensouders verzoeken de ambtenaar te gelasten een (latere) vermelding van de adoptie aan de geboorteakte toe te voegen.
De rechtbank wijst dit verzoek wegens gebrek aan belang af. Immers, op grond van artikel 1:20, lid 1 onder a, BW vloeit dit reeds voort uit de wet.
voogdij
De rechtbank zal het verzoek van de wensouders om hen te belasten met de voogdij over [minderjarige] afwijzen aangezien de wensvader al met het gezag over [minderjarige] is belast.

Beslissing

De rechtbank:
*
verklaart voor recht dat de Canadese geboorteakte van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1] , Canada, waarop [de wensvader] als ouder wordt vermeld, van rechtswege in Nederland wordt erkend en naar zijn aard vatbaar is voor opnemen in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage
*
gelast de inschrijving in de registers van geboorten van de gemeente ’s-Gravenhage van de door de bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften in Alberta, Canada, opgemaakte geboorte akte van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1] , Canada, Registration numer 2022-08-009138, opgemaakt op 23 maart 2022, waarvan een fotokopie aan deze beschikking is gehecht;
*
spreekt uit de adoptie van:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1] , Canada,
door:
[de wensmoeder] , geboren op [geboortedatum 4] 1971 te [geboorteplaats 4] , Indonesië;
*
verklaart voor recht dat de familierechtelijke betrekking tussen [de wensvader] en [minderjarige] in stand blijft na adoptie door [de wensmoeder] , wat betekent dat vanaf het moment dat de adoptie onherroepelijk is geworden verzoekers het gezag over [minderjarige] samen zullen uitoefenen;
*
bepaalt dat de griffier, wanneer deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het gezagregister om daarin aantekening te doen van de adoptiebeslissing en de daaruit volgende conclusie dat verzoekers gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2025.