In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 12 december 2025, wordt het beroep van een Britse asielzoeker behandeld. De eiser had zijn asielaanvraag ingediend op 29 augustus 2022, maar deze was eerder afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank had in een eerdere uitspraak op 27 maart 2023 het besluit van de overheid vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Op 28 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie echter besloten de aanvraag buiten behandeling te stellen, omdat de eiser Nederland had verlaten en naar Groot-Brittannië was teruggekeerd. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag niet-ontvankelijk is, omdat de eiser geen actueel belang meer heeft bij de beoordeling van deze aanvraag. Echter, het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt gegrond verklaard. De rechtbank vernietigt het terugkeerbesluit en het inreisverbod, omdat de eiser ten tijde van het besluit niet in Nederland verbleef. De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan de eiser, vastgesteld op € 1.814,-.