ECLI:NL:RBDHA:2025:24748

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
NL25.27277
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Iraanse eiseres afgewezen door minister, rechtbank oordeelt beroep gegrond

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, wordt het beroep van een Iraanse eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie beoordeeld. De minister had de aanvraag op 12 juni 2025 afgewezen, stellende dat de asielmotieven van eiseres niet geloofwaardig waren. Eiseres, die had deelgenomen aan demonstraties in Iran en problemen met het Iraanse regime ondervond vanwege haar politieke overtuiging, heeft beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 29 september 2025 heeft de rechtbank de zaak behandeld, waarbij eiseres en haar gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de minister en een tolk. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de problemen van eiseres met het Iraanse regime ongeloofwaardig zijn. De rechtbank wijst erop dat de minister niet adequaat heeft gereageerd op de verklaringen van eiseres over haar rol tijdens de demonstraties en de ondervraging van haar broer door de Iraanse autoriteiten. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Eiseres krijgt een proceskostenvergoeding van € 1.814,-.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27277
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. M. Taheri),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. P. Jans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, R. Modi als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij in Iran onder andere heeft deelgenomen aan demonstraties, agenten heeft geslagen en drie jongeren heeft geholpen om zich te verschuilen voor de politie. Na haar vertrek heeft eiseres van haar broer (die in Iran op het politiebureau moest komen) gehoord dat de Iraanse veiligheidsdiensten haar zoeken. Zij kan daarom niet terugkeren naar Iran.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
politieke overtuiging;
problemen met het Iraanse regime vanwege politieke overtuiging.
6. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Ook de politieke overtuiging acht de minister geloofwaardig. De minister acht echter niet geloofwaardig dat eiseres problemen heeft met het Iraanse regime vanwege haar politieke overtuiging. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiseres hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)). De minister merkt hierover op dat eiseres geen leidende rol had bij demonstraties en niet aannemelijk heeft gemaakt waarom zij gezocht zou worden. Ook heeft eiseres slechts vermoedens dat zij gezocht wordt. Verder is niet gebleken dat eiseres in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten vanwege haar sociale media. Ook is eiseres legaal en zonder problemen uitgereisd. Daarnaast verklaart eiseres ongerijmd over de redenen van haar vertrek. De minister heeft verder aan eiseres tegengeworpen dat zij niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e van de Vw). Eiseres is Nederland ingereisd met een visum voor kort verblijf. Volgens de minister blijkt uit het relaas van eiseres geen noodzaak tot bescherming tot het moment dat zij weer zou vertrekken uit Nederland. Verder besloot eiseres na haar asielaanvraag actief te worden op sociale media, waarbij zij haar eigen naam en foto gebruikte, waarmee zij haar eigen vindbaarheid in de hand werkt. Volgens de minister is niet gebleken dat eiseres een fundamentele overtuiging had, waardoor het ineens nodig was dat zij actief werd op sociale media.
Dat de identiteit, nationaliteit en herkomst en de politieke overtuiging van eiseres geloofwaardig is, betekent volgens de minister niet dat zij bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Dat zij uit Iran komt, is daarvoor op zichzelf niet voldoende. Verder zijn de problemen van eiseres vanwege haar politieke overtuiging ongeloofwaardig geacht. Eiseres heeft Iran immers ongehinderd kunnen verlaten, en het is niet aannemelijk dat zij wordt gezocht vanwege deelname aan een demonstratie of vanwege haar sociale media. De minister concludeert dat de asielaanvraag van eiseres wordt afgewezen als ongegrond.
Problemen van eiseres met het Iraanse regime vanwege haar politieke overtuiging
7. De rechtbank oordeelt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de problemen van eiseres met het Iraanse regime vanwege haar politieke overtuiging ongeloofwaardig zijn. De minister heeft wel kunnen tegenwerpen dat eiseres geen leidende rol had tijdens de demonstraties, legaal is uitgereisd, ongerijmd heeft verklaard over haar vertrek en slechts enkele screenshots heeft van haar activiteiten op sociale media. De minister heeft echter onvoldoende toegelicht waarom eiseres vanwege het incident met de agent geen problemen heeft met het regime. Ook heeft de minister niet kunnen tegenwerpen dat enkel sprake is van vermoedens dat eiseres wordt gezocht, en is de minister te makkelijk voorbijgegaan aan de verklaringen van eiseres over de ondervraging van haar broer. Ook heeft de minister ten onrechte tegengeworpen dat eiseres niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. De rechtbank zal dat hieronder nader toelichten.

Leidende rol tijdens demonstraties

8. Eiseres stelt dat zij wel degelijk een leidende rol had bij de demonstraties. Eiseres voert daartoe aan dat zij nauwkeurig en consistent heeft verklaard dat zij de vrouwen bij elkaar haalde voor de demonstraties en daar dan leuzen mee ging roepen. De hoormedewerker heeft toen gezegd: “Oké duidelijk” (nader gehoor, p. 23). Er is vervolgens niet doorgevraagd. De minister had daarom de toelichting van eiseres in de zienswijze, dat zij als eerste de leuzen riep en op een verhoging stond om hoorbaar te zijn (en daarom een leidende rol had), moeten meenemen.
9. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de minister de aanvullende toelichting in de zienswijze had moeten meenemen. Eiseres is in het nader gehoor namelijk al voldoende in de gelegenheid gesteld om haar rol tijdens de demonstraties toe te lichten. Er zijn hierover verschillende vragen gesteld (p. 22 en 23). Eiseres verklaarde toen onder andere dat haar rol was: deelname aan de demonstratie, met de rest leuzen roepen. Toen eiseres verklaarde dat zij leiderschap had, is gevraagd: “Op welke manier had u leiderschap”? Eiseres antwoordde toen: “De demonstraties waren na de dood van [persoon1] . Bijna elke avond kwamen mensen op straat. Ik zei tegen de vrouwen dat we voorzichtig moesten zijn. Merken jullie dat we worden aangevallen door de agenten, dan moeten we niet op elkaar wachten. Je moet rennen en je ergens veilig stellen en niet op anderen wachten. Ondanks dat zijn sommige wel gearresteerd of aangehouden en geslagen.” Vervolgens is gevraagd: “Om hoeveel vrouwen ging het waarover u leiderschap had?” Toen antwoordde eiseres: “8 vrouwen” en zei de hoormedewerker: “Oké duidelijk”. Daarop zijn nog verdere vragen gesteld over wat maakt dat de Iraanse overheid specifiek op zoek is naar eiseres. De rechtbank volgt dus niet dat eiseres door de hoormedewerker zou zijn onderbroken toen zij het had over haar leidende rol, of dat onvoldoende is doorgevraagd. Bovendien had eiseres in de correcties en aanvullingen naar voren kunnen brengen dat zij ook op een verhoging stond en als eerste leuzen riep. Dat heeft zij niet gedaan. Pas in de zienswijze heeft zij dit voor het eerst naar voren gebracht. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog op de zitting dat zij dit niet eerder heeft gedaan omdat zij niet goed wist wat van haar werd verwacht en dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met haar vergeetachtigheid. Zoals hiervoor is toegelicht, is eiseres in het nader gehoor bevraagd over haar rol tijdens de demonstraties. Uit de antwoorden van eiseres blijkt niet dat zij de vragen niet goed begreep of zich dingen niet kon herinneren. In het nader gehoor is ook met eiseres gesproken over haar medische situatie, waaronder de vergeetachtigheid. De hoormedewerker heeft aan eiseres gevraagd of zij het idee heeft dat dit van invloed is geweest op het gehoor (p. 25). Eiseres verklaarde toen: “Nee het heeft geen invloed gehad. Mijn korte geheugen is beschadigd. Het geheugen op lange termijn en vooral de belangrijke gebeurtenissen, dat blijft altijd bij mij en ik heb het beeld altijd voor mij. Mijn lange termijn geheugen is wel goed.” Onder deze omstandigheden mocht de minister zich beperken tot de verklaringen van eiseres in het nader gehoor (die zij niet heeft aangevuld in de correcties en aanvullingen). De rechtbank kan de minister volgen dat uit de verklaringen van eiseres niet blijkt dat zij een leidende rol had tijdens de (massale) demonstraties, waardoor zij in het bijzonder in het oog zou springen bij de Iraanse autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.

Incident met agent

10. Eiseres voert aan dat er een incident is geweest waarbij zij een agent heeft geslagen. In de zienswijze heeft zij toegelicht dat zij kennelijk uiteindelijk is geïdentificeerd, waarschijnlijk door gezichtsherkenningscamera’s. Er is ook bewijs van een zendmast waarmee een strafzaak is gestart. Deze toelichting is volgens eiseres niet geheel nieuw, omdat het ook algemene landeninformatie betreft. Verder werpt de minister in het bestreden besluit niet meer tegen dat zij wisselend heeft verklaard over het slaan van de politie. Volgens eiseres heeft de minister miskend dat zij hierdoor een concrete vrees heeft.
11. De minister heeft op de zitting toegelicht dat hij volgt dat eiseres een agent heeft geslagen. De minister volgt echter niet dat eiseres hierdoor te vrezen heeft bij terugkeer, omdat het een eenmalig incident betreft en eiseres destijds niet is geïdentificeerd. Dat eiseres met een zendmast gelokaliseerd zou zijn en vervolging is gestart, is nieuwe informatie en is op geen enkele wijze onderbouwd. Verder erkent de minister dat er gezichtsherkenning voorkomt, maar er moet meer zijn dan de enkele mogelijkheid dat eiseres herkend wordt.
12. De rechtbank kan de minister hierin niet volgen. De minister heeft op de zitting erkend dat er gezichtsherkenning voorkomt. Hierover staat in het Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, p. 73 onder andere: “De autoriteiten leken in toenemende mate gebruik te maken van gezichtsherkenningstechnieken om personen te identificeren, bijvoorbeeld tijdens demonstraties.” Eiseres heeft op de zitting opgemerkt dat een normale gang van zaken is dat een agent aangifte doet en dat vervolgens een onderzoek wordt ingesteld, waarbij herkenningstechnieken worden toegepast. De rechtbank acht het, gelet op de algemene landeninformatie, niet onaannemelijk dat dit is gebeurd en dat eiseres later alsnog is geïdentificeerd. Dat eiseres in het nader gehoor niet heeft verklaard over gezichtsherkenning, zendmasten en de strafzaak, neemt niet weg dat de minister de verklaringen van eiseres moet beoordelen in het licht van algemene landeninformatie. Verder kan een eenmalig incident ook leiden tot een risico bij terugkeer. Bovendien heeft eiseres verklaard over meer incidenten, waar hierna op ingegaan zal worden, zodat ook geen sprake is van een enkel incident. De beroepsgrond slaagt.

Vermoedens dat eiseres wordt gezocht

13. Eiseres voert aan dat er geen sprake is van vermoedens dat zij wordt gezocht, maar dat het logisch nadenken is. De agenten hadden de jongeren achtervolgd en wisten welke woning het was. De agenten zijn enkele dagen later weer bij de deur gekomen (toen pas, vanwege de chaos van de demonstraties), en er is toen aan meneer [persoon2] gevraagd waar de dame is die de jongeren heeft binnengelaten. Eiseres heeft in de zienswijze toegelicht hoe meneer [persoon2] de agenten herkende. De jongeren zijn later aangehouden, en aan de broer van eiseres is een verklaring van een van de jongens getoond, waarin eiseres is genoemd. Meneer [persoon2] en de broer van eiseres zijn niet “van horen zeggen”.
14. De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres heeft in het nader gehoor verklaard dat zij de jongeren heeft geholpen zich te verschuilen in de kelder van haar appartementencomplex. Bij dit incident zijn de agenten bij de deur gekomen (waar eiseres zelf getuige van is geweest), en meneer [persoon2] heeft ze uiteindelijk weg doen gaan. Eiseres heeft ook verklaard dat het in deze periode onrustig was in Iran (p. 9). Enige tijd later hoorde eiseres van meneer [persoon2] dat er drie veiligheidsagenten aan de deur waren gekomen. Meneer [persoon2] kon aan hun uiterlijk zien dat het geen normale mensen waren. Je kon zien dat ze van de veiligheidsdienst waren (p. 10). De agenten zeiden: “We zijn op zoek naar een vrouw die jongens binnen heeft gelaten waar we naar op zoek waren”. Eiseres heeft ook verklaard dat haar broer na haar vertrek is ondervraagd op het politiebureau (Wozara). Daarbij is gezegd dat eiseres deel heeft genomen aan demonstraties, geweld heeft gebruikt tegen agenten en ook is een getuigenverklaring getoond van een jongen die zij heeft verstopt. Zij heeft dit gehoord van haar broer via haar zoon (eiseres zat naast het telefoongesprek). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres hiermee concrete verklaringen afgelegd (over concrete gebeurtenissen en concrete mensen) over hoe zij weet dat zij wordt gezocht. De minister heeft in het bestreden besluit niet aan eiseres tegengeworpen dat deze verklaringen niet kunnen worden gevolgd (bijvoorbeeld omdat ze vaag, tegenstrijdig of bevreemdingwekkend zijn). Dat eiseres vaag heeft verklaard over het uiterlijk van de mensen die aan de deur kwamen, kan de rechtbank niet volgen. Het is niet onaannemelijk dat meneer [persoon2] aan hun uiterlijk kon zien dat het mensen van de veiligheidsdienst waren. De rechtbank ziet niet in waarom eiseres hierover nadere vragen had moeten stellen aan meneer [persoon2] . Ook werpt de minister ten onrechte tegen dat de naam van eiseres niet is genoemd. Er is immers gevraagd naar de vrouw die de jongens binnen heeft gelaten, wat duidelijk zag op eiseres. Verder kan de minister niet zonder nadere toelichting voorbijgaan aan de verklaringen van eiseres over wat zij van haar broer heeft gehoord, enkel omdat de broer geen “objectieve verifieerbare bron” is. De rechtbank zal daar in punt 17 verder op ingaan. De beroepsgrond slaagt.
Ondervraging van broer van eiseres
15. Eiseres voert aan dat de minister in het bestreden besluit niet meer aan haar tegenwerpt dat zij niet heeft onderzocht hoe haar broer (die na haar vertrek is ondervraagd) wist dat het om de veiligheidsdienst ging. Dit bevestigt haar asielrelaas, en is ten onrechte niet meegewogen in het bestreden besluit.
16. De minister heeft zich op de zitting het standpunt gesteld dat voldoende is toegelicht waarom het feit dat de zienswijze van eiseres op dit punt wordt gevolgd, niet tot een ander oordeel leidt. In het bestreden besluit is opgemerkt dat er hiermee nog steeds geen concrete aanknopingspunten zijn dat eiseres wordt gezocht. Zij heeft het namelijk gehoord van haar broer, en die is geen objectief verifieerbare bron.
17. De rechtbank acht deze motivering onvoldoende. Eiseres heeft concreet verklaard over het telefoongesprek op 23 januari 2023 en over wat zij toen (via haar zoon) van haar broer heeft gehoord. Haar broer is ondervraagd op het politiebureau, waarbij is gezegd dat eiseres deel heeft genomen aan demonstraties, geweld heeft gebruikt tegen agenten en ook een getuigenverklaring van een jongen die zij heeft verstopt, is getoond (nader gehoor, p. 10, 11, 15 en 16). De minister kan niet (zonder nadere toelichting) aan deze verklaringen voorbijgaan, alleen maar omdat het een familielid is van wie eiseres dit heeft gehoord. De beroepsgrond slaagt.

Instagram

18. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende waarde heeft gehecht aan de screenshots die zij heeft overgelegd. Eiseres had een ruim bereik en stond met haar eigen naam en foto in beeld. Zij kon niet voorzien dat haar account zou worden gehackt, waardoor zij niet meer dan de screenshots heeft. De gemachtigde van eiseres heeft zelf de bedreigingen op de telefoon van eiseres gezien. Volgens eiseres blijkt uit het Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, p. 40, dat de cyberpolitie (FATA) sociale media accounts hackt. Ook blijkt uit het ambtsbericht, p. 73 en 74, dat de Iraanse autoriteiten een gezichtsherkenningssysteem hebben, waarmee eiseres herkend zou kunnen worden.
19. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister de screenshots te beperkt vinden om aan te nemen dat eiseres in de negatieve belangstelling staat van de Iraanse autoriteiten. Het is aan eiseres om haar asielrelaas aannemelijk te maken, zo mogelijk met documenten. In het bestreden besluit heeft de minister terecht opgemerkt dat de screenshots niet kunnen worden gecontroleerd op betrouwbaarheid en niet te verifiëren zijn. In aanvulling daarop heeft de minister op de zitting toegelicht dat de omvang (van de activiteit) die uit de screenshots blijkt, niet zodanig is dat eiseres daardoor risico loopt. De rechtbank kan dit ook volgen. Verder blijkt uit het ambtsbericht, p. 40 dat de Iraanse autoriteiten sociale media monitoren, en dat ook monitoring van politieke activisten in het buitenland plaatsvindt. De rechtbank kan uit het ambtsbericht echter niet afleiden dat er door FATA ook sociale media accounts worden gehackt. Eiseres heeft dit ook met haar verklaringen niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank begrijpt dat eiseres stelt dat zij vanwege een onverwachte hack / blokkade van haar account niet meer bewijs van haar sociale media activiteiten en de bedreigingen kan overleggen, maar dat neemt niet weg dat zij met de overgelegde screenshots onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij daardoor een risico loopt. De beroepsgrond slaagt niet.
Legale uitreis en verklaringen over redenen vertrek
20. Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit ten onrechte is gesteld dat het afbreuk doet aan haar problemen dat ze legaal kon uitreizen. Eiseres heeft het risico genomen en het is gelukt. Destijds had zij kennelijk nog geen uitreisverbod. Dat zal er nu wel zijn, nu haar broer is ondervraagd. Eiseres vreest ook dat zij nu nog meer in de negatieve belangstelling zal staan, omdat zij destijds ook pro-Israëlische filmpjes had gedeeld. Verder zijn de redenen van haar vertrek niet ongerijmd. Toen eiseres het land verliet, wist ze dat de autoriteiten achter haar aan zaten, maar niet wat de ernst ervan was. In Nederland werd het met het verhoor van haar broer duidelijk dat er geen terugkeer meer mogelijk was.
21. De rechtbank oordeelt dat de minister aan eiseres mocht tegenwerpen dat zij legaal is uitgereisd. Daaruit blijkt namelijk in ieder geval niet dat eiseres in de negatieve belangstelling stond op het moment van haar vertrek. Verder mocht de minister het ongerijmd vinden dat eiseres verklaart dat zij bang was bij haar uitreis (zij gaf zichzelf “50 procent”, nader gehoor, p. 13), en anderzijds dat zij niet wist dat zij in Iran daadwerkelijk gevaar liep en dat zij van plan was om terug te keren naar Iran (nader gehoor, pagina 15 en 17). Eiseres heeft verder geen concrete aanknopingspunten gegeven dat zij inmiddels een uitreisverbod heeft. Eiseres heeft ook niet onderbouwd dat zij pro-Israëlische filmpjes heeft gedeeld. De beroepsgrond slaagt niet.

Geloofwaardigheid in grote lijnen

22. Eiseres betoogt dat de minister haar ten onrechte tegenwerpt dat zij niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. De redenen van haar vertrek zijn namelijk niet ongerijmd: zij besefte de ernst nog niet toen zij vertrok, maar dat is in Nederland duidelijk geworden toen haar broer belde. Zij kreeg hierdoor ook een fundamentele politieke overtuiging, en wilde terugvechten op sociale media. Als de minister ernaar had gevraagd (waarom zij in Nederland ineens actief is geworden), had zij dit kunnen toelichten.
23. De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiseres niet in grote lijnen geloofwaardig is. In paragraaf C1/4.3.2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 worden omstandigheden genoemd die kunnen worden betrokken bij de beoordeling of de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Het gaat dan met name om het verstrekken van valse en onjuiste gegevens. Deze omstandigheden zijn in het geval van eiseres niet aan de orde. De minister heeft opgemerkt dat uit het asielrelaas van eiseres niet blijkt dat er een noodzaak was van bescherming tot het moment van vertrek uit Nederland. Dat eiseres legaal is uitgereisd, en een ongerijmde risico-inschatting heeft gemaakt, betekent echter niet dat haar asielrelaas zonder meer ongeloofwaardig is, en dat zij als persoon niet in grote lijnen geloofwaardig is. Daarbij is ook van belang dat de minister niet aan eiseres heeft tegengeworpen dat haar verklaringen niet kunnen worden gevolgd. Verder kan de rechtbank de tegenwerping dat eiseres in Nederland actief is geworden op sociale media, waarmee zij haar eigen vindbaarheid in de hand werkt, niet volgen. De minister heeft de politieke overtuiging van eiseres geloofwaardig geacht. Daarom valt niet in te zien dat eiseres zich terughoudend had moeten opstellen op sociale media, laat staan dat dit afdoet aan haar algehele geloofwaardigheid. De beroepsgrond slaagt.
Risico bij terugkeer
24. De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte geen beoordeling heeft gemaakt als bedoeld in het arrest S en A van 21 september 2023 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU)1. Eiseres heeft op de zitting terecht gewezen op dit arrest. De rechtbank zal dat hieronder toelichten.
25. De minister heeft de politieke overtuiging van eiseres geloofwaardig geacht. Uit het arrest S en A volgt dat de autoriteiten dan een uitputtend en grondig onderzoek moeten verrichten van alle relevante omstandigheden met betrekking tot de specifieke persoonlijke situatie van de vreemdeling en van de meer algemene context van zijn land van herkomst, teneinde vast te stellen of de vreemdeling een gegronde vrees heeft om persoonlijk te worden vervolgd wegens zijn politieke overtuiging. Uit het Informatiebericht 2024/10 blijkt dat de vreemdeling (in het kader van het onderzoek naar het risico bij terugkeer) in het gehoor bevraagd moet worden over welke activiteiten hij bij terugkeer wil verrichten of hoe hij anderszins zijn opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn.
26. De rechtbank stelt vast dat er in de gehoren niet aan eiseres is gevraagd hoe zij zich bij terugkeer naar Iran zou willen uiten en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Daar was te meer aanleiding toe, omdat de minister volgt dat eiseres heeft deelgenomen aan demonstraties, en omdat eiseres in de zienswijze stelt dat zij in Nederland een meer fundamentele overtuiging heeft gekregen en actiever is geworden op sociale media. Het besluit is dus onzorgvuldig voorbereid. Het voorgaande betekent dat de minister ook niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres geen risico loopt bij terugkeer. De beroepsgrond slaagt. De minister zal eiseres aanvullend moeten horen en daarna opnieuw moeten beoordelen of eiseres in het licht van de actuele landeninformatie bij terugkeer naar Iran een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade.

Ondervraging op de luchthaven

27. Eiseres heeft aan het eind van de zitting voor het eerst aangevoerd dat zij bij terugkeer sowieso in de verhoogde aandacht zal staan van de Iraanse autoriteiten. Eiseres is namelijk al sinds 2023 in Nederland. Bij terugkeer zal op de luchthaven worden gevraagd op welke gronden zij in het buitenland heeft verbleven. Eiseres kan dan geen verblijfsvergunning overleggen, waardoor de autoriteiten zullen weten dat zij asiel heeft aangevraagd. Dan zal ook haar sociale media bekeken worden.
1. ECLI:EU:C:2023:688.
28. De rechtbank stelt vast dat dit een nieuw asielmotief is. Eiseres heeft hier zelf niet over verklaard, en heeft ook in de beroepsgronden niets aangevoerd over een risico op ondervraging op de luchthaven. Een nieuw asielmotief kan alleen in het lopende beroep worden betrokken als zowel de rechtbank als de minister de mogelijkheid hebben om het asielmotief in het kader van het beroep te onderzoeken. Concreet houdt dat in dat het asielmotief volgens de nationale procedureregels tijdig moet worden ingediend én dat het asielmotief voldoende concreet is om in beroep naar behoren te kunnen worden onderzocht.2 Dat is hier niet het geval. De minister heeft pas aan het eind van de zitting voor het eerst kennis kunnen nemen van het nieuwe asielmotief, en heeft hier niet adequaat op kunnen reageren. De rechtbank betrekt dit asielmotief daarom niet in deze procedure. Eiseres kan het asielmotief eventueel bij een nieuwe asielaanvraag naar voren brengen.

Conclusie en gevolgen

29. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. Zoals de rechtbank onder punt 26 heeft overwogen, moet de minister eiseres namelijk opnieuw horen.
29.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor twaalf weken.
29.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
2 Zie het arrest
Ahmedbekova & Ahmedbekovvan het HvJEU van 4 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:801, en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2073.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 12 juni 2025;
  • draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
zaaknummer: NL25.27277
10
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
09 oktober 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.