ECLI:NL:RBDHA:2025:24772

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
11645993 RP VERZ 25-50283
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om betaling van transitievergoeding en niet-opgenomen vakantiedagen door werkneemster tegen Nationale Ombudsman

In deze zaak heeft de werkneemster, die van 1 januari 2019 tot 1 februari 2025 bij de Nationale Ombudsman werkzaam was, een verzoek ingediend om betaling van een resterende transitievergoeding en niet-opgenomen vakantiedagen. De werkneemster was sinds 7 maart 2022 ziek en ontving een WIA-uitkering met terugwerkende kracht tot 24 februari 2024. Na de beëindiging van haar dienstverband op de b-grond, heeft de werkgever de door haar ontvangen AAOP-uitkering in mindering gebracht op de eindafrekening, wat de werkneemster betwistte. De kantonrechter heeft kennisgenomen van de processtukken en de mondelinge behandeling op 12 juni 2025. De werkneemster heeft verzocht om betaling van de resterende transitievergoeding van € 19.290,17, het resterende salaris van € 2.178,11, en de waarde van 86 niet-opgenomen verlofuren van € 3.925,04. De Nationale Ombudsman heeft verweer gevoerd en stelde dat de AAOP-uitkering terecht in mindering was gebracht. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de Nationale Ombudsman ten onrechte een bedrag van € 2.178,11 teveel in mindering heeft gebracht en heeft dit bedrag toegewezen, evenals de vergoeding voor de niet-opgenomen vakantiedagen. De Nationale Ombudsman is ook veroordeeld tot het verstrekken van een aanvullende salarisspecificatie. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij beide partijen hun eigen kosten dragen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag
DJ c
Rep.nr.: 11645993\ RP VERZ 25-50283
Datum: 18 december 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
mr. [verzoekster],
te [woonplaats],
verzoekster,
procederende in persoon,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
Nationale ombudsman,
te Den Haag,
verweerder,
gemachtigde: mr. J.W.H. Buiting.
Partijen worden ‘[verzoekster]’ en ‘Nationale Ombudsman’ genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- een verzoekschrift van 10 april 2025;
- een verweerschrift met de bijlagen 1 tot en met 18;
- een aanvullend verzoekschrift d.d. 10 juni 2025 met nadere producties.
1.2.
Op 12 juni 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden van het verzoekschrift. [verzoekster] is verschenen. Namens de Nationale Ombudsman zijn [naam 1], directeur, en [naam 2] (HR adviseur) verschenen, bijgestaan door mr. Buiting. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting op hun standpunten naar voren hebben gebracht. Deze aantekeningen bevinden zich in het griffiedossier. Ter zitting is afgesproken dat de zaak zou worden aangehouden om in onderling overleg een deskundige te raadplegen.
1.3.
Daarna zijn de volgende stukken overgelegd:
  • een brief van [verzoekster] van 2 september met bijlagen 1 tot en met 4;
  • een nadere reactie van de Nationale Ombudsman van 12 september 2025 met niet genummerde bijlagen;
  • een brief van de Nationale Ombudsman van 30 oktober 2025 met bijlagen.
1.4.
Daarna is de uitspraak bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] is van 1 januari 2019 tot 1 februari 2025 bij de Nationale Ombudsman werkzaam geweest. De Nationale Ombudsman is een zelfstandig onderdeel van de Staat der Nederlanden. [verzoekster] is sinds 2006 werkzaam bij de Rijksoverheid. De Cao Rijk is op haar dienstverband van toepassing.
2.2.
[verzoekster] is op 7 maart 2022 ziek geworden en heeft daarna niet meer gewerkt. Bij besluit van 9 april 2024 is haar een WIA-uitkering toegekend met terugwerkende kracht tot 24 februari 2024. [verzoekster] is door het UWV voor 80-100% arbeidsongeschikt beoordeeld.
2.3.
Na het besluit van het UWV heeft de Nationale Ombudsman een ontslagvergunning voor [verzoekster] aangevraagd bij het UWV. Die is niet verleend. Daarna heeft de Nationale Ombudsman een ontbindingsverzoek ingediend vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. Dat is afgewezen maar het door [verzoekster] als tegenverzoek ingediende ontbindingsverzoek is wel toegewezen en de arbeidsovereenkomst is bij beschikking van 10 december 2024 ontbonden met ingang van 1 februari 2025. Tevens is de Nationale Ombudsman veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding, niet opgenomen verlofuren en IKB en tot het verstrekken van salarisspecificaties, eindafrekening, jaaropgaven en uitkerings- en pensioenopgaven.
2.4.
In februari 2025 heeft de Nationale Ombudsman een herberekening gemaakt ter zake
van de AAOP-uitkering (Arbeidsongeschiktheidspensioenuitkering betaald door het ABP) van € 13.187,03 en heeft [verzoekster] een bedrag van € 20.474,08 netto uitbetaald. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat de Nationale Ombudsman de AAOP-uitkering ten onrechte in mindering heeft gebracht. Partijen hebben hierover gecorrespondeerd.
2.5.
In art. 8.2 van de Cao Rijk is het volgende bepaald:
§ 8.2 Maandinkomen bij ziekte tijdens dienstverband
Algemeen
Vanaf de eerste dag dat u arbeidsongeschikt bent, betaalt uw werkgever uw maandinkomen gedurende 52 weken volledig door. Daarna betaalt uw werkgever 70% van uw maandinkomen, ook als u na 104 weken nog in dienst bent. Vanaf het moment dat uw werkgever u 70% van uw maandinkomen uitbetaalt bedraagt uw IKB-budget 19,93% van uw tot 70% verlaagde salaris. Als u recht heeft op een ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen- uitkering (AAOP) wordt de hoogte van deze uitkering na 104 weken arbeidsongeschiktheid in mindering gebracht op uw maandinkomen. Als u tijdens uw arbeidsongeschiktheid vakantie-uren of IKB-uren opneemt, ontvangt u tijdens uw (vakantie)verlof altijd uw volledige maandinkomen.
Bij het bepalen van de periode van 52 en 104 weken, worden de wettelijke regels voor het optellen van meerdere perioden van arbeidsongeschiktheid toegepast.
Bent u langer dan 52 weken arbeidsongeschikt, maar verricht u over een bepaald aantal uren passend werk, dan heeft u na afloop van de 52 weken over die uren recht op volledige doorbetaling van uw maandinkomen. Dat geldt ook als u passend werk zou hebben kunnen verrichten, maar uw werkgever u dat niet heeft aangeboden.
Als u binnen 104 weken een functie accepteert waardoor uw nieuwe maandinkomen lager wordt dan uw oorspronkelijke maandinkomen, dan stopt de volledige doorbetaling van uw maandinkomen maar krijgt u tot en met de 104de week een aanvulling op uw nieuwe maandinkomen. De hoogte van die aanvulling wordt bepaald door het verschil tussen uw oude en uw nieuwe maandinkomen.
Als de vraag of u arbeidsongeschikt bent wordt voorgelegd aan UWV, dan zal uw (voormalige) werkgever het deskundigenoordeel volgen. Als het deskundigenoordeel in uw voordeel uitvalt zal uw (voormalige) werkgever uw eventueel niet uitbetaalde maandinkomen alsnog betalen.

3.Het verzoek

3.1.
[verzoekster] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van de Nationale Ombudsman tot:
betaling aan [verzoekster] van de resterende transitievergoeding van € 19.290,17 bruto vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 februari 2025;
betaling aan [verzoekster] van het resterende salaris van € 2.178,109 bruto vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 februari 2025;
betaling aan [verzoekster] van 86 niet-opgenomen verlofuren van € 3.925,04 bruto vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 februari 2025;
het verstrekken van deugdelijke inkomensspecificaties;
aan de onder 1 tot 4 gevorderde veroordelingen een dwangsom te verbinden.
3.2.
Aan dit verzoek legt [verzoekster] het volgende ten grondslag. De Nationale Ombudsman heeft de beschikking van de rechtbank van 10 december 2024 niet nageleefd.
3.2.1.
De Nationale Ombudsman heeft de transitievergoeding berekend op € 43.902,04 bruto maar geen deugdelijke berekening overgelegd zodat dit bedrag niet controleerbaar is.
Bovendien heeft de Nationale Ombudsman daarop zonder toelichting een bedrag van € 13.187,03 bruto in mindering gebracht waardoor de betaalde transitievergoeding slechts € 15.691,98 netto bedraagt. Anders dan de Nationale Ombudsman stelt dient het AAOP niet te worden verrekend. Het AAOP is bedoeld als aanvullend inkomen om het inkomensverlies van ongeveer 30% bij ziekte zoveel mogelijk te compenseren. [verzoekster] heeft hier 18,5 premies voor afgedragen.
3.2.2.
De Nationale Ombudsman heeft ten onrechte een deel met 2025 verrekend. [verzoekster] ontving in 2024 € 12.019,- bruto aan AAOP. In januari 2025 ontving zij € 1.196,20 bruto AAOP, in totaal dus € 13.215,20 bruto. Dit bedrag komt niet terug op de eindafrekening.
3.2.3.
Van 24 februari 2024 tot en met 31 januari 2025 heeft [verzoekster] € 46.261,551 bruto ontvangen, zijnde 70% van het basisloon. Zij heeft echter € 45.505,70 bruto van het UWV ontvangen. De Nationale Ombudsman heeft € 48.439,66 bruto in mindering gebracht. Daarom heeft [verzoekster] nog € 2.178,109 bruto tegoed.
3.2.4.
[verzoekster] had volgens P-Direct een saldo van 341 verlofuren bestaande uit 242 vakantie uren, 20 uur IKB spaarverlof en 79 IKB uren. Daarvan is 86 uur niet uitbetaald. Dit vertegenwoordigt een waarde van € 3.925,04 bruto.

4.Het verweer

4.1.
De Nationale Ombudsman voert verweer en stelt dat de verzoeken moeten worden afgewezen.
4.1.1.
Op grond van art. 8.2 Cao Rijk wordt de ABP Arbeidsongeschiktheidspensioen-uitkering (AAOP) na 104 weken arbeidsongeschiktheid in mindering gebracht op het maandinkomen. Op basis van de bekende gegevens heeft de Nationale Ombudsman een herberekening laten uitvoeren waaruit blijkt dat een bedrag van € 13.187,03 in mindering gebracht had moeten worden. Dit bedrag is alsnog verrekend bij de eindafrekening. De Nationale Ombudsman heeft aan [verzoekster] aangeboden dat de door de Nationale Ombudsman ingeschakelde financieel specialist haar een toelichting op de gemaakte berekening geeft. [verzoekster] heeft van dat aanbod geen gebruik gemaakt.
4.1.2.
De Nationale Ombudsman heeft de transitievergoeding correct berekend over de periode waarin [verzoekster] bij de Rijksoverheid in dienst is geweest, namelijk van 1 augustus 2006 tot 1 februari 2025 en heeft toegelicht hoe zij tot het bedrag is gekomen.
4.1.3.
De Nationale Ombudsman betwist dat [verzoekster] nog 86 verlofuren heeft. In P-Direct stond op 31 januari 2025 een verlofsaldo van 263 uren. Die zijn uitbetaald.

5.De beoordeling

Berekening transitievergoeding
5.1.
[verzoekster] heeft na de indiening van het verzoekschrift een berekening van de transitievergoeding van de Nationale Ombudsman ontvangen. Zij heeft ter zitting erkend dat het berekende bedrag juist is. Dit onderdeel behoeft dus geen verdere bespreking. Voor zover het verzoek van [verzoekster] hierop is gebaseerd zal dit worden afgewezen.
Verrekening WIA
5.2.
[verzoekster] heeft bij besluit van het UWV van 9 april 2024 een WIA-uitkering gekregen die inging op 24 februari 2024. Omdat de Nationale Ombudsman, anders dan de meeste overheidsonderdelen, geen eigenrisicodrager is, heeft UWV de uitkering niet aan de Nationale Ombudsman betaald maar rechtstreeks aan [verzoekster]. [verzoekster] kreeg over de periode van 24 februari 2024 tot 31 januari 2025 dus zowel salaris als WIA-uitkering. Dat betekende dat de WIA-uitkering alsnog verrekend moest worden.
5.3.
Vaststaat dat de Nationale Ombudsman over die periode een totaalbedrag van € 48.439,66 op het salaris in mindering heeft gebracht. Uit het door [verzoekster] overgelegde overzicht blijkt dat zij over die periode in totaal € 45.505,70 aan WIA heeft ontvangen (productie BFK003a aanvullend verzoekschrift). Omdat de productie kort voor de zitting in het geding is gebracht had de Nationale Ombudsman voldoende gelegenheid om erop te reageren. Afgesproken is dat de Nationale Ombudsman dat alsnog zou doen. Partijen hebben de vraag of [verzoekster] nog € 2.178,11 tegoed heeft omdat teveel WIA in mindering is gebracht na de zitting voorgelegd aan een deskundige. Die heeft de vraag niet beantwoord omdat er geen onderbouwing van het bedrag is gegeven. Wel heeft de deskundige vastgesteld dat er € 48.439,66 is verrekend. De kantonrechter leidt uit het antwoord van de deskundige af dat deze het door [verzoekster] overgelegde overzicht van de WIA-betalingen kennelijk niet heeft gekregen. De kantonrechter stelt vast dat de Nationale Ombudsman de stelling van [verzoekster] dat de Nationale Ombudsman in elk geval € 2.178,11 teveel in mindering heeft gebracht niet gemotiveerd heeft weersproken. De kantonrechter zal dit bedrag daarom toewijzen vermeerderd met wettelijke rente zoals verzocht. [verzoekster] verzoekt om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden. Dit is niet toewijsbaar omdat een dwangsom niet kan worden opgelegd in geval van veroordeling tot betaling van een geldsom (art 611a lid 1, tweede volzin, Rv).
Verrekening AAOP
5.4.
Partijen verschillen van mening over de vraag of de Nationale Ombudsman het bedrag dat het ABP aan [verzoekster] heeft betaald als AAOP-uitkering in mindering mocht brengen op de eindafrekening. De Nationale Ombudsman is van mening dat uit art. 8.2 Cao Rijk volgt dat zij verplicht was om de AAOP op het salaris in mindering te brengen. Omdat [verzoekster] geen informatie had verstrekt over de AAOP was dat nog niet gebeurd en moest dat dus alsnog bij de eindafrekening. [verzoekster] is het daarmee niet eens. Volgens haar volgt uit art. 8.2 Cao Rijk dat zij ook na 104 arbeidsongeschiktheid recht bleef houden op de AAOP omdat zij 10 uur arbeidsgeschikt was, bereid was om werkzaamheden te verricht maar de Nationale Ombudsman haar niet heeft ingezet. Dat zij recht op AAOP heeft volgt volgens haar ook uit het karakter van de AAOP, namelijk dat het inkomen wordt aangevuld tot 100%.
5.5.
Ter zitting hebben partijen afgesproken dat zij de vraag of de AAOP verrekend mag worden zouden voorleggen aan een deskundige. Dat hebben zij gedaan. De deskundige heeft de door de Nationale Ombudsman bepleite uitleg en de juistheid van het in mindering gebrachte bedrag van bevestigd.
5.6.
[verzoekster] stelt in haar nadere reactie dat uit de derde alinea van art. 8.2 Cao Rijk voortvloeit dat het AAOP niet in mindering kan worden gebracht. De kantonrechter kan [verzoekster] daarin niet volgen. De derde alinea heeft betrekking op het tweede ziektejaar en dus op de periode tussen 52 en 104 weken arbeidsongeschiktheid. De situatie in het derde ziektejaar wordt omschreven in de eerste alinea van art. 8.2 Cao Rijk. Daaruit volgt dat de AAOP-uitkering na 104 weken arbeidsongeschiktheid op het maandinkomen in mindering wordt gebracht. Dat wordt ook bevestigd door de deskundige. De derde alinea is dus niet van toepassing zodat de vraag of [verzoekster] in het derde ziektejaar passend werk had kunnen verrichten niet beantwoord hoeft te worden.
5.7.
De conclusie is dan ook dat de Nationale Ombudsman nog een bedrag van € 13.187,03 bruto moest verrekenen en dit bedrag daarom terecht in de eindafrekening heeft meegenomen. Het verzoek van [verzoekster] tot terugbetaling van dit bedrag is dan ook niet toewijsbaar.
Vakantiedagen
5.8.
[verzoekster] stelt dat zij op de ontbindingsdatum aanspraak had op 341 niet opgenomen vakantie-uren. Zij verwijst naar een uitdraai uit P-direct. De Nationale Ombudsman heeft een overzicht uit P-direct van 31 januari 2025 waarin 263 niet opgenomen verlofuren zijn vermeld. Het verschil van 86 uur wordt veroorzaakt doordat de uren volgens P-direct op 31 december 2024 kwamen te vervallen.
5.9.
Art. 7:640a BW bepaalt dat de aanspraak op het minimum, bedoeld in art. 7:634 BW, vervalt zes maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is verworven, tenzij de werknemer tot aan dat tijdstip redelijkerwijs niet in staat is geweest vakantie op te nemen. Onder bijzondere omstandigheden kan worden geoordeeld dat deze korte vervaltermijn niet van toepassing is. Hiervan kan sprake zijn als een langdurig zieke werknemer die geen re-integratieverplichtingen zijn opgelegd, niet is staat is om minimum vakantie op te nemen. De bewijslast van de stelling dat de werknemer redelijkerwijs niet in staat is om verlof op te nemen rust op de werknemer. [1] Aangezien [verzoekster] naar eigen zeggen 10 uur betaald werk per week kon verrichten lijkt deze uitzondering niet aan de orde.
5.10.
Uit jurisprudentie van het Europese Hof volgt echter dat het weliswaar de verantwoordelijkheid is van de werknemer om zijn vakantiedagen tijdig op te nemen, maar dat de werkgever er concreet en in alle transparantie voor moet zorgen dat de werknemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon op te nemen en hem er zo nodig formeel toe moet aanzetten dat te doen. Ook moet hij de werknemer tijdig en op duidelijke wijze informeren over het mogelijk verval van de dagen. De werkgever draagt de bewijslast van de stelling dat hij aan die verplichting heeft voldaan. Indien de werkgever die verplichting niet is nagekomen komt hem geen beroep op de vervaltermijn toe. [2]
5.11.
De Nationale Ombudsman stelt dat aan deze verplichting is voldaan aangezien de vervaldata in P-direct zijn vermeld. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet voldoende is. Weliswaar had [verzoekster] in P-direct kunnen zien dat de uren op 31 december 2024 zouden vervallen, maar in het onderhavige geval, waarbij sprake is van een langdurig zieke medewerkster, is dat niet voldoende om aan de zorg- en informatieplicht te voldoen. Nog daargelaten dat aangenomen kan worden dat een arbeidsongeschikt werknemer P-direct wellicht minder frequent zal raadplegen als arbeidsgeschikte werknemers, is niet gesteld of gebleken dat de Nationale Ombudsman [verzoekster] formeel of informeel heeft aangezet om vakantie op te nemen hetgeen eveneens een verplichting van de werkgever is. Van verval van de vakantiedagen kan dan ook geen sprake zijn.
5.12.
De Nationale Ombudsman heeft niet betwist dat de waarde van het resterende vakantietegoed van 86 uur € 3.924,04 bruto bedraagt. Dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente zoals verzocht. De verzochte dwangsom hierover is niet toewijsbaar (zie onder 5.3).
Salarisspecificatie
5.13.
De Nationale Ombudsman dient [verzoekster] een aanvullende salarisspecificatie te verstrekken ten aanzien van de betalingen waartoe zij wordt veroordeeld, binnen 4 weken na deze beschikking. De kantonrechter gaat ervan uit dat de Nationale Ombudsman vrijwillig aan deze veroordeling zal voldoen en ziet geen aanleiding voor het verbinden van een dwangsom hieraan. Die wordt dus afgewezen.
Proceskosten
5.14.
Omdat beide partijen deels in het (on)gelijk zijn gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
veroordeelt de Nationale Ombudsman tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 2.178,11 bruto ter zake van teveel ingehouden WIA, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
6.2.
veroordeelt de Nationale Ombudsman tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 3.924,04 bruto ter zake van niet-opgenomen vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 februari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
6.3.
veroordeelt de Nationale Ombudsman om binnen vier weken na heden van de hiervoor genoemde betalingen een salarisspecificatie aan [verzoekster] te verstrekken;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
compenseert de proceskosten in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt;
6.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. D. Jongsma en uitgesproken ter openbare zitting van 18 december 2025.

Voetnoten

2.HvJ EU, 6 november 2018, C-684/16, ECLI:EU:C:2018:338