AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens zicht op uitzetting naar Algerije ongegrond verklaard
Eiser is in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Hij betoogde dat een lichter middel, zoals meldplicht, had moeten worden toegepast omdat er geen concreet vluchtgevaar zou zijn en dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt.
De rechtbank oordeelt dat verweerder zich voldoende heeft gemotiveerd en dat de omstandigheden van eiser, waaronder eerdere bewaringen, het ontbreken van identiteitsbewijs, onderduiken, gebruik van aliassen en gebrek aan vaste verblijfplaats, rechtvaardigen dat niet met een lichter middel is volstaan. Ook het feit dat eiser verklaarde terug te willen keren naar Algerije weegt niet anders.
Ten aanzien van het zicht op uitzetting stelt de rechtbank vast dat sinds december 2023 in algemene zin zicht op uitzetting naar Algerije binnen redelijke termijn wordt aangenomen. De lopende aanvraag van een laissez-passer voor eiser is nog in behandeling en er is geen aanwijzing dat Algerijnse autoriteiten niet zullen meewerken. Eiser wordt geacht actief mee te werken aan zijn uitzetting.
De rechtbank heeft ambtshalve de rechtmatigheid van de maatregel getoetst, waaronder het beginsel van non-refoulement en het belang van familie- en gezinsleven, en ziet geen belemmeringen voor verwijdering. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59106
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
Bij besluit van 5 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Lichter middel
1. Eiser betoogt dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht, omdat er geen sprake is van een concreet vluchtgevaar. Daartoe voert eiser aan dat hij een tante heeft die in Zwolle woont en dat hij heeft verklaard terug te willen keren naar Algerije.
2. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De rechtbank verwijst daarbij in eerste instantie naar de door eiser niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. De enkele, niet-onderbouwde stelling van eiser dat hij een tante in Nederland heeft leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwijst in dit kader naar het feit dat eiser al drie keer eerder in vreemdelingenbewaring is gesteld, niet beschikt over een identiteitsbewijs, meerdere malen is ondergedoken, gebruikmaakt van aliassen, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ook dat eiser heeft verklaard graag terug te willen naar Algerije maakt niet dat met een lichter middel moest worden volstaan, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden waaruit zijn eerdere niet-meewerkende houding blijkt. De beroepsgrond dat een lichter middel moest worden toegepast, slaagt gezien het voorgaande niet.
Zicht op uitzetting
3. Eiser voert daarnaast aan dat het zicht op uitzetting naar Algerije in het geval van eiser ontbreekt. Daartoe voert eiser aan dat er in 2025 meerdere malen schriftelijk is gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, maar dat dit niet tot de afgifte van een laissez-passer (lp) heeft geleid. De praktijk wijst uit dat wanneer de Algerijnse autoriteiten niet binnen twee of drie maanden reageren, zij dit helemaal niet meer zullen doen, aldus eiser.
4. De rechtbank stelt voorop dat (sinds december 2023) in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije wordt aangenomen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892), 15 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2842) en 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722). De rechtbank ziet ook ten aanzien van eiser persoonlijk geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De op 4 september 2024 voor eiser ingediende lp-aanvraag is nog (steeds) in behandeling bij de Algerijnse autoriteiten. Het is de rechtbank niet gebleken dat de Algerijnse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat zij ten behoeve van eiser geen lp zullen afgeven of dat zij niet (meer) willen meewerken aan de terugkeerprocedure. De stelling dat de ervaring leert dat de Algerijnse autoriteiten dit na zo veel tijd ook niet meer zullen doen, is niet onderbouwd en is de rechtbank verder ook niet gebleken. Ook weegt de rechtbank hierbij mee dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en lp-traject. Hoewel eiser verklaart mee te willen werken aan zijn terugkeer, kan van eiser meer worden verwacht om zijn uitzetting te bevorderen, bijvoorbeeld door inspanningen te verrichten om een paspoort of een ander identificerend document te verkrijgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.