ECLI:NL:RBDHA:2025:24852
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens ontbreken geldige machtiging tot voorlopig verblijf
Eiser, een Turkse staatsburger, diende op 28 juli 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige. Deze aanvraag werd afgewezen door verweerder omdat eiser niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en geen bijzondere individuele omstandigheden had aangevoerd die vrijstelling van het mvv-vereiste konden rechtvaardigen.
Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen, dat verweerder in strijd met de goede procesorde had gehandeld door hem niet te horen en dat het mvv-vereiste niet op hem van toepassing zou zijn vanwege het Aanvullend Protocol bij het Associatieverdrag tussen de Europese Gemeenschap en Turkije. Tevens stelde hij dat de toepassing van het mvv-vereiste onevenredig hard was.
De rechtbank oordeelde dat het mvv-vereiste terecht op eiser van toepassing is, mede vanwege de herinvoering per 1 oktober 2022. Het bestreden besluit is niet in strijd met het Associatieverdrag of het Aanvullend Protocol. Verweerder mocht erop vertrouwen dat eiser geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die vrijstelling rechtvaardigen en hoefde eiser niet te horen omdat het bezwaar geen andere uitkomst kon hebben.
Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 17 december 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.