ECLI:NL:RVS:2025:2935
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- B. Meijer
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Toepassing mvv-vereiste bij Turkse zelfstandige vreemdelingen in strijd met associatierecht niet onrechtmatig
Betrokkene, een Turkse onderdaan, vroeg een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan voor zelfstandige arbeid. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet voldoen aan vrijstellingsgronden uit het associatierecht. De rechtbank verklaarde de afwijzing onrechtmatig wegens gebrek aan wettelijke basis voor het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond bij Turkse zelfstandigen.
De minister stelde hoger beroep in en voerde aan dat artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 beoordelingsruimte biedt voor individuele toetsing en dat het beleid in paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 een wettelijke grondslag heeft. De Afdeling oordeelde dat de minister terecht het mvv-vereiste toepast, dat het beleid niet in strijd is met de Awb en dat de rechtbank dit ten onrechte niet had erkend.
Betrokkene voerde aan dat het mvv-vereiste niet gerechtvaardigd is, onder meer vanwege het arrest Yön, discriminatieverboden en schending van de hoorplicht. De Afdeling verwierp deze bezwaren, oordeelde dat het mvv-vereiste een dwingende reden van algemeen belang dient, geschikt en proportioneel is, en dat betrokkene geen bijzondere individuele omstandigheden had aangevoerd die vrijstelling rechtvaardigen.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene werd eveneens ongegrond verklaard. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee het besluit van de minister tot afwijzing van de aanvraag in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van zijn aanvraag wegens het ontbreken van een geldige mvv blijft in stand.