Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:24853

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
NL25.50203
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na vertrek met onbekende bestemming

Eiser diende op 26 september 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Minister van Asiel en Migratie verklaarde deze aanvraag op 13 oktober 2025 niet-ontvankelijk. Eiser ging hiertegen in beroep bij de rechtbank Den Haag.

De rechtbank stelde vast dat eiser op 28 november 2025 de opvang met onbekende bestemming had verlaten en sindsdien geen contact meer had met zijn gemachtigde. Dit leidde tot de vraag of eiser nog procesbelang had bij de behandeling van zijn beroep. Volgens vaste rechtspraak ontbreekt procesbelang wanneer een vreemdeling zonder nadere mededeling vertrekt en geen contact onderhoudt, omdat dan geen prijs meer wordt gesteld op bescherming.

De rechtbank concludeerde dat eiser geen procesbelang meer had en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 17 december 2025. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na verzending van het vonnis.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50203

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S. Oukil),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. F. in den Bosch).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 26 september 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Op 3 december 2025 heeft de rechtbank, met instemming van de partijen, het onderzoek gesloten zonder dat een zitting plaatsvindt.
1.3.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep. In beginsel moet ervan worden uitgegaan dat een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd en met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Op basis van een dergelijke melding mag een beroep dus niet-ontvankelijk verklaard worden vanwege gebrek aan belang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus kan worden aangenomen dat hij nog prijs stelt op bescherming in Nederland. [1]
2.1.
Eiser heeft op 28 november 2025 de opvang met onbekende bestemming verlaten. Op 1 december 2025 heeft eisers gemachtigde desgevraagd aangegeven dat zij geen contact meer heeft met hem. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij de behandeling van zijn beroep.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is niet-ontvankelijk.
4. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.