ECLI:NL:RBDHA:2025:24938

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
C/09/690960
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om inzage in persoonsgegevens en rectificatie van beoordelingsformulier op basis van de AVG

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoekschrift van [verzoeker] tegen Interparking Nederland B.V. Het verzoek betreft inzage in persoonsgegevens op basis van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en een verzoek tot rectificatie van een beoordelingsformulier op basis van artikel 16 AVG. [Verzoeker] stelt dat hij niet alle verwerkte persoonsgegevens heeft ontvangen en dat het beoordelingsformulier feitelijk onjuiste informatie bevat. De rechtbank heeft vastgesteld dat Interparking al een deel van de verwerkte persoonsgegevens heeft verstrekt, maar dat er nog een e-mail met persoonsgegevens over de afloop van het arbeidscontract van [verzoeker] moet worden verstrekt. De rechtbank heeft het verzoek tot rectificatie van het beoordelingsformulier afgewezen, omdat het gaat om een professionele beoordeling en niet om feitelijk onjuiste gegevens. De rechtbank heeft Interparking opgedragen om de ontbrekende e-mail uiterlijk op 8 januari 2026 te verstrekken, waarna [verzoeker] de mogelijkheid heeft om hierop te reageren.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/09/690960 / HA RK 25-462
Beschikking van 18 december 2025
in de zaak van
[verzoeker], te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. S.W. Hu, te Den Haag,
tegen
INTERPARKING NEDERLAND B.V., te Rotterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: Interparking,
advocaten: mr. M. Elshof en mr. J.M. Louter, te Den Haag.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- het op 28 augustus 2025 ingekomen verzoekschrift van [verzoeker] , met producties 1 tot en met 3;
- de op 22 oktober 2025 (via e-mail) ontvangen brief namens [verzoeker] , met productie 4 (audiobestand) en productie 5;
- het op 24 oktober 2025 ontvangen verweerschrift van Interparking, met producties 1 en 2;
- de spreekaantekening van de advocaten van partijen, overhandigd op de mondelinge behandeling van 6 november 2025;
- de mondelinge behandeling van 6 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De datum voor beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Interparking beheert en exploiteert meerdere parkeervoorzieningen in Nederland, waaronder parkeergarages in het stadshart van Zoetermeer en parkeergarages in de regio Den Haag en Rotterdam.
2.2.
[verzoeker] is op 15 november 2023 in dienst getreden bij Interparking als servicemedewerker op locatie [locatie 1] , op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 30 juni 2024. Deze arbeidsovereenkomst is per 1 juli 2024 verlengd tot 30 juni 2025.
2.3.
Tijdens zijn dienstverband in [plaats] heeft [verzoeker] bij de locatiemanager Zuidwest, [naam 1] (hierna: ‘ [naam 1] ’) en meewerkend voorman [naam 2] (hierna: ‘ [naam 2] ’), aangekaart dat er onderhoudsachterstanden op de locatie [locatie 1] ontstonden doordat een collega van [verzoeker] zijn werk niet deed.
2.4.
Op verzoek van Interparking is [verzoeker] per 1 september 2024 voortaan gaan werken op de locatie Interparking [locatie 2] . De arbeidsduur van [verzoeker] is op zijn verzoek per 1 september 2024 aangepast van 24 uur per week naar 8 uur per week.
2.5.
Op 16 augustus 2024 vond een evaluatie- en voortgangsgesprek plaats van [verzoeker] met [naam 1] en de regiomanager Zuidwest, [naam 3] (hierna: ‘ [naam 3] ’). De evaluatie was overwegend positief. In het evaluatieformulier van dit gesprek (hierna te noemen: ‘het beoordelingsformulier’) is onder het kopje ‘samenwerken’ opgenomen:
“Het samen werken gaat niet altijd even makkelijk jij wil graag dat andere net zo werken als jij. Dit is een mooi streven maar niet altijd haalbaar. Als het niet gaat zoals jij zou willen bespreek dit met je leidinggevende, die pakt het dan verder op.”
En onder het kopje ‘ontwikkelpunten’ is onder meer opgenomen:
“Probeer je iets minder te storen aan je collega’s die hun werk anders doen dan jij zou willen.”
2.6.
Op 28 mei 2025 heeft [naam 4] (hierna: ‘ [naam 4] ’), die op dat moment fungeerde als locatiemanager in [plaats] , [verzoeker] telefonisch geïnformeerd dat zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst na 30 juni 2025 niet zou worden verlengd, met als reden onzekerheid over de voortzetting van het beheer van de parkeergarage [plaats] vanwege de verkoop van het [locatie 1] (met de parkeergarage) aan een nieuwe eigenaar.
2.7.
De beëindiging van de arbeidsovereenkomst is op 28 mei 2025 schriftelijk bevestigd door mw. [naam 5] , medewerkster van de HR-afdeling van Interparking (hierna: ‘ [naam 5] ’). Hierna hebben [verzoeker] en [naam 5] nog enige tijd via e-mail en op andere wijze met elkaar gesproken, waarbij [verzoeker] onder meer heeft gevraagd of er nog mogelijkheden waren om elders binnen Interparking te werken. Naar aanleiding hiervan heeft [naam 5] per e-mail van 6 juni 2025 aan [verzoeker] bericht dat Interparking nog met [naam 3] heeft overlegd of er ruimte zou zijn voor overplaatsing van [verzoeker] naar Den Haag, maar dat er helaas geen overplaatsingsmogelijkheden bleken te zijn.
2.8.
Op 26 juni 2025 heeft [verzoeker] op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) inzage in zijn volledige personeelsdossier verzocht. Interparking heeft daarop op 18 juli 2025 via een beveiligde link een zip-bestand verstrekt met het personeelsdossier. In het begeleidende e-mailbericht schrijft Interparking onder meer:
“We willen je informeren over het feit dat alle documenten die wij moeten aanleveren uit jouw dossier hierin zijn opgenomen. Communicatie welke met jou is gedeeld d.m.v. mailgroepen zijn niet opgenomen. Wij zijn als werkgever niet gerechtigd om andere gegevens, zoals meningen, verklaringen of persoonlijke aantekeningen van iemand anders alsmede een professionele analyse van jouw persoonsgegevens, zoal aangegeven door de Autoriteit Persoonsgegevens te delen en behouden ons deze rechten voor.”
2.9.
Op 13 augustus 2025 heeft [verzoeker] via zijn advocaat nogmaals verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens. Ook is verzocht om een rectificatie van het beoordelingsformulier.
2.10.
Na een aanvullende interne zoekslag heeft Interparking op 25 augustus 2025 aanvullende documenten met persoonsgegevens van [verzoeker] verstrekt. De verzochte rectificatie van het beoordelingsformulier is geweigerd.
2.11.
[verzoeker] heeft daarop op 28 augustus 2025 een verzoekschrift op basis van artikel 35 Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) ingediend.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad Interparking veroordeelt om:
i. binnen drie weken na deze beschikking een kopie te verstrekken van door Interparking verwerkte persoonsgegevens van [verzoeker] samen met de informatie zoals bedoeld in artikel 15, lid 1 sub a tot en met d, AVG ten aanzien van:
- de interne correspondentie (zoals e-mail, MMS, Oneteam en whatsapp/signal), verslagen, aantekeningen, notities, verklaringen en professionele analyses met betrekking tot [verzoeker] ;
- systeem verslag van alle AFAS-mutaties met betrekking tot [verzoeker] en de metadata van voornoemde persoonsgegevens, waaronder de herkomst, het moment van verzending, vastlegging en afdruk van deze informatie, ongeacht of deze zich bevindt bij Interparking zelf of bij een subverwerker of een verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 26 AVG;
binnen één week na deze beschikking aan [verzoeker] schriftelijk te bevestigen dat het beoordelingsformulier overeenkomstig randnummer 4 van het verzoekschrift is gerectificeerd;
in beide gevallen (zowel voor het bevel onder i als het bevel onder ii) onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag (een deel van een dag daaronder begrepen), dat niet of niet geheel aan het bevel wordt voldaan, met (zowel voor i als voor ii) een maximum € 5.000,-, en met veroordeling van Interparking in de proceskosten.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. Op grond van artikel 15 AVG heeft [verzoeker] recht om van Interparking inzage te krijgen in al zijn verwerkte persoonsgegevens. Dit kan ertoe leiden dat kopieën van volledige documenten moeten worden verstrekt, als dit voor [verzoeker] noodzakelijk is om hem in staat te stellen zijn op grond van de AVG toekomende rechten uit te oefenen. [verzoeker] stelt dat nog niet alle door Interparking verwerkte persoonsgegevens zijn verstrekt. Het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] hangt volgens hem niet samen met bedrijfseconomische redenen, maar met de klachten van [verzoeker] aan en over het locatie- en regiomanagement, in verband met het (niet) oppakken van de melding van [verzoeker] over het niet functioneren van zijn collega in [plaats] . Er moet nog communicatie zijn over de afhandeling van die melding, het is niet geloofwaardig dat hier geen ‘paper trail’ van is, al was het maar voor de interne verantwoording van gevoerd beleid. Verder moet er nog informatie zijn met betrekking tot de melding van het aflopen van het contract van [verzoeker] .
Daarnaast verzoekt [verzoeker] dat op grond van artikel 16 AVG onjuiste feitelijke informatie in het beoordelingsformulier wordt gecorrigeerd. Het gaat dan niet om de beoordeling maar om de feitelijke grondslag van die beoordeling. Het is namelijk – anders dan in het formulier staat – niet zo dat [verzoeker] eist dat anderen net zo dienen te werken als hij; hij verwacht wél dat zij werken als zij dienen te werken. Ook is [verzoeker] het niet eens met het ontwikkelpunt. Het probleem ligt niet bij hem als hij het niet-functioneren van een collega aankaart, maar dient bij die collega te liggen. De constatering die verzoeker heeft gedaan, betreft bovendien een collega in enkelvoud en niet in meervoud en heeft verder niets te maken met een subjectieve waardering van het uitgevoerde werk maar met de objectieve constatering van de afwezigheid daarvan, aldus, telkens en zakelijk weergegeven, [verzoeker] .
3.3.
Interparking verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken. Interparking voert daartoe aan dat Interparking al volledige inzage heeft gegeven in alle persoonsgegevens die zij van [verzoeker] heeft verwerkt. Het rectificatieverzoek moet worden afgewezen, omdat het beoordelingsformulier geen feitelijke onjuiste persoonsgegevens bevat, maar een professionele beoordeling betreft. Rectificatie van meningen of conclusies is niet mogelijk onder artikel 16 AVG, aldus Interparking.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, indien nodig, verder ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[verzoeker] doet een beroep op het inzagerecht van artikel 15 van de AVG. Dit recht ziet op inzage door een betrokkene van gegevens over zijn persoon die worden verwerkt, met het doel kennis te kunnen nemen van deze persoonsgegevens en om deze persoonsgegevens te kunnen controleren op de juistheid en de rechtmatige verwerking ervan. Artikel 15 lid 3 AVG voorziet in een recht van de betrokkene om een kopie te verkrijgen van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Deze verplichting houdt in dat een getrouwe en begrijpelijke reproductie moet worden verstrekt van de persoonsgegevens die van de betrokkene worden verwerkt. Dit kan onder omstandigheden meebrengen dat onderdelen van documenten of zelfs volledige documenten moeten worden verstrekt, als dat noodzakelijk is om de betrokkene in staat te stellen zijn AVG rechten daadwerkelijk uit te oefenen. Daarbij moet (uiteraard) rekening worden gehouden met de rechten en vrijheden van anderen. [1]
4.2.
Een kerngeschilpunt tussen partijen betreft de vraag of Interparking inmiddels al alle verwerkte persoonsgegevens aan [verzoeker] heeft verstrekt, of dat er meer gegevens zijn die nog niet zijn verstrekt. Volgens vaste rechtspraak geldt in een dergelijk geval het uitgangspunt dat, wanneer een verwerkingsverantwoordelijke meedeelt dat na onderzoek is gebleken dat er niet meer persoonsgegevens zijn dan de gevraagde gegevens die zijn verstrekt én die mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan de betrokkene is om aannemelijk te maken dat er meer persoonsgegevens moeten zijn. [2]
Metadata AFAS-overzicht
4.3.
Interparking heeft een overzicht uit AFAS aan [verzoeker] verstrekt (productie 1.3 bij het verweerschrift). [verzoeker] stelt dat het een handmatig opgesteld word-bestand betreft. Dat leidt hij af uit de omstandigheid dat de AFAS-registratie wel op 4 december 2023 om 06:00:44 een automatische herinnering geeft dat de proeftijd van [verzoeker] over 10 dagen afliep, maar geen mutaties bevat van meldingen aan de leidinggevenden (respectievelijk [naam 3] en [naam 4] ) over de afloop van zijn contract, terwijl uit de overgelegde correspondentie met [naam 3] wel blijkt dat hij daarover op 2 april 2024 en 13 mei 2024 meldingen heeft ontvangen. [verzoeker] verzoekt om verstrekking van een volledig dossier-itemoverzicht uit AFAS van zijn personeelsdossier, met de metadata van dit document. Voor zover het AFAS-overzicht een handmatig opgemaakt document is, verzoekt
[verzoeker] ook om inzicht te geven in de metadata daarvan, zoals door wie en wanneer het document is opgesteld en wanneer het is afgedrukt.
4.4.
Volgens Interparking is het overgelegde AFAS-overzicht van het personeelsdossier een directe export uit AFAS en is dit niet bewerkt. Ter zitting heeft Interparking toegelicht dat het klopt dat er vanuit AFAS automatische berichten zijn gegenereerd waarin werd aangegeven dat een arbeidsovereenkomst afliep. Die berichten werden per e-mail gestuurd aan de verantwoordelijke leidinggevende (in dit geval [naam 3] en [naam 4] ) en bevatten de voor- en achternaam van de medewerker wiens contract afliep en diens medewerkersnummer. Het AFAS-signaal (de log) dat is gekoppeld aan deze e-mail bevat geen persoonsgegevens van [verzoeker] . Daarom is die log niet terug te zien in het AFAS-overzicht van het personeelsdossier van [verzoeker] , aldus Interparking.
4.5.
[verzoeker] heeft tegenover deze gemotiveerd toelichting niet onderbouwd dat het AFAS-overzicht handmatig is bewerkt. Evenmin heeft [verzoeker] onderbouwd dat het AFAS-overzicht incompleet is en niet alle relevante metadata bevat: in het overzicht staan immers alle relevante metadata vermeld, zoals het tijdstip van waarop de mutaties in het systeem zijn gedaan, en door welke persoon. Interparking heeft begrijpelijk toegelicht waarom de meldingen over de afloop van het contract niet in dit AFAS-overzicht staan. Het verzoek van [verzoeker] om een compleet overzicht met alle metadata wordt dus afgewezen, dit heeft hij al.
4.6.
[verzoeker] heeft naast het AFAS-overzicht van zijn personeelsdossier ook verzocht om inzage in andere AFAS-onderdelen waar anderen (zoals HR en de verantwoordelijke managers) toegang toe hadden en die persoonsgegevens van [verzoeker] betreffen. Dat er nog zulke AFAS-onderdelen zijn, leidt [verzoeker] af uit de via AFAS gegenereerde e-mails over de aanstaande afloop van zijn contract, die in het AFAS-overzicht van zijn personeelsdossier ontbreken. Hiervoor is al overwogen dat Interparking (onbestreden) heeft toegelicht dat de log in AFAS van die e-mails geen persoonsgegevens van [verzoeker] bevat. Dat geldt echter niet voor de e-mails zelf: zoals blijkt uit de aan [verzoeker] verstrekte e-mail aan [naam 3] van 2 april 2024, staan hierin de persoonsgegevens van [verzoeker] . Er is kennelijk ook in 2025 een soortgelijke e-mail via AFAS aan [naam 4] verzonden. Ook daarin moeten dus persoonsgegevens van [verzoeker] staan. Het is gesteld noch gebleken dat die e-mail al aan [verzoeker] is verstrekt. Op grond van artikel 15 lid 3 AVG heeft [verzoeker] recht om een kopie te krijgen van de persoonsgegevens van hem die door Interparking worden verwerkt. Op grond hiervan heeft [verzoeker] dus recht op een kopie van de verwerking van zijn persoonsgegevens in de via AFAS aan [naam 4] verstuurde e-mail over de aanstaande afloop van zijn contract. Interparking heeft ook niet deugdelijk gemotiveerd waarom [verzoeker] wel recht heeft op een kopie van de e-mail van 2 april 2024 aan [naam 3] , maar niet op een kopie van de soortgelijke e-mail aan [naam 4] van een jaar later. Om verdere (executie)geschillen tussen partijen te voorkomen, zal de rechtbank Interparking op grond van artikel 22 lid 1 Rv opdragen om die e-mail met de persoonsgegevens bij nadere brief aan (de advocaat van) [verzoeker] en de rechtbank te verstrekken. De rechtbank zal dan, na een reactie van [verzoeker] , beslissen of hiermee aan het aan [verzoeker] toekomende inzagerecht is voldaan.
Meldingen over werkethiek collega
4.7.
[verzoeker] verzoekt om inzicht in de persoonsgegevens die van hem zijn verwerkt in verband met de rapportage over de door hem bij [naam 1] en [naam 2] gedane mededelingen betreffende de onderhoudsachterstanden die ontstonden doordat een collega niet werkte tijdens diensttijd. Meer specifiek heeft [verzoeker] het oog op communicatie tussen [naam 1] en [naam 3] of een ander ‘paper trail’ naar aanleiding van het in behandeling nemen van zijn klacht.
4.8.
Volgens Interparking zijn er met betrekking tot de melding geen persoonsgegevens van [verzoeker] verwerkt, anders dan waar Interparking al inzage in heeft gegeven. Er is geen schriftelijk onderzoeksrapport of dossier van de melding opgemaakt. Interparking heeft bij alle betrokkenen nog nagevraagd om de Whatsappgesprekken te overleggen. De Whatsappgesprekken die aan [verzoeker] zijn overlegd, zijn de persoonsgegevens die er zijn. Er is geen schriftelijke communicatie tussen [naam 1] en [naam 3] over de klachten van [verzoeker] , zij hebben dit alleen telefonisch besproken. Ook [naam 2] heeft desgevraagd aan Interparking aangegeven dat hij geen Whatsappgesprekken heeft, aldus Interparking.
4.9.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft Interparking hiermee voldoende gemotiveerd en niet ongeloofwaardig gesteld dat zij na een zorgvuldige interne zoekslag heeft vastgesteld dat er met betrekking tot de melding geen verdere persoonsgegevens van [verzoeker] zijn verwerkt. [verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet klopt en dat er nog wel verwerkte persoonsgegevens zijn.
Melding vervanging werktelefoon
4.10.
[verzoeker] heeft verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens die door Interparking zijn verwerkt in verband met zijn bij HR ingediende klacht over het niet acteren door [naam 1] op herhaalde klachten van [verzoeker] over een kapotte werktelefoon. Interparking heeft in reactie hierop toegelicht dat zij nooit een schriftelijke klacht over deze kwestie heeft ontvangen en dat [naam 5] naar aanleiding van de door [verzoeker] geuite klacht alleen telefonisch met [naam 1] heeft gebeld en haar heeft geadviseerd de telefoon te vervangen. Aldus heeft Interparking gemotiveerd en niet ongeloofwaardig gesteld dat met betrekking tot de klacht over de werktelefoon geen persoonsgegevens van [verzoeker] zijn verwerkt. [verzoeker] heeft hiertegenover niet onderbouwd dat wel sprake is van verwerkte persoonsgegevens.
Uitdiensttreding/verlenging arbeidscontract
4.11.
[verzoeker] stelt dat er interne rapportages moeten zijn over de besluitvorming omtrent de beëindiging van zijn contract en de interne overplaatsingsmogelijkheden, die nog niet met Tasemir zijn gedeeld. Hij verzoekt om volledige inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens hieromtrent.
4.12.
Volgens Interparking zijn alle persoonsgegevens in verband met de besluitvorming rondom de beëindiging van het dienstverband met [verzoeker] gedeeld. Op de mondelinge behandeling waren namens Interparking onder meer mw. [naam 6] , financieel directeur (hierna: ‘ [naam 6] ; ), en mw. [naam 7] , HR Manager (hierna: ‘ [naam 7] ’), aanwezig. [naam 6] heeft ter zitting toegelicht dat zij destijds samen met de mededirecteur in een bijeenkomst van het Management Team (MT) heeft besloten dat contracten die op dat moment afliepen, niet zouden worden verlengd, vanwege de onzekerheid over de voortzetting van het beheer van de parkeergarage in [locatie 1] . [naam 6] wist ook niet van andere zaken die op de werkvloer in de parkeergarage speelden, het was – zo begrijpt de rechtbank – een puur bedrijfseconomische beslissing. De beslissing dat het contract niet kon worden verlengd is destijds mondeling besproken en besloten; van deze beslissing zijn geen notities gemaakt, aldus [naam 6] . [naam 7] heeft toegelicht dat vervolgens telefonisch contact is geweest tussen HR (in de persoon van [naam 5] ) en [naam 4] over de genomen beslissing tot niet-verlenging. Daarnaast heeft [naam 7] ter zitting toegelicht dat inderdaad zowel vóór als na de aanzegging van de beëindiging van het arbeidscontract, contact is geweest over de mogelijkheid van overplaatsing van [verzoeker] naar Den Haag. Dit contact is telefonisch gegaan tussen HR (in de persoon van [naam 5] ) en [naam 3] . De overplaatsingsmogelijkheden bleken er niet te zijn. Van dit telefonisch contact bestaan geen interne verslagen of schriftelijke communicatie, anders dan de schriftelijke bevestiging van de uitkomst van het overleg door [naam 5] aan [verzoeker] , aldus Interparking.
4.13.
De rechtbank stelt voorop dat Interparking hiermee gemotiveerd heeft toegelicht dat er geen verdere verwerkte persoonsgegevens rondom de beëindiging van het dienstverband zijn, anders dan de persoonsgegevens waarover [verzoeker] al beschikt. [verzoeker] stelt dat deze verklaring niet geloofwaardig is en dat er wél meer gegevens moeten zijn. Hij baseert dat allereerst op het voorbehoud van alle rechten dat Interparking in haar antwoord van 18 juli 2025 heeft gemaakt (zie 2.8). Als Interparking deze gegevens niet zou hebben, zouden er ook geen rechten hoeven te worden voorbehouden, aldus [verzoeker] . Daarnaast wijst [verzoeker] op de omstandigheid dat er rondom dezelfde tijd twee nieuwe medewerkers zijn aangenomen voor de locatie [plaats] en dat recent ook vacatures voor servicemedewerker voorbij zijn gekomen. Het argument dat het contract van [verzoeker] uitsluitend niet is verlengd wegens bedrijfseconomische redenen, gaat volgens [verzoeker] niet op. De beëindiging moet samenhangen met zijn klachten over het locatiemanagement en er moet hieromtrent nog sprake zijn van verwerkte persoonsgegevens, aldus [verzoeker] .
4.14.
Dit betoog slaagt niet. Interparking heeft toegelicht dat de in de e-mail van 18 juli 2025 opgenomen passage omtrent het voorbehoud van alle rechten slechts is bedoeld als toelichting op de reikwijdte van het inzagerecht onder de AVG, zoals dat wordt uitgelegd door de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De rechtbank acht die uitleg geloofwaardig. In het gedane voorbehoud kan dus geen aanknopingspunt worden gelezen dat er nog andere interne verslagen of rapportages met persoonsgegevens van [verzoeker] moeten zijn, die Interparking achterhoudt. Dat zelfde geldt voor de omstandigheid dat in april en mei 2025 nog twee andere medewerkers door Interparking zijn aangenomen, terwijl het contract van [verzoeker] niet is verlengd. Interparking heeft toegelicht dat één van deze medewerkers ook inzetbaar was in Amsterdam en dat de andere slechts tot het einde van het jaar (december 2025) was aangenomen. Nog los van het uitgangspunt dat het Interparking arbeidsrechtelijk vrijstaat om het tijdelijke contract van één medewerker niet te verlengen en een ander wel aan te nemen, kan hierin geen aanknopingspunt worden gelezen dat de door Interparking toegelichte bedrijfseconomische redenen voor het niet-verlengen van het contract van [verzoeker] niet kunnen kloppen en dat er dus meer documenten met schriftelijk verwerkte persoonsgegevens moeten zijn, die Interparking niet wil verstrekken.
4.15.
De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat Interparking voldoende geloofwaardig heeft toegelicht dat er niet meer of andere persoonsgegevens zijn waarin Interparking inzage zou kunnen geven. Dat er wel meer is, heeft [verzoeker] niet aannemelijk gemaakt.
Klokkenluider correspondentie
4.16.
[verzoeker] stelt dat hij in zijn e-mailcorrespondentie met [naam 5] van 26 juni 2025 blijk heeft gegeven van zijn voornemen om als klokkenluider de publiciteit op te zoeken. Het kan niet anders dan dat hierover intern is overlegd en persoonsgegevens van [verzoeker] zijn verwerkt, aldus [verzoeker] . Hij verzoekt hierin volledig inzicht te geven.
4.17.
Interparking heeft hierop geantwoord dat er geen interne e-mails hierover zijn en dat Interparking uitsluitend (in de persoon van [naam 5] ) richting [verzoeker] zelf heeft gereageerd. Over die communicatie beschikt [verzoeker] . De rechtbank acht deze verklaring van Interparking niet ongeloofwaardig en [verzoeker] heeft hiertegenover niet aannemelijk gemaakt dat er buiten de communicatie met hemzelf nog meer verwerkte persoonsgegevens moeten zijn.
Rectificatieverzoek
4.18.
[verzoeker] verzoekt rectificatie van het beoordelingsformulier op grond van artikel 16 AVG. Artikel 16 van de AVG geeft de betrokkene het recht tot correctie van feitelijk onjuiste of onvolledige persoonsgegevens. Het rectificatie- of correctierecht van artikel 16 AVG is niet bedoeld om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies waarmee betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. [3]
4.19.
De onderdelen in het beoordelingsformulier die [verzoeker] gecorrigeerd wil hebben, betreffen een professionele beoordeling van een werkgever, waarin staat wat in de visie van de toenmalig leidinggevende een ontwikkelpunt van [verzoeker] zou zijn (in een overigens overwegend positieve beoordeling). Uit de stellingen van [verzoeker] volgt dat hij zich niet in het opgeschreven ontwikkelpunt kan vinden: hij vindt dat het probleem bij zijn niet-functionerende collega ligt, en niet bij de persoon die dit niet-functioneren (naar de mening van [verzoeker] : terecht) bij de leidinggevende aankaart. Zoals hiervoor is overwogen, is het correctierecht van artikel 16 AVG hier niet voor bedoeld. Dat in het beoordelingsformulier staat “Probeer je iets minder te storen aan je collega’s” (meervoud), terwijl de melding van [verzoeker] zag op één collega, betekent niet dat sprake is van feitelijk onjuiste persoonsgegevens die zich voor correctie leent. De betreffende passage betreft een algemeen omschreven ontwikkelpunt en geen feitelijke omschrijving van de gebeurtenissen die aan de evaluatie vooraf zijn gegaan.
4.20.
[verzoeker] heeft dus geen recht op rectificatie van de door hem bestreden passages in het beoordelingsformulier. Wel is in de rechtspraak aanvaard dat de betrokkene in een situatie als hier aan orde desgewenst het dossier kan laten aanvullen met een eigen zienswijze op de aangevochten beoordeling. De rechtbank begrijpt dat Interparking die mogelijkheid tot aanvulling in dit geval ook meermaals aan [verzoeker] heeft geboden, maar [verzoeker] heeft hier (tot nu toe) geen gebruik van willen maken.
Samenvatting oordeel en vervolg
4.21.
Uit het voorgaande volgt dat de verzoeken van [verzoeker] zullen worden afgewezen, behalve voor zover het gaat om de verstrekking van een kopie van (de persoonsgegevens in) de aan [naam 4] verstuurde e-mail omtrent de aanstaande afloop van het arbeidscontract van [verzoeker] . Interparking dient die persoonsgegevens uiterlijk 8 januari 2026 bij brief aan de rechtbank en de advocaat van [verzoeker] te verstrekken (in verband met het kerstreces krijgt Interparking drie weken de tijd), waarna [verzoeker] binnen twee weken schriftelijk kan reageren via zijn advocaat. Het resterende partijdebat kan uitsluitend nog gaan over de nadere stukken; op de andere onderdelen van het geschil (waarover in deze is beschikking is beslist) kan niet meer worden ingegaan. De rechtbank zal na ontvangst van de nadere stukken en de reactie daarop bij beschikking verder beslissen, ook over de proceskosten.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
draagt Interparking op om uiterlijk op 8 januari 2026 per brief aan de advocaat van [verzoeker] en aan de rechtbank een kopie te verstrekken van de in 2025 via AFAS gegenereerde e-mail aan [naam 4] over de aanstaande afloop van het tijdelijke contract van [verzoeker] (als Interparking meent dat niet een volledige kopie van de e-mail hoeft te worden verstrekt moet zij toelichten waarom);
5.2.
bepaalt dat [verzoeker] vervolgens uiterlijk op 22 januari 2026 via zijn advocaat op het ingebrachte nadere document kan reageren, eveneens per brief aan de advocaten van Interparking en de rechtbank;
5.3.
bepaalt dat hierna een datum voor beschikking zal worden bepaald;
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.
av

Voetnoten

1.HvJEU 26 oktober 2023, ECLI:EU:C:2023:811, punt 71-75 en HvJEU 4 mei 2023, ECLI:EU:C:2023:369, punt 31-45.
2.Zie o.a. conclusie A-G Drijber 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:1372, nr. 5.66
3.Zie o.a. ABRvS 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1020, r.o. 5.1, ABRvS 16 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4759, r.o. 2.4.1