ECLI:NL:RBDHA:2025:24953

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
NL25.47901
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 23 ProcedurerichtlijnArt. 31 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid

Eiser, afkomstig uit Egypte, diende een asielaanvraag in op grond van mishandeling en gedwongen informantschap door Egyptische autoriteiten, en een bij verstek uitgesproken gevangenisstraf in een gefabriceerde strafzaak. Verweerder wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid en onvoldoende onderbouwing.

De rechtbank oordeelt dat verweerder het besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, met name doordat een verklaring van onderzoek van Bureau Documenten niet tijdig is overgelegd, waardoor eiser niet adequaat kon reageren. Daarnaast is de motivering omtrent de waarde van de overgelegde documenten onvoldoende inzichtelijk gemaakt.

Verder vindt de rechtbank dat verweerder onterecht van eiser verlangde een volledig strafdossier te overleggen, gezien de aard van het relaas en de context in Egypte. Ook mocht verweerder eiser niet tegenwerpen dat hij niet kon verklaren waarom hij als informant was uitgekozen, omdat tijdens het nader gehoor hier niet voldoende op is doorgevraagd.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij eiser de gelegenheid krijgt te reageren op de verklaring van onderzoek. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen met een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47901

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Pourjalili).

Samenvatting

1. Eiser is afkomstig uit Egypte. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Hij stelt dat hij is mishandeld door de Egyptische autoriteiten en dat hij is gedwongen om als informant te werken. Ook is eiser bij verstek veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf in een tegen hem gefabriceerde strafzaak. Bij terugkeer vreest eiser voor dezelfde autoriteiten. Eiser heeft documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn vrees.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Verweerder gelooft niet dat eiser problemen heeft gehad met de Egyptische autoriteiten.
1.2.
De rechtbank volgt verweerder niet. Verweerder heeft het afwijzend besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd waarom eiser de problemen met de autoriteiten niet aannemelijk heeft gemaakt met de door hem overgelegde documenten en de door hem afgelegde verklaringen.
1.3.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 25 september 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [datum] 1976. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. In Egypte werkte eiser als juwelier. In 2020 is hij door de veiligheidsdienst aangehouden, mishandeld en gedwongen om een valse verklaring te ondertekenen. Vervolgens is eiser door korpschef [naam] onder druk gezet om als informant te werken in de illegale valutahandel. Eiser is met herhaalde oproepen en huiszoekingen bedreigd. Ook zijn eisers bezittingen ingenomen en zijn eisers echtgenote en zoon mishandeld. Uit vrees voor de recherche van de financiële dienst heeft eiser zich vanaf april 2022 schuilgehouden in [plaats] en is hij in januari 2023 uit Egypte vertrokken. Diezelfde maand is eiser door de Egyptische rechtbank bij verstek veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf. De Egyptische autoriteiten hadden namelijk een strafzaak jegens eiser gefabriceerd. Bij terugkeer vreest eiser voor de Egyptische autoriteiten.
Het bestreden besluit
4. Volgens verweerder bestaat eisers relaas uit de volgende asielmotieven:
Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst
Eisers problemen met de Egyptische autoriteiten
4.1.
Verweerder gelooft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. Eisers problemen met de Egyptische autoriteiten vindt verweerder echter ongeloofwaardig. De documenten die eiser heeft overgelegd, zijn ‘neutraal’ beoordeeld door Bureau Documenten, waardoor er geen uitspraak gedaan kan worden over de authenticiteit daarvan. De inhoud van de documenten ondersteunen de verklaringen van eiser en ze zijn in die zin meegewogen. Eiser heeft echter geen volledig strafdossier overgelegd. Daarnaast vormen eisers verklaringen volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft namelijk tegenstrijdig verklaard over het tegen hem uitgevaardigde vonnis. Verder zijn eisers verklaringen over de relatie tussen hem en [naam] ongerijmd en wisselend. Tevens heeft eiser wisselend verklaard over zijn reden om asiel aan te vragen. Daarnaast heeft hij tegenstrijdig verklaard over zijn contact met de autoriteiten. Eiser voldoet om deze redenen niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bovendien vindt verweerder dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en dat hij daarvoor geen goede verklaring heeft. Daarom voldoet eiser ook niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw. Tot slot vindt verweerder dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Uit eisers gedragingen blijkt immers geen noodzaak tot het inroepen van internationale bescherming. Hierom voldoet eiser ook niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw.
4.2.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op basis van artikel 31, eerste lid en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. Daarbij heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit met een onmiddellijke vertrektermijn opgelegd. Ook heeft verweerder aan eiser een inreisverbod van twee jaar uitgevaardigd.
Had verweerder vóór het bestreden besluit door Bureau Documenten een verklaring van onderzoek moeten laten opstellen?
5. Eiser voert aan dat hij verschillende originele documenten heeft overgelegd, die onderbouwen dat hij is gedetineerd, veroordeeld en mishandeld door de Egyptische autoriteiten. Eiser heeft een uittreksel van de Kamer van Koophandel van Egypte, een veroordeling van een Egyptische rechtbank, processen-verbaal van aangiftes wegens vermissing en mishandeling en twee medische documenten overgelegd. Verweerder heeft de conclusie van Bureau Documenten hierover weergegeven, maar heeft geen verklaring van onderzoek laten opstellen door Bureau Documenten op basis waarvan eiser dat kan controleren. Verweerder had eiser in de gelegenheid moeten stellen om inhoudelijk op de verklaring van onderzoek te reageren voordat hij het bestreden besluit nam. Daarom vindt eiser dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig is voorbereid.
5.1.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een neutraal advies geen verklaring van onderzoek wordt opgesteld en hiervoor verwezen naar de vakbijlage van Bureau Documenten, pagina 6. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder hieraan toegevoegd dat de door eiser overgelegde documenten door Bureau Documenten zijn onderzocht in de ‘korte fase’ en dan wordt er niet standaard een verklaring van onderzoek opgemaakt. In de beroepsfase heeft verweerder alsnog een verklaring van onderzoek overgelegd, enkel om aan eiser tegemoet te komen. Eiser heeft daarmee alsnog voldoende mogelijkheid gehad om op de verklaring van onderzoek te reageren. Bovendien staat er niets nieuws in de verklaring van onderzoek ten opzichte van hetgeen verweerder heeft opgeschreven in het bestreden besluit.
5.2.
De rechtbank volgt eiser. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft de verklaring van onderzoek niet geüpload vóór bekendmaking van het bestreden besluit. De verklaring van onderzoek is pas in de beroepsfase overgelegd. Het recht op toegang tot de in het dossier opgenomen informatie, zoals neergelegd in artikel 23, eerste lid, van de Procedurerichtlijn [1] , dient ertoe om de vreemdeling in staat te stellen, in voorkomend geval via zijn raadsman of raadsvrouw, zijn standpunt over deze informatie vóór het te nemen besluit kenbaar te maken. Het zou zich niet met dit uitgangspunt verhouden als zowel de vreemdeling als zijn raadsman geen toegang zou krijgen tot de onderliggende informatie waarop Bureau Documenten haar conclusies baseert. Zonder inzicht in de onderliggende informatie waarop de conclusies zijn gebaseerd, zijn deze immers ook niet effectief te bestrijden. Het niet verschaffen van inzicht in deze onderliggende informatie is dan ook in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel, het recht op behoorlijk bestuur en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. [2] Hieraan kan de vakbijlage van Bureau Documenten niet afdoen. Ten overvloede overweegt de rechtbank echter dat zij uit de vakbijlage ook niet kan afleiden dat bij een neutraal advies geen verklaring van onderzoek volgt. De beroepsgrond slaagt en het bestreden besluit bevat hiermee een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit gebrek te passeren of de rechtsgevolgen in stand te laten, omdat het besluit gelet op het hierna volgende meerdere gebreken bevat.
Heeft verweerder de waarde die hij hecht aan de door eiser overgelegde documenten inzichtelijk gemaakt?
6. Eiser voert aan dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet de waarde hecht aan de documenten die eiser eraan wenst te hechten. Eiser vindt dat de documenten zijn relaas voldoende onderbouwen.
6.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de documenten eisers verklaringen ondersteunen. In die hoedanigheid zijn de documenten meegewogen bij de beoordeling van eisers asielmotief. Verweerder komt echter tot de conclusie dat het relaas ongeloofwaardig is. Verweerder merkt over de medische documenten op dat hieruit niet kan worden opgemaakt door wie of in welke context eiser het beschreven letsel hebt opgelopen. Op de overige documenten is verweerder niet inhoudelijk ingegaan.
6.2.
De rechtbank volgt eiser. Nu verweerder de verklaring van onderzoek bij het bestreden besluit niet had overgelegd, had verweerder al onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat voor waarde hij hecht aan de documenten. Met de in beroep overgelegde verklaring van onderzoek blijft echter onvoldoende inzichtelijk in hoeverre de documenten meewegen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De motivering in het bestreden besluit dat de als neutraal beoordeelde documenten als ‘ondersteunend aan eisers verklaringen’ zijn meegewogen en de inhoudelijke reactie op de medische stukken maken niet inzichtelijk wat voor gewicht de verschillende documenten krijgen en hoe die zich onderling tot elkaar en tot de overige tegenwerpingen verhouden. De beroepsgrond slaagt.
Mocht verweerder van eiser verwachten dat hij een strafdossier kon overleggen?
7. Eiser voert aan dat verweerder niet van hem mocht verwachten dat hij een heel strafdossier kon overleggen. Eiser verwijst naar een rapport van het Tahrir Institute for Middle East Policy en naar een artikel van Human Rights Watch, waaruit blijkt dat advocaten pas laat op de hoogte worden gesteld van de aanklachten tegen hun cliënten. Volgens eiser is het in Egypte in het algemeen lastig om aan justitiële stukken te komen.
7.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser wel een uitgebreid strafdossier moet kunnen overleggen, nu eiser in Egypte een advocaat heeft en eisers echtgenote eveneens advocaat is. Daarbij volgt uit de door eiser overgelegde verklaring van het openbaar ministerie van Egypte dat eisers echtgenote in haar hoedanigheid van advocaat dit betreffende document heeft opgevraagd. Daarom valt niet in te zien waarom eiser enkel deze verklaring heeft overgelegd en niet een uitgebreid strafdossier. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich op het standpunt gesteld dat de informatie over het dictatoriaal regime in Egypte waar eiser zich op beroept, te algemeen is en daarom niet van toepassing is op de situatie van eiser. Daarnaast heeft de gemachtigde van verweerder gesteld dat de echtgenote van eiser ook processen-verbaal heeft weten te bemachtigen en dat dit niet te rijmen is met eisers stelling dat hij in Egypte tegen allerlei obstakels aanloopt als hij stukken wil bemachtigen. Daarbij heeft de gemachtigde van verweerder verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht over Egypte van november 2021, waaruit volgt dat eiser in ieder geval een oproep om te verschijnen bij de rechtbank had moeten kunnen overleggen.
7.2.
De rechtbank volgt eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij vindt dat eiser een volledig strafdossier moet kunnen overleggen en dat het gebrek daaraan afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn relaas. Van belang hierbij is de aard van eisers relaas, namelijk dat eiser heeft gesteld dat de Egyptische autoriteiten een strafzaak tegen hem hebben gefabriceerd. De rechtbank overweegt dat het niet voor de hand ligt dat de Egyptische overheid hierover open kaart speelt. Dit wordt verder ondersteund door de rapporten waar eiser naar heeft verwezen, waaruit blijkt dat advocaten in Egypte moeilijk toegang krijgen tot informatie. Verweerders verwijzing ter zitting naar het Algemeen Ambtsbericht is niet in het bestreden besluit opgenomen. Bovendien biedt deze verwijzing geen aanknopingspunten voor verweerders standpunt dat eiser een volledig strafdossier moet kunnen overleggen. Hoe het gebrek aan een volledig strafdossier afdoet aan de geloofwaardigheid van het relaas ziet de rechtbank daarom ook niet in. De beroepsgrond slaagt.
Mocht verweerder eiser tegenwerpen dat hij niet kan verklaren waarom juist hij is uitgekozen als informant?
8. Eiser voert aan dat verweerder hem niet mocht tegenwerpen dat hij niet kan verklaren waarom juist hij is uitgekozen als informant. Tijdens het nader gehoor heeft eiser geopperd dat hij wellicht is benaderd om als informant te werken omdat hij een goede reputatie heeft en betrouwbaar is, maar de hoormedewerker heeft hier niet op doorgevraagd. Daarom had verweerder eiser ook niet mogen tegenwerpen dat hij niet heeft onderbouwd waarom hij een goede reputatie zou hebben en dat hij pas bij zienswijze met een verdere uitleg komt.
8.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hoewel niet is doorgevraagd op eisers stelling dat hij een goede reputatie heeft, wel aan hem is gevraagd om te verduidelijken waarom hij is uitgekozen als informant. Zo is aan eiser gevraagd waarom [naam] vragen aan hem stelde over de handelaren in buitenlandse valuta. Ook stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser pas in de zienswijze stelt dat hij contact had met geldwisselaars en valutahandelaren. Volgens verweerder is dit een nieuwe verklaring van eiser. Verweerder ziet niet in waarom eiser dit niet eerder naar voren heeft gebracht. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij niets te maken had met het handelen in dollars en dat [naam] wilde dat eiser in buitenlandse valuta ging handelen om in contact te komen met handelaren. Deze verklaringen vindt verweerder ongerijmd met wat eiser heeft gesteld in de zienswijze.
8.2.
De rechtbank volgt eiser. Daarbij neemt zij tot uitgangspunt wat is bepaald in artikel 3.113, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit. Daarin is bepaald dat verweerder bij het afnemen van het nader gehoor de vreemdeling in de gelegenheid stelt om zo volledig mogelijk de tot staving van zijn aanvraag noodzakelijke elementen aan te voeren. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij vermoedt dat hij is uitgekozen als informant omdat hij betrouwbaar is en een goede reputatie heeft. Uit pagina 22 van het rapport van het nader gehoor blijkt dat de hoormedewerker op deze stelling van eiser niet heeft doorgevraagd. Daarom mocht verweerder eiser niet tegenwerpen dat hij niet heeft onderbouwd waarom hij een goede reputatie heeft. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het licht van het voorgaande eisers verklaring in de zienswijze over dat hij contact had met geldwisselaars en valutahandelaren, niet mocht tegenwerpen als nieuwe verklaring die hij naar voren had kunnen brengen in het nader gehoor. Datzelfde geldt voor verweerders constatering dat de verklaring bij zienswijze niet rijmt met andere verklaringen in het nader gehoor. Ook daarvoor was het nader gehoor de aangewezen plek geweest. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. Met de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit zoals hierboven weergegeven, is het bestreden besluit op verschillende onderdelen onzorgvuldig voorbereid en is verweerders geloofwaardigheidsbeoordeling onvoldoende inzichtelijk (en dus onvoldoende gemotiveerd). Verweerder moet daarom een nieuwe, integrale geloofwaardigheidsbeoordeling maken.
9.1.
Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
9.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken. Voordat hij een nieuwe beslissing maakt, moet verweerder eiser ook in de gelegenheid stellen om te reageren op de verklaring van onderzoek.
9.3.
Het beroep is gegrond en daarom krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 25 september 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2013/32/EU.
2.Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 10 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1727, onder 7.5.