ECLI:NL:RBDHA:2025:24980

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 oktober 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
NL25.28619
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 3:46 Algemene wet bestuursrechtArt. 101 Turkmeens Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering bescherming Turkmenistan

Eiser, van Turkmeense nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege dreiging met eerwraak door de familie van een meisje met wie hij is gevlucht. Verweerder wees het verzoek af, stellende dat eiser geen reëel risico loopt omdat hij bescherming kan zoeken bij Turkmeense autoriteiten.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke bescherming die Turkmeense autoriteiten bieden. De enkele verwijzing naar strafwetgeving en een website van het Ministerie van Justitie is onvoldoende, temeer daar landeninformatie wijst op corruptie en willekeur, en het ontbreken van effectieve rechtsgang.

De rechtbank stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de aangevoerde landeninformatie en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser bescherming kan inroepen. Hierdoor is het besluit onvoldoende gemotiveerd en strijdig met het motiveringsbeginsel.

Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28619

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.T.M. Vroom-van Berckel).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Sinar als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser stelt van Turkmeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. Eiser heeft op 12 juli 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij in Turkmenistan is weggelopen met een meisje genaamd [persoon A] om te voorkomen dat zij uitgehuwelijkt zou worden aan iemand anders. Toen de familie van [persoon A] hier achter kwam, is eiser door haar vader met de dood bedreigd. Eiser vreest bij terugkeer naar Turkmenistan gedood te worden door de familie van [persoon A] vanwege eerwraak.
Het bestreden besluit
2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst;
- de bedreiging door de familie van [persoon A] .
2.1.
Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. Eiser komt volgens verweerder echter niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is namelijk niet aan te merken als verdragsvluchteling. Daarnaast loopt hij bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade. Hoewel geloofwaardig wordt geacht dat eiser is bedreigd door de familie van [persoon A] , acht verweerder niet aannemelijk dat eiser voor de familie te vrezen heeft bij terugkeer. Verweerder gaat er vanuit dat eiser de bescherming kan inroepen van de Turkmeense autoriteiten door aangifte te doen van de bedreiging.
Beoordeling van het beroep
3. Eiser betoogt allereerst dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat er geen landgebonden beleid ten aanzien van Turkmenistan is opgesteld. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw omdat aannemelijk is dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder gaat er ten onrechte vanuit dat eiser aangifte kan doen tegen de familie van [persoon A] . Uit de door eiser overgelegde landeninformatie, die verweerder onvoldoende heeft betrokken, blijkt dat in Turkmenistan sprake is van ernstige willekeur en corruptie en dat er geen effectieve en eerlijke rechtsgang mogelijk is. Omdat sprake is van een eerwraakkwestie zal de Turkmeense overheid hem als dader zien in plaats van als slachtoffer. Vanwege het refoulementrisico dat eiser loopt, is er geen grond voor oplegging van een terugkeerbesluit.
4.1.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraken van 28 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5153,
7 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4016 en 24 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2795, volgt dat ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen eerst door verweerder moet worden onderzocht of door de autoriteiten in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden tegen de betreffende bedreiging. Daarbij dient hij informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, te betrekken. Indien verweerder die vraag bevestigend heeft beantwoord, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien hij dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.
4.2.
Aan het standpunt dat eiser in Turkmenistan bescherming kan krijgen van de autoriteiten, is in het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. Moord is in Turkmenistan strafbaar gesteld en volgens het desbetreffende artikel 101 van Pro het Turkmeense Wetboek van Strafrecht geldt een hogere straf als sprake is van moord op basis van bloedwraak. Ter onderbouwing heeft verweerder verwezen naar de website van het Ministerie van Justitie van Turkmenistan. De door eiser overgelegde landeninformatie geeft geen aanleiding voor een ander standpunt omdat deze informatie betrekking heeft op de algemene situatie in Turkmenistan en geen verband houdt met de individuele situatie van eiser. Van eiser wordt verwacht dat hij aangifte doet in Turkmenistan. Hij heeft dat tot op heden niet gedaan. Zijn stelling dat aangifte doen geen zin heeft, berust slechts op een aanname.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de enkele verwijzing naar artikel 101 van Pro het Wetboek van Strafrecht van Turkmenistan niet aan de op hem rustende bewijslast, zoals die voortvloeit uit de genoemde rechtspraak, voldaan. De omstandigheid dat moord in Turkmenistan in de wet strafbaar is gesteld en dat bloedwraak daarbij strafverzwarend werkt, is onvoldoende om aan te nemen dat door de autoriteiten in Turkmenistan in het algemeen bescherming wordt geboden tegen bedreigingen als die waar eiser mee te maken heeft. Immers, de strafbaarstelling maakt nog niet duidelijk hoe de Turkmeense autoriteiten in de praktijk bescherming bieden en hoe dat op dit moment is. Zo gaat verweerder er vanuit dat eiser aangifte kan doen tegen de familie van [persoon A] , maar uit de motivering van het bestreden besluit blijkt niet of het voor een slachtoffer van bedreiging of (eer gerelateerd) geweld in Turkmenistan mogelijk is om aangifte te doen. Uit het besluit blijkt niet dat verweerder naast de informatie op de website van het Turkmeense Ministerie van Justitie nog andere bronnen over de algemene situatie in Turkmenistan heeft geraadpleegd, zoals rapporten van internationale organisaties, wat – zo volgt uit voormelde rechtspraak – wel van hem verwacht had mogen worden. Verweerder heeft daarnaast onvoldoende rekening gehouden met de door eiser aangedragen landeninformatie, die, juist vanwege het algemene karakter ervan, relevant kan zijn voor de vraag of in het algemeen in Turkmenistan bescherming wordt geboden door de autoriteiten. Het bestreden besluit geeft aldus geen blijk van een gedegen en actueel onderzoek. Verweerders standpunt dat eisers vrees bij terugkeer niet aannemelijk is omdat hij de bescherming van de Turkmeense autoriteiten kan inroepen, is daarmee niet deugdelijk gemotiveerd.
4.4.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
5. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. Wat eiser verder heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. Nu verweerder niet in zijn bewijslast is geslaagd, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht.
6. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd en moet daarom worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten omdat verweerder het gebrek niet heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het primair aan verweerder is om te beoordelen of eiser bij terugkeer naar Turkmenistan een reëel risico loopt op ernstige schade en, in dat kader, of de autoriteiten in dat land in het algemeen bescherming bieden tegen bedreigingen als die in het geval van eiser. De rechtbank zal verweerder opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. Verweerder krijgt daarvoor zes weken de tijd.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in beroep heeft gemaakt. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van
mr.T.M.M. Plukaard, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.