ECLI:NL:RBDHA:2025:25018

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
C/09/693360 / KG ZA 25-1036
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening huisverbod op basis van de Wet tijdelijk huisverbod

Op 23 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om een voorlopige voorziening in het kader van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth). Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. M.K. Bhadai, had beroep ingesteld tegen een besluit van de burgemeester van Den Haag, die op 14 oktober 2025 een huisverbod had opgelegd aan verzoeker. Dit huisverbod was van kracht van 14 oktober tot en met 24 oktober 2025 en was bedoeld om de veiligheid van de (ex-)partner van verzoeker te waarborgen, gezien eerdere incidenten van fysiek geweld en escalatie tussen de partijen. Tijdens de zitting op 23 oktober 2025 werd vastgesteld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die het huisverbod zouden rechtvaardigen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het huisverbod terecht was opgelegd, gezien de ernst van de situatie en het risico op verdere escalatie. De rechter verklaarde het beroep van verzoeker ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. De uitspraak werd gedaan in het openbaar en er werd geen veroordeling in de kosten van het geding uitgesproken.

Uitspraak

Rechtbank Den haag
Voorzieningenrechter
Rekestnummers: KG ZA 25-1036 (voorlopige voorziening) en FA RK 25-7950 (hoofdzaak)
Zaaknummers: C/09/693360 (voorlopige voorziening) en C/09/693356 (hoofdzaak)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak

Gedaan op 23 oktober 2025
Naar aanleiding van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en met toepassing van artikel 8:86 van die wet op het beroep van:

[verzoeker] ,

verzoeker, tevens eiser,
wonende in [woonplaats] ,
gemachtigde: mr. M.K. Bhadai in Den Haag,
tegen

de burgemeester van de gemeente Den Haag,

verweerder.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de (ex-)partner] ,

de (ex-)partner / achterblijfster,
wonende in [woonplaats] .

IProcedure

Bij besluit van 14 oktober 2025 heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod ingevolge artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) opgelegd, van 14 oktober 2025 (14.37 uur) tot en met 24 oktober 2025 (14.37 uur), ter zake van de woning aan het [adres] in ( [postcode] ) [plaats] , tevens inhoudend een contactverbod met de aldaar woonachtige achterblijfster en haar twee minderjarige kinderen. Op 22 oktober 2025 heeft de burgemeester bij vervolgbeschikking aangegeven dat het contactverbod niet op de twee minderjarige kinderen van achterblijfster ziet, omdat die kinderen niet (meer dan incidenteel) woonachtig zijn op het adres.
Tegen het besluit 14 oktober 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter ingediend.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025. Op de zitting waren aanwezig:
  • verzoeker met zijn gemachtigde;
  • achterblijfster;
  • [naam 1] van crisisdienst Huisverbod;
  • [naam 2] namens de burgemeester;
  • [naam 3] namens Veilig Thuis.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden daarvan luiden als volgt.

II Beoordeling

In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86 lid 1 Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Ingevolge artikel 2 lid 1 Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9 van deze wet.
Ingevolge artikel 6 lid 2 Wth betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.
Standpunt verzoeker
Verzoeker betoogt dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en dat er geen sprake (meer) is van dreiging tegenover achterblijfster. Volgens verzoeker is het huisverbod op basis van twijfel opgelegd en niet op basis van een deugdelijk onderzoek en zorgvuldige afweging. Er bestaat nog geen duidelijkheid over de vraag of partijen daadwerkelijk contact met elkaar zullen opzoeken. Ook wenst verzoeker de relatie voort te zetten in huiselijke kring en in zijn woning. Hij heeft geen vrienden of familie waar hij tijdelijk kan verblijven.
Standpunt verweerder
Verweerder heeft zich onder verwijzing naar het bestreden besluit en de stukken op het standpunt gesteld dat het huisverbod zorgvuldig en op juiste gronden is opgelegd. Tijdens de oplegging was er sprake geweest van fysiek geweld van verzoeker richting achterblijfster. Gebleken is dat er vaker ruzies tussen hen zijn met over en weer geschreeuw, gescheld en incidenteel fysiek geweld. Er zijn hier ook meerdere politiemutaties van. Achterblijfster heeft zelf geen vaste verblijfplaats en verzoeker biedt haar al langere tijd drie tot vier dagen per week onderdak. Beide partijen geven aan dat er geen sprake meer is van een relatie. Dat is in het verleden ook vaker door hen gezegd, maar het lukt verzoeker en achterblijfster om onduidelijke redenen niet om afstand van elkaar te houden. Verder bleek ten tijde van de oplegging van het huisverbod dat verzoeker over filmpjes beschikte waarop hij en achterblijfster intiem zijn en dat hij zou hebben gedreigd om deze filmpjes te delen met de kinderen van achterblijfster. Het huisverbod was nodig om rust te creëren en via een dwingend kader te kunnen tegengaan dat partijen elkaar weer opzoeken.
Toetsing oplegging van het huisverbod (14 oktober 2025)
De voorzieningenrechter is van oordeel dat ten tijde van het huisverbod sprake was van omstandigheden als bedoeld in artikel 2 Wth. Uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken is gebleken achterblijfster meer dan incidenteel in de woning van verzoeker verbleef. Ook is gebleken dat er regelmatig ruzie tussen hen was, waarbij de politie vaker ter plaatse heeft moeten komen. Op het moment van oplegging van het huisverbod was er daarnaast sprake geweest van fysiek geweld.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder, gelet op het voorgaande en de aard van een huisverbod dat in spoedeisende situaties als ordemaatregel wordt opgelegd, terecht op grond van de feiten en omstandigheden een (ernstig vermoeden van) ernstig en onmiddellijk dreigend gevaar heeft aangenomen en dat een afkoelingsperiode om (verdere) escalatie te voorkomen noodzakelijk was. Verweerder was naar het oordeel van de voorzieningenrechter dus bevoegd om gebruik te maken van zijn bevoegdheden op grond van artikel 2 Wth. Met betrekking tot de vermelding van de kinderen van achterblijfster op het originele besluit overweegt de voorzieningenrechter dat uit de onderbouwing van het besluit duidelijk blijkt dat het huisverbod niet op de kinderen ziet en dat deze fout later is hersteld. De vermelding van de kinderen op het originele besluit is daarom geen reden om aan te nemen dat het besluit onzorgvuldig is genomen.
De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder ten aanzien van verzoeker, bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik heeft gemaakt om het huisverbod aan verzoeker op te leggen. In dit geval was namelijk achterblijfster de kwetsbare partij in het conflict, omdat verzoeker jegens haar fysiek geweld had gebruikt en zij geen vaste verblijfplaats had.
Verweerder heeft daarom terecht het huisverbod aan verzoeker opgelegd.
Toetsing op dit moment (23 oktober 2025)
Tot slot ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of na het nemen van het besteden besluit sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat het huisverbod wordt opgeheven.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de situatie nu zodanig is verbeterd dat er geen gronden meer zijn voor handhaving van het huisverbod. Op de zitting is gebleken dat er een netwerkgesprek heeft plaatsgevonden, maar dat het niet is gelukt om veiligheidsafspraken te maken. Een conflictpunt daarbij was kennelijk de terugbetaling van een door achterblijfster aan verzoeker geleend geldbedrag. Volgens de hulpverlening leidt dit geschil tot escalatie tussen verzoeker en achterblijfster. Zolang er geen afspraken worden gemaakt over de terugbetaling van de lening blijft er daarom sprake van dreiging van gevaar. Daarnaast geven beide partijen aan dat de relatie is beëindigd, maar zij hebben dat in het verleden ook vaker gesteld en zijn toen toch steeds weer bij elkaar gekomen. Hoewel achterblijfster nu verblijft in de woning bij haar kinderen, zal zij daar binnenkort uit moeten als de vader van de kinderen terugkomt van vakantie. De voorzieningenrechter vreest dat als achterblijfster dan geen slaapplek meer heeft en de relatie met verzoeker nog niet volledig is afgerond, zij opnieuw bij verzoeker zal aankloppen.
Het huisverbod blijft dus in stand. De voorzieningenrechter verklaart het beroep van verzoeker tegen beide besluiten ongegrond en zal het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen.
Er bestaat geen aanleiding tot veroordeling van één der partijen in de kosten van het geding.

III Beslissing

De voorzieningenrechter:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2025 door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan – voor zover daarin is beslist in de hoofdzaak met het rekestnummer FA RK 25-7950 – binnen zes weken van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Afschrift verzonden op: