ECLI:NL:RBDHA:2025:25110

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
NL24.20558
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens ontbreken mvv-vereiste voor Turkse onderdaan

Eiser, een Turkse onderdaan, diende op 21 december 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor arbeid als zelfstandige. De minister wees deze aanvraag af op 14 juni 2023 omdat eiser niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet van dit vereiste werd vrijgesteld. Het bezwaar van eiser tegen deze afwijzing werd bij besluit van 7 mei 2024 eveneens ongegrond verklaard.

Eiser stelde in zijn beroep dat het toepassen van het mvv-vereiste in strijd is met het Turks associatierecht. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, waarin het beroep tegen het mvv-vereiste bij Turkse onderdanen ongegrond werd verklaard. Ook de gronden van eiser waren identiek aan eerdere zaken waarin geen aanleiding werd gezien om af te wijken van deze jurisprudentie.

De rechtbank besloot daarom het beroep ongegrond te verklaren, het griffierecht niet terug te geven en geen proceskosten toe te kennen. De uitspraak werd gedaan door rechter I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas en griffier F. Metz op 23 december 2025. De mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd aan partijen meegedeeld.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.20558

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] .

Inleiding

1. Eiser heeft op 21 december 2022 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor arbeid als zelfstandige.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag op 14 juni 2023 afgewezen, omdat eiser niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en hij niet van dit vereiste wordt vrijgesteld. Met het bestreden besluit van 7 mei 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. In deze procedure gaat het om de vraag of de minister het mvv-vereiste kan tegenwerpen aan eiser, een Turkse onderdaan die een aanvraag voor arbeid als zelfstandige heeft ingediend. Volgens eiser is dat in strijd met het Turks associatierecht.
2.1.
De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in een uitspraak van 1 november 2024 een beroep tegen het toepassen van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond bij Turkse onderdanen ongegrond verklaard. [3]
2.2.
Eiser heeft in zijn beroepsgronden van 15 mei 2024 toegelicht waarom hij het niet eens is met de afwijzing van zijn aanvraag en waarom het tegenwerpen van het zelfstandige mvv-vereiste volgens hem niet is toegestaan.
2.3.
De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden van eiser zien op rechtsvragen die de gemachtigde van eiser in andere procedures naar voren heeft gebracht. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft die gronden/rechtsvragen besproken in een uitspraak van 9 april 2025, [4] waarin is geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van de uitspraak van 1 november 2024. Aangezien de gronden van eiser op hetzelfde zien, komt de rechtbank onder verwijzing naar die uitspraak van 9 april 2025 tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.