ECLI:NL:RBDHA:2025:25149

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
NL25.60223
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 5.2 VreemdelingenbesluitArt. 3:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 3:4 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, werd op 4 december 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat hij niet correct was gehoord en dat zijn laagbegaafdheid onvoldoende in acht was genomen, met verwijzing naar het CRPD en het Handvest van de grondrechten van de EU.

De rechtbank oordeelde dat het gehoor, hoewel vroegtijdig beëindigd, voldeed aan de wettelijke eisen omdat eiser niet verplicht kon worden te antwoorden. Verweerder had aanvullende inspanningen verricht om de belangen van eiser te behartigen, onder meer via diens gemachtigde. De zwaarwegende en lichte gronden voor bewaring werden door eiser niet betwist en waren feitelijk juist.

De rechtbank vond dat de medische omstandigheden van eiser geen aanleiding gaven voor een lichter middel en dat de plaatsing in de extra zorg afdeling binnen een redelijke termijn had plaatsgevonden. Ook de overbrenging naar het detentiecentrum Rotterdam vond binnen 24 uur plaats. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60223

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. X.R. Schuitemaker).

Procesverloop

1. Bij besluit van 4 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 16 december 2025 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 18 december 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 19 december 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser voert aan dat hij in strijd met artikel 5.2, eerste lid, Vb niet is gehoord. Van een uitzonderingssituatie als bedoelde in het tweede lid van dat artikel is geen sprake. Bovendien is eiser niet zo spoedig mogelijk na tenuitvoerlegging van de bewaring alsnog gehoord. Voor zover is geprobeerd om hem te horen, is geen gebruik gemaakt van een medewerker met ruime ervaring in het spreken van personen met een laag verstandelijk niveau. Verder betwist eiser zware grond 3d. Niet duidelijk is waar eisers gestelde alias vandaan komt en, gezien eisers geestelijke vermogens, of hij deze bewust heeft opgegeven. Daarnaast betoogt eiser dat verweerder een lichter middel had moeten opleggen vanwege eisers laagbegaafdheid. Hij begrijpt daardoor ook niet waarom hij in bewaring is gesteld. Dat verweerder eiser niettemin in bewaring heeft gesteld is in strijd met artikel 4 van Pro het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (CRPD), artikel 26 en Pro 47 van het Handvest [1] en artikel 3:2 en Pro 3.4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast is hij pas vier dagen na inbewaringstelling in een extra zorg afdeling (EZA) geplaatst. Dat is te laat. Verder kan uit het dossier niet worden afgeleid dat eiser korter dan 24 uur in een politiecel heeft gezeten. Eiser stelt dan ook dat die termijn is overschreden.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Gehoor voorafgaand aan oplegging maatregel
6. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak [2] van 15 juni 2022 is het horen van de vreemdeling als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het Vb een essentieel onderdeel van de voorbereiding van de maatregel van bewaring. Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat verweerder een aanvang heeft gemaakt met het horen en eiser zijn rechten heeft medegedeeld. De enkele omstandigheid dat de verbalisant het gesprek vroegtijdig heeft beëindigd, maakt niet dat het gehoor niet voldoet aan het bepaalde in artikel 5.2, eerste lid, van het Vb 2000. Verweerder kan een vreemdeling immers niet dwingen om te antwoorden.
6.1.
De Afdeling heeft in dezelfde uitspraak verder overwogen dat als er duidelijke signalen zijn om te twijfelen of een vreemdeling gehoord kan worden, verweerder er niet zomaar vanuit mag gaan dat de vreemdeling zelf zijn belangen adequaat naar voren brengt. De rechtbank stelt vast dat dit het geval is en tussen partijen ook niet in geschil is. Uit proces-verbaal van gehoor blijkt dat eiser in steekwoorden en binnensmonds sprak. Ook geeft eiser geen antwoord op de vragen die hem gesteld worden. Verder blijkt uit het proces-verbaal dat door deze omstandigheden, tezamen met de al bekende medische informatie, twijfel ontstond bij de verbalisant of eiser kon worden gehoord. Het gehoor is toen door verbalisant afgebroken.
6.2.
In dat geval moet verweerder zich op een andere manier inspannen om alsnog kennis te verzamelen over de belangen van de vreemdeling. Uit het proces-verbaal blijkt dat verweerder dit ook heeft gedaan door contact op te nemen met de gemachtigde van eiser, die vervolgens namens eiser een zienswijze gaf. Daarnaast heeft de verbalisant eiser nog even meegenomen om een sigaretje te roken. Eiser heeft toen aan de verbalisant de medicatie getoond die hij gebruikt. Verweerder heeft vervolgens alle medische omstandigheden, waaronder het beperkte verstandelijke vermogen van eiser, betrokken bij overweging om de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee zorgvuldig gehandeld. Van strijd met de Awb, CRPD of het Handvest is dan ook geen sprake.
Zware en lichte gronden
7. Wat er ook zij van het eventuele gebruik van een alias, stelt de rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden 3a, 3b, 3c, 3e en de lichte gronden 4a, 4b, 4c en 4d die door verweerder aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, niet heeft betwist. Deze gronden zijn ook feitelijk juist en door verweerder voldoende toegelicht, zodat ook deze gronden met recht aan eiser zijn tegengeworpen. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen.
Lichter middel
8. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder in eisers medische omstandigheden geen aanleiding hoefde te zien om een lichter middel op te leggen. De rechtbank is het met verweerder eens dat het in beginsel aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij detentieongeschikt is. Daar is eiser niet in geslaagd. Dat eiser verstandelijk beperkt is, is op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat verweerder eiser niet in bewaring mocht stellen. Daarbij is niet gebleken dat eiser niet bij de medische dienst van het detentiecentrum terecht kan, temeer nu eiser in de EZA is geplaatst. Voor zover eiser betoogt dat hij te laat in de EZA is geplaatst, overweegt de rechtbank dat verweerder enige tijd gegund moet worden om te beoordelen of eiser extra medische voorzieningen nodig heeft. Dat eiser op de vijfde dag na inbewaringstelling in de EZA is geplaatst, acht de rechtbank voor een dergelijke medische beoordeling niet disproportioneel lang. Van strijd met de Awb, CRPD of het Handvest is dan ook geen sprake.
Verblijf in politiecel
9. Eiser is op 4 december 2025 aangekomen op Schiphol in het kader van een Dublinoverdracht. Uit de bestreden maatregel blijkt dat eiser op 4 december 2025 om 15:00 uur in bewaring is gesteld. Verweerder heeft aangegeven dat eiser de volgende dag om 09:33 uur is geregistreerd in detentiecentrum Rotterdam. Daargelaten of eiser op Schiphol daadwerkelijk in een politiecel heeft verbleven, stelt de rechtbank vast dat eiser binnen 24 uur na oplegging van de maatregel is overgebracht naar detentiecentrum Rotterdam. Het betoog slaagt niet.
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [3] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
3.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.