ECLI:NL:RBDHA:2025:25161

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
NL25.61463
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwArt. 5.1b derde lid VbArt. 5.1b vierde lid VbVerordening (EU) Nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenzaak

Eiser, een Russische staatsburger, werd in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet risico op onderduiken en een overdrachtsbesluit aan Frankrijk. De maatregel werd later opgeheven door de overdracht aan Frankrijk.

Eiser betoogde dat de bewaring onrechtmatig was vanwege onvoldoende weging van zijn persoonlijke en medische omstandigheden, slechte luchtkwaliteit in het detentiecentrum en de impact op noodzakelijke medische behandelingen. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden toegepast en dat de medische klachten niet aantoonbaar verband hielden met de detentieomstandigheden.

De rechtbank stelde vast dat de gronden voor bewaring niet waren betwist en feitelijk juist waren. Ook was geen sprake van een toezegging tot opschorting van de overdracht. De vermeende verschrijving omtrent Kroatische autoriteiten werd als kennelijke fout beoordeeld zonder schending van belangen.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.61463

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

[V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft de maatregel van bewaring op 19 december 2025 opgeheven, omdat eiser is overgedragen aan Frankrijk.
De rechtbank heeft het beroep op 24 december 2025 op zitting in Breda behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1984 en de Russische nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaand aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Maatregel van bewaring
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening [2] en een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Verweerder heeft als zware gronden [3] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
-
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden [4] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en zijn voldoende om een significant risico op onderduiken aan te nemen.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft toegepast en dat de maatregel van bewaring onevenredig is, omdat verweerder zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen. Daarbij wijst eiser op de detentieomstandigheden in het detentiecentrum van [plaats] en stelt hij dat de luchtkwaliteit door de ligging naast de luchthaven slecht is. Verder beroept eiser zich op zijn medische situatie en meent dat een noodzakelijke operatie en andere medische afspraken door de inbewaringstelling en zijn feitelijke overdracht naar Frankrijk zijn geannuleerd. Uit zijn medisch dossier blijkt dat dat uitstel levensbedreigende gevolgen kan hebben. Volgens eiser had verweerder de overdracht moeten opschorten, althans had de belangenafweging in het voordeel van eiser moeten uitvallen. Eiser stelt daarnaast dat in de maatregel is opgenomen dat tijdens de bewaring zou worden bekeken of opschorting nodig is, hetgeen hij als een toezegging aanmerkt.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit het door eiser overgelegde medische dossier volgt niet dat eisers medische klachten verband houden met de door hem gestelde slechte luchtkwaliteit in het detentiecentrum van [plaats] . Eiser heeft verder ook niet onderbouwd dat de luchtkwaliteit in en rondom het detentiecentrum dusdanig slecht is dat het onverantwoord was eiser daar te plaatsen.
7. Ook de gestelde medische omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig is. Voor zover eiser betoogt dat hij vanwege zijn medische situatie niet in bewaring had mogen worden gesteld of dat de overdracht aan Frankrijk had moeten worden opgeschort, ligt het op zijn weg om aannemelijk te maken dat sprake is van een zodanige medische belemmering. Uit de maatregel volgt dat verweerder de medische omstandigheden expliciet heeft betrokken. In de maatregel staat daarnaast dat tijdens het verdere verloop van eisers overdracht wordt bezien of aanleiding bestaat om de overdracht op te schorten. Daarin ligt geen toezegging besloten dat de overdracht zou worden opgeschort. Dat eiser later medische stukken heeft overgelegd, maakt het vorenstaande niet anders. Verder is niet gebleken dat in het detentiecentrum geen toegang is tot medische of psychische zorg. Verweerder heeft daarnaast mogen aansluiten bij het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 25 november 2025, [5] waaruit volgt dat niet is gebleken dat Nederland het meest aangewezen land is voor eisers behandeling, dat medische zorg in Frankrijk beschikbaar is en vergelijkbaar met de zorg in Nederland. Eiser is er daarnaast op gewezen dat hij toestemming kan verlenen voor de uitwisseling van zijn medische gegevens, hetgeen hij ook heeft gedaan.
8. Tot slot heeft verweerder betekenis mogen toekennen aan het feit dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken. Voorts maken de door eiser aangevoerde omstandigheden, waaronder zijn medische situatie en de gestelde detentieomstandigheden, niet dat de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend is en waarin verweerder aanleiding had moeten zien een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Verschrijving
9. Eiser heeft erop gewezen dat in de maatregel van bewaring eenmaal wordt gesproken over de Kroatische autoriteiten. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het gaat om een kennelijke verschrijving. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen, nu uit de maatregel en overige stukken verder eenduidig blijkt dat Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat is bedoeld en eiser ook feitelijk aan Frankrijk is overgedragen. Deze verschrijving tast de rechtmatigheid van de bewaring niet aan en niet is gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een gebrek.
Ambtshalve toets
10. Ook is overigens niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 24 december 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
3.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
4.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.