ECLI:NL:RBDHA:2025:22326

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL25.48956
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach - de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep tegen het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op basis van de Dublinverordening

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd beoordeeld. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag op 6 oktober 2025 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat is vastgesteld. De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 behandeld, waarbij de gemachtigden van zowel eiser als de minister aanwezig waren, maar eiser zelf niet. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat het besluit van de minister in stand blijft.

De rechtbank legt uit dat de Dublinverordening bepaalt dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen als een andere lidstaat verantwoordelijk is. In dit geval heeft Nederland een verzoek om terugname aan Frankrijk gedaan, dat is geaccepteerd. Eiser betoogt dat niet kan worden vastgesteld dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is, omdat hij ook aanvragen heeft ingediend in andere landen. De rechtbank oordeelt echter dat de minister terecht heeft aangenomen dat Frankrijk verantwoordelijk is, gezien de eerdere afwijzing van zijn asielaanvraag daar en de bevestiging van de verantwoordelijkheid door Frankrijk.

Eiser heeft ook aangevoerd dat hij in Frankrijk geen adequate medische zorg zal ontvangen, maar de rechtbank oordeelt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling. De rechtbank concludeert dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de overdracht aan Frankrijk kan plaatsvinden op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank wijst het beroep af en stelt dat eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48956

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep samen met NL25.48957 op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet bij de behandeling aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. [2] Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard. [3]
Welke lidstaat is verantwoordelijk?
4. Eiser betoogt dat niet kan worden vastgesteld dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is. Hij heeft zich namelijk ook gewend tot Polen, Noorwegen en Zwitserland met het verzoek om internationale bescherming. Uit het bestreden besluit blijkt niet waarom de minister geen claimverzoek heeft uitgezet bij deze landen. Dit terwijl uit huidige jurisprudentie volgt dat op grond van de Dublinverordening maar één lidstaat verantwoordelijk kan zijn voor de behandeling van het asielverzoek. Als één van de lidstaten waar eiser zich tot heeft gewend heeft verzuimd om eiser op tijd over te dragen of om de overdrachtstermijn te verlengen, dan is de verantwoordelijkheid voor de behandeling verschoven naar één van die lidstaten. Dat Frankrijk het claimverzoek heeft geaccepteerd doet daar niets aan af. [4] Eiser kan gelet op de beperkte informatie in het procesdossier niet beoordelen of Frankrijk daadwerkelijk nog verantwoordelijk is voor het beoordelen van zijn asielverzoek. Eiser was in 2023 in Frankrijk en dit jaar nog in Zwitserland, Noorwegen en Polen. Het besluit is gebrekkig gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat uit Eurodac inderdaad blijkt dat eiser in een aantal landen een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Eiser heeft op 28 juli 2019 en op 12 mei 2022 een verzoek om internationale bescherming ingediend in Finland. Ook heeft hij op 6 februari 2023 in België een asielverzoek ingediend, evenals op 4 juli 2023 in Frankrijk, op 3 februari 2025 in Zwitserland, op 11 april 2025 in Noorwegen en op 16 mei 2025 in Polen. Vervolgens heeft Nederland op 1 september 2025 de autoriteiten van Frankrijk verzocht om eiser terug te nemen. Op 16 september 2025 is er een fictief claimakkoord tot stand gekomen. [5] Op 25 september 2025 heeft Frankrijk haar verantwoordelijkheid bevestigd met een expliciet claimakkoord. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat daarmee de verantwoordelijkheid van Frankrijk vaststaat. Daarbij komt ook dat Frankrijk de asielaanvraag van eiser eerder heeft behandeld en afgewezen. Verder heeft eiser in het aanmeldgehoor nog verklaard dat hij vanuit Noorwegen naar Frankrijk is overgedragen. [6] Daarnaast acht de rechtbank van belang dat de minister bij het claimverzoek aan Frankrijk, alle Eurodac-resultaten van eiser heeft meegezonden. Ook is op pagina 3 van het claimverzoek informatie verstrekt over de reisroute van eiser in Europa en in welke lidstaten hij een asielaanvraag heeft gedaan. Frankrijk heeft ook met die kennis, het claimverzoek fictief en expliciet geaccepteerd. Het behoort gelet daarop dan ook niet tot de verantwoordelijkheid van de minister om zelf een onderzoek naar de verantwoordelijke lidstaat op te starten en in alle lidstaten waar eiser een asielaanvraag heeft gedaan informatie op te vragen, zoals de gemachtigde van eiser op zitting betoogt. De beroepsgrond slaagt niet.
Mag de minister voor Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat hij in Frankrijk weliswaar asiel heeft aangevraagd maar dit heeft niet geleid tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning en hij is in Frankrijk uitgeprocedeerd. Hij verwacht daarom bij overdracht aan de Franse autoriteiten geen ondersteuning van hen te krijgen. Ook is bij de minister bekend dat Frankrijk kampt met problemen in de opvangvoorzieningen. [7] Eiser heeft zelf in Frankrijk ondervonden dat zijn medische behandelingen werden stopgezet nadat zijn asielverzoek werd afgewezen omdat toen ook zijn ziekenkostenverzekering werd beëindigd. Dit terwijl hij die medische zorg wel nodig had. Het is dan ook aannemelijk dat eiser bij overdracht aan Frankrijk (wederom) verstoken blijft van de benodigde medische zorg.
5.1.
De rechtbank overweegt dat in Dublinzaken het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Dit houdt in dat de minister er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en de mensenrechtenverdragen. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet mogelijk is. Dit laat onverlet dat de minister uit eigen beweging ook rekening moet houden met relevante en objectieve informatie over Frankrijk. Hij mag een vreemdeling niet overdragen als hij niet onkundig kan zijn van de omstandigheid dat er structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen zijn waardoor een vreemdeling een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zicht terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Frankrijk een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. Eisers verklaring dat de medische voorzieningen in Frankrijk niet goed genoeg waren omdat hij zijn ziekenkostenverzekering kwijtraakte, is ook onvoldoende voor de conclusie dat er in Frankrijk sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure. Uit vaste jurisprudentie volgt dat eiser hierover kan klagen bij de Franse autoriteiten of de daarvoor aangewezen instanties. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestond of bestaat. Bij voorkomende problemen kan eiser zich wenden tot de daarvoor aangewezen (hogere) autoriteiten in Frankijk. Er is namelijk ook niet gebleken dat de Franse autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen. Evenmin is onderbouwd dat eiser de vorige keer in Frankrijk verstoken is geweest van medische zorg. Daarnaast is van belang dat de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn van toepassing zijn op de asielprocedure in Frankijk. De verwijzingen van eiser naar een aantal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaruit zou volgen dat er problemen zijn in de opvangvoorzieningen, leiden dan ook niet tot een ander oordeel. De rechtbank voegt daaraan toe dat de aangehaalde uitspraken juist bevestigen dat de minister voor Frankrijk uit mag en kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat er geen sprake is van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. [8]
5.3.
Voor wat betreft de medische zorg en de gestelde medische problemen van eiser, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat dit geen reden is om eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen. Eiser heeft enkel een patiëntendossier van de huisarts overgelegd. Daarmee is niet gebleken dat eiser onder een specialistische behandeling staat of dat hij een specialistische behandeling nodig heeft. Als dat wel het geval zou zijn, bestaan er bovendien geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is om eiser te behandelen. Daarnaast heeft Frankrijk dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden als Nederland. Er mag worden verwacht dat Frankrijk de medische problemen van eiser net zo goed kan behandelen. Daarbij komt dat eiser toestemming kan geven voor de eventuele uitwisseling van zijn medische gegevens tussen Nederland en Frankrijk. [9] De beroepsgrond slaagt niet.
Beroepsgrond arrest C.K.
6. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser de beroepsgrond dat overdracht aan Frankrijk (mogelijk) in strijd is het arrest C.K. [10] vanwege de psychische klachten van eiser, op de zitting heeft ingetrokken. De rechtbank zal hier in de uitspraak dan ook niet inhoudelijk op ingaan.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 18, eerste lid, onder d van de Dublinverordening,
3.Idem.
4.Eiser verwijst ter onderbouwing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 28 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16178.
5.Op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening.
6.Pagina 4 van het aanmeldgehoor.
7.Eiser verwijst ter onderbouwing naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3737, van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en van 7 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2361.
8.Zie ABRvS van 30 augustus 2024.
9.Op grond van artikel 32 van de Dublinverordening.
10.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 16 februari 2017 in de zaak C. K., H. F., A. S. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127, het arrest C.K.)