In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 26 november 2025 een beschikking gegeven in een procedure betreffende de omgangsregeling tussen een moeder en een vader. Het verzoek tot vaststelling van de omgangsregeling was ingediend op 12 maart 2024, maar de rechtbank had eerder, op 27 augustus 2025, de beslissing hierover aangehouden in afwachting van een traject voor omgangsbegeleiding. De rechtbank heeft kennisgenomen van verschillende stukken, waaronder een brief van 15 oktober 2025 van een instantie, waarin werd aangegeven dat het traject omgangsbegeleiding niet van de grond is gekomen omdat de vader zijn vragenlijst niet had ingevuld. Hierdoor was de aanmelding niet compleet en werd de wachtlijst beëindigd. Op basis van deze informatie heeft de moeder op 13 november 2025 haar verzoek tot begeleide omgang ingetrokken. De rechtbank heeft vastgesteld dat er in deze procedure niets meer te beslissen valt, aangezien de vader geen zelfstandige verzoeken heeft ingediend. De beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, kinderrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 26 november 2025.