ECLI:NL:RBDHA:2025:25325

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
28 december 2025
Zaaknummer
C/09/690791 / FA RK 25-6537
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige kinderalimentatie en beoordeling van draagkracht in een echtscheidingsprocedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 27 november 2025 een beschikking gegeven over voorlopige kinderalimentatie in het kader van een echtscheidingsprocedure. De vrouw heeft op 29 augustus 2025 een verzoek ingediend om de kinderalimentatie voorlopig vast te stellen op € 500,- per maand, met als argument dat zij alle kosten voor hun minderjarige kind alleen draagt en dat er een acute financiële noodzaak is. De man heeft verweer gevoerd, maar de rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van een spoedeisend belang, aangezien de vrouw beperkte inkomsten heeft.

De rechtbank heeft de feiten in overweging genomen, waaronder de gezamenlijke zorg voor hun minderjarige kind en eerdere beschikkingen die relevant zijn voor de situatie. De rechtbank heeft de draagkracht van beide ouders beoordeeld. De man heeft een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 4.952,- per maand, maar heeft ook schulden, waaronder een schuld bij de belastingdienst en een betalingsachterstand bij de privéschool van het kind. De rechtbank heeft de draagkracht van de man vastgesteld op € 272,- per maand voor het kind, na rekening te houden met zijn andere onderhoudsplichten.

De vrouw heeft een NBI van € 1.974,- per maand, wat resulteert in een draagkracht van € 39,- per maand voor het kind. Gezien de gezamenlijke draagkracht van € 311,- per maand, is er een tekort van € 189,- per maand ten opzichte van de behoefte van € 500,-. De rechtbank heeft de voorlopige kinderalimentatie vastgesteld op € 192,- per maand, met de beslissing dat deze uitvoerbaar bij voorraad is. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw voor het overige afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-6537
Zaaknummer: C/09/690791
Datum beschikking: 27 november 2025

Voorlopige kinderalimentatie ex art. 223 Rv

Beschikking op het op 29 augustus 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Dreiling te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. den Hollander-Fischer te Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- de brief van de man van 3 november 2025;
- het F9-bericht van de man van 3 november 2025, met bijlagen;
- het F9-bericht van de vrouw van 6 november 2025, met bijlagen.
Op 13 november 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat.
Namens de man zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw luidt, na wijziging, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de kinderalimentatie voorlopig op € 500,- per maand te bepalen,
althans op zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende, nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats];
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- [minderjarige] verblijft bij de moeder.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 31 oktober 2024 (in de procedure met zaaknummer C/09/651030 / FA RK 23-5220) is – voor zover hier aan de orde –:
­ een
voorlopigezorgregeling vastgesteld, waarbij [minderjarige] in de oneven weken van maandagmiddag uit school tot de week erop maandagochtend naar school bij de vader is;
­ is de verdere behandeling van het verzoek aangehouden tot een nadere zitting, in afwachting van een beschermingsonderzoek door de Raad;
- Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 14 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland tot 14 oktober 2025.

Beoordeling

Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 223 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid van dit artikel moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarde dat de gevraagde voorziening samenhangt met het verzoek in de bodemprocedure. In de bodemprocedure verzoekt de vrouw namelijk onder andere om te bepalen dat de man een bijdrage voor de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] moet voldoen. De vrouw is daarom ontvankelijk in haar verzoek, zodat de rechtbank zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Spoedeisend belang
Vooropgesteld wordt dat voor vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor de duur van de bodemprocedure in het kader van artikel
223 Rv alleen plaats is, als naar het oordeel van de rechtbank een (spoedeisend) belang bestaat, in die zin dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de bodemprocedure afwacht.
Volgens de vrouw is sprake van een spoedeisend belang. Zij draagt al geruime tijd alle kosten voor [minderjarige] alleen, terwijl zij beperkte inkomsten heeft. Er is daarmee een acute financiële noodzaak ontstaan. De man heeft het spoedeisend belang niet betwist, zodat de rechtbank dit zal aannemen.
Voorlopige kinderalimentatie
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechtbank zal de voorlopige kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift (29 augustus 2025), omdat de man vanaf dat moment in alle redelijkheid rekening kon houden met een te betalen bijdrage voor [minderjarige].
Behoefte
Om te berekenen welke bijdrage elk van de ouders moet leveren in de kosten van [minderjarige], moet eerst worden bepaald wat de kosten van [minderjarige] zijn (de behoefte). Geen van partijen heeft de behoefte van [minderjarige] berekend. De vrouw heeft enkel gesteld dat zij maandelijks een bedrag van € 500,- nodig heeft om in de kosten van [minderjarige] te voorzien. Bij gebrek aan verdere gegevens zal de rechtbank van dit bedrag uitgaan, nu het door de man ook niet is betwist. De rechtbank geeft daarbij aan partijen mee dat zij zich in de bodemprocedure zullen moeten uitlaten over de berekening van de behoefte van [minderjarige], waarbij het moment van uiteengaan van de ouders – in dit geval in 2013 – het ijkmoment is.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man overweegt de rechtbank het volgende. Door de man zijn geen gegevens overgelegd over zijn (recente) financiële situatie. Hij verwijst naar jaarstukken over de periode 2021-2023 uit een procedure ten aanzien van zijn andere kinderen, maar de rechtbank en de vrouw beschikken niet over deze stukken. Door de vrouw is in haar verzoekschrift enkel verwezen naar de winst die in deze jaarstukken is opgenomen, maar deze zijn bij gebrek aan de stukken niet te verifiëren. Cijfers over 2024 en (een prognose voor) 2025 ontbreken volledig.
De rechtbank wijst erop dat het op de weg van de ondernemer ligt om inzicht te verschaffen in zijn bedrijfsvoering en actuele financiële positie. Daar komt bij dat door de man een draagkracht-verweer is gevoerd, zodat het aan hem is aan te tonen dat er redenen zijn om van een lagere draagkracht uit te gaan. De man heeft dit nagelaten. Bij de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank daarom uitgaan van de laatst bekende jaarcijfers, namelijk die uit 2023. In dit jaar heeft de man een winst uit onderneming gemaakt van € 90.919,-. De rechtbank weegt daarbij ook mee dat de man op de zitting weliswaar heeft aangegeven dat zijn bedrijf is geherstructureerd en minder grote opdrachten kan aannemen, maar ook dat hij nu minder loonkosten heeft en dat zijn onderneming weer beter loopt dan anderhalf jaar geleden.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen zelfstandigenaftrek, MKB winstvrijstelling, heffingskortingen en bijdrage ZVW, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op
€ 4.952,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-) gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan in beginsel: 70% x [4.952 – (1.486 + 1.310)] = € 1.509,- per maand.
De man heeft gesteld dat hij schulden heeft. Dit betreft onder andere een schuld bij de belastingdienst (vanwege achterstallige inkomstenbelasting, omzetbelasting en motorrijtuigenbelasting), een huurachterstand, een betalingsachterstand bij de voormalige privéschool van [minderjarige] en een schuld bij de kinderopvang. Ten aanzien van de schuld bij de belastingdienst overweegt de rechtbank dat dit voor het overgrote deel inkomsten- en omzetbelasting is. Bij de berekening van de alimentatie wordt rekening gehouden met de huidige belastingdruk. Dat de man er in de afgelopen jaren voor heeft gekozen geen geld opzij te zetten om daarvan de aanslagen Btw, inkomstenbelasting en bijdrage Zvw te betalen en in plaats daarvan zijn bedrijfsresultaat heeft uitgegeven aan andere zaken komt geheel voor zijn eigen rekening en risico. Er zal daarom geen rekening worden gehouden met deze schuld. Met betrekking tot de overige aangevoerde schulden, geldt dat de man alleen ten aanzien van de schuld bij de privéschool de hoogte van de schuld en de maandelijkse aflossing (€ 600,-) heeft aangetoond. Voor de andere gestelde schulden is dat niet het geval. De rechtbank zal daarom bij de draagkracht alleen rekening houden met de aflossing op de schuld bij de privéschool.
Er resteert dan een draagkracht aan de zijde van de man van: 70% x [4.952 – (1.486 + 1.310 + 600)] = € 1.089,- per maand. De man heeft vier kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is. Omdat ten aanzien van zijn andere drie kinderen ook een alimentatieprocedure loopt en hierin nog geen behoefte of bijdrage is vastgesteld, zal de rechtbank de draagkracht van de man voor nu delen door vier, zodat voor [minderjarige] een draagkracht van € 272,- per maand beschikbaar is.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een Wajong-uitkering van € 1.685,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 1.974,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij een NBI van € 1.875,- tot € 2.125,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 1.925 en € 1.975 valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2025) een draagkracht van € 79,- per maand voor de vrouw in aanmerking nemen. Deze draagkracht moet worden verdeeld tussen [minderjarige] en haar jong-meerderjarige zus Demi, zodat de moeder per kind een draagkracht van € 39,- per maand beschikbaar heeft.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 311,- per maand (€ 272 + € 39). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige] van € 500,- per maand voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 189,- per maand.
Zorgkorting
Partijen hebben zich niet uitgelaten over de te hanteren zorgkorting. Omdat [minderjarige] conform de voorlopige zorgregeling de helft van de tijd bij de man verblijft, geldt een percentage van 35. De zorgkorting bedraagt dan in beginsel € 175,- per maand.
Omdat sprake is van een tekort van € 189,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 80,- per maand (€ 175 -/- € 95).
Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] bedraagt dan € 192,- per maand (€ 272 -/- € 80). De rechtbank zal dit bedrag als voorlopige kinderalimentatie vaststellen en het verzoek van de vrouw voor het overige afwijzen.

BeslissingDe rechtbank:

bepaalt ten aanzien van de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats];
dat de man met ingang van 25 augustus 2025 aan de vrouw
voorlopigeen bijdrage aan kinderalimentatie zal voldoen van € 192,- per maand;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 november 2025.
Partij
Alimentatieplichtige
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (C/09/690791)
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2025-2
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Winst uit onderneming (65-75)
65
Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek)
90.919
70
Winst uit onderneming
90.919
Ondernemersaftrek
71/ 72
Zelfstandigenaftrek
-
2.47
- Zelfstandigenaftrek
2.47
MKB Winstvrijstelling
-
11.233
75
Belastbare winst uit onderneming
77.216
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
77.216
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
14.383
- Schijf 3, 49,5% over € 76.818 of meer
197
Correctie aftrek toptarief (ondernemersaftrekken en persoonlijke aftrekken)
1.647
95
Inkomensheffing box 1
29.996
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
90.919
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
29.996
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
2.485
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
27.511
Inkomen na aftrek inkomensheffing
63.408
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
jaar
Arbeidskorting
2.485
jaar
117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
Winst uit onderneming
77.216
Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
77.216
Maximum bijdrage loon
75.864
Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd
75.864
Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd
75.864
Percentage Zvw
%
5,26
Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
3.99
Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW
-
3.99
120
Besteedbaar inkomen
59.418
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
59.418
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
4.952
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
4.952
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
1.31
123a
Woonbudget
1.486
134a
Extra lasten opnemen
600
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
3.396
136a
Draagkrachtruimte
1.556
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
1.089
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
1.089
Partij
Alimentatiegerechtigde
Zaak
Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde (C/09/690791)
Berekening
Draagkracht
Tarieven
2025-2
Kenmerk
C/09/690791
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
43
Bruto uitkering andere sociale verzekeringswetten
20.22
44
Vakantietoeslag
1.618
Bruto inkomsten
21.838
Premies (51-59)
Pensioenpremie
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
21.838
59
Inkomsten
21.838
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
21.838
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
21.838
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
7.822
95
Inkomensheffing box 1
7.822
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
21.838
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
7.822
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
3.068
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
4.754
Inkomen na aftrek inkomensheffing
17.084
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
3.068
jaar
Bij: Kindgebonden budget
6.603
120
Besteedbaar inkomen
23.687
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
23.687
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
1.974
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
1.974
Draagkracht wordt berekend op basis van
Tabel
Afwijken van de tabel?
nee
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
79