De vader verzoekt een voorlopige contactregeling met zijn minderjarige kind, waarbij hij na een periode van alleen videobellen fysieke omgang wil opbouwen. De moeder verzet zich hiertegen vanwege zorgen over de veiligheid van het kind, verwijzend naar incidenten eerder in het jaar en haar verlies van vertrouwen in de vader. Zij verzoekt om contact via videobellen en een onderzoek naar de psychische gesteldheid en opvoedvaardigheden van de vader.
De rechtbank stelt vast dat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek en dat het recht op omgang van de vader met het kind niet ter discussie staat. Tegelijkertijd weegt de rechtbank zwaar dat er in januari en maart ernstige incidenten waren waarbij de veiligheid van het kind in het geding was, waaronder stalking en het meenemen van het kind in verwarde toestand.
Gezien de onduidelijkheid over de veiligheid en het belang van het kind bij fysieke omgang, beveelt de rechtbank een raadsonderzoek aan om te bepalen of en op welke wijze contact veilig kan plaatsvinden. Tot die tijd wordt het bestaande wekelijkse videobellen voortgezet. De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.