ECLI:NL:RBDHA:2025:25399

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 oktober 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
NL24.40655
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging van een asielgerechtigde met een Afghaanse nationaliteit

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 8 oktober 2025, wordt de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf behandeld. Eiseres, geboren in 2002 en van Afghaanse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend om bij haar referent te verblijven, die een asielvergunning heeft verkregen vanwege vrees voor de Afghaanse autoriteiten. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag afgewezen, stellende dat eiseres niet voldoet aan het middelenvereiste en dat de huwelijksakte niet correct is gelegaliseerd. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2025 behandeld. De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat referent zich tot de Afghaanse ambassade moet wenden voor legalisatie van de huwelijksakte, gezien de asielstatus van referent. De rechtbank concludeert dat de minister de hoorplicht heeft geschonden en dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij eiseres gehoord moet worden. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.40655
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: S. Kowsari).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’ (referent). Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2002. Eiseres en referent hebben de Afghaanse nationaliteit.
2. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 15 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 september 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor een reguliere verblijfsvergunning mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Het bestreden besluit
6. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor een reguliere verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’. Volgens de minister is niet voldaan aan het middelenvereiste, omdat referent een uitkering ontvangt op basis van de Participatiewet en dit geen zelfstandig inkomen is. Referent valt ook niet onder een van de vrijstellingsgronden van het middelenvereiste. Verder is de huwelijksakte niet op de juiste wijze gelegaliseerd en ontbreekt een consulaire verklaring van de Afghaanse ambassade in Den Haag. De minister ziet geen aanleiding om van de beleidsregels af te wijken, omdat eiseres geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd. Ook de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) valt in het nadeel van eiseres uit. Gelet op het voorgaande heeft de minister het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard en daarom is eiseres in bezwaar niet gehoord.
Bevoegdheid
7. Met ingang van 2 juli 2024 is de bevoegde beslissingsautoriteit gewijzigd van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid naar de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit ten onrechte is genomen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit is een gebrek. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat eiseres door dit gebrek niet is benadeeld.

Middelenvereiste

8. Eiseres voert aan dat de minister referent had moeten vrijstellen van het middelenvereiste, omdat referent binnen een afzienbare termijn aan het middelenvereiste zal kunnen voldoen. Op de zitting heeft eiseres haar standpunt aangevuld wat betreft de stelling dat de minister te strenge voorwaarden heeft gebruikt voor gezinshereniging. Eiseres voert daarover aan dat op de minister een verzwaarde motiveringsplicht rust, omdat referent een asielvergunning heeft. Dit volgt volgens eiseres uit een uitspraak van de rechtbank van 8 juni 2021.1 Gelet op deze uitspraak heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom geen vrijstelling van het middelenvereiste wordt verleend. Volgens eiseres had de minister moeten betrekken dat referent aan het inburgeren is, op zoek is naar werk, goede arbeidsmarktkwalificaties heeft en alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om te voldoen aan het middelenvereiste.
9. Tussen partijen is niet in geschil dat referent niet voldoet aan het middelenvereiste. Wel is in geschil of hij hiervan had moeten worden vrijgesteld. In artikel 3.22, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is opgenomen wanneer de minister vrijstelling van het middelenvereiste verleent. Dit is nader uitgewerkt in het beleid van de minister in paragraaf B7/2.1.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Dat beleid komt er kortgezegd op neer dat een referent in aanmerking komt voor vrijstelling van het middelenvereiste als die referent duurzaam niet in staat is om zelfstandig in zijn inkomen te voorzien. De rechtbank begrijpt dat referent zijn best doet om werk te vinden, maar hij verkeert niet in een situatie waarin hij duurzaam niet in staat is om aan het middelenvereiste te voldoen. Tijdens de zitting heeft referent zelf ook toegelicht dat hij graag wil werken, hard op zoek is naar een baan, goede arbeidsmarktkwalificaties heeft en verwacht dat hij een baan zal vinden, zeker als hij zijn inburgeringstraject heeft afgerond en beter Nederlands spreekt. Referent heeft weliswaar een asielvergunning verkregen nadat Nederland hem uit Afghanistan heeft geëvacueerd na de machtsovername door de Taliban, maar uit het dossier blijkt verder niet dat referent minder goed in staat zou zijn in zijn eigen inkomen te voorzien vanwege omstandigheden die samenhangen met zijn asielrelaas. Verder zijn er geen persoonlijke omstandigheden die leiden tot de conclusie dat hij moet worden vrijgesteld van het middelenvereiste. De minister heeft dit in het bestreden besluit ook toegelicht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarmee deugdelijk gemotiveerd dat referent niet voldoet aan een van de redenen voor vrijstelling van het middelenvereiste. De minister wijst er in het bestreden besluit verder terecht op dat referent een nieuwe aanvraag voor gezinshereniging kan doen als hij voldoet aan het middelenvereiste, omdat het voor hem niet blijvend onmogelijk is om te voldoen aan de voorwaarden voor gezinshereniging. De beroepsgrond slaagt niet.
Huwelijk en gezinsband
10. Eiseres voert, samengevat, aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiseres en referent hun huwelijk niet aannemelijk hebben gemaakt, omdat de overgelegde huwelijksakte niet op de juiste wijze is gelegaliseerd. De minister verlangt ten onrechte dat referent een consulaire verklaring moet opvragen bij de Afghaanse ambassade in Den Haag om de huwelijksakte op de juiste wijze te legaliseren, onder meer omdat referent een asielvergunning heeft. De minister gaat er daarbij ten onrechte vanuit dat referent is teruggekeerd naar Afghanistan om te trouwen. Dat is niet het geval, aldus eiseres.
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat van referent verwacht mag worden dat hij een consulaire verklaring bij de Afghaanse ambassade opvraagt om zijn huwelijk met eiseres aannemelijk te maken. De minister heeft aan referent een asielvergunning verleend en gaat er daarmee vanuit dat hij te vrezen heeft voor vervolging in Afghanistan. De minister kan daarom niet van referent verwachten dat hij zich wendt tot de Afghaanse autoriteiten in Nederland. De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt, zoals toegelicht tijdens de zitting, dat dit in dit geval wel van referent kan worden verlangd, omdat uit de huwelijksakte blijkt dat hij is teruggekeerd naar Afghanistan om daar te trouwen. Referent heeft dit tijdens de zitting betwist. Hij stelt dat hij “met de handschoen” is getrouwd, waarbij hij in Nederland verbleef en eiseres in Afghanistan was. De rechtbank stelt vast dat in het dossier een Engelstalige vertaling van de huwelijksakte zit, waarin staat:
“The marriage of the contracting parties, the groom ( [referent] ) and the bride ( [eiseres] ”) in their own home is concluded in the presence of witnesses (…)”.Anders dan de minister stelt, kan daaruit niet worden opgemaakt dat referent fysiek in Afghanistan aanwezig moet zijn geweest tijdens het huwelijk. De passage kan namelijk ook zo worden gelezen dat eiseres en referent ieder in hun eigen huis aanwezig waren. Daarbij komt dat deze passage in de huwelijksakte voor de minister ook geen aanleiding is geweest om de asielvergunning in te trekken en tijdens de zitting is ook niet gebleken dat de minister voornemens is dit alsnog te gaan doen. De rechtbank ziet dan ook geen enkele aanleiding om ervan uit te gaan dat referent zich zonder probleem zou kunnen wenden tot de Afghaanse ambassade. Onder die omstandigheden mag de minister niet van referent verlangen dat hij zich wendt tot de Afghaanse ambassade voor het verkrijgen van een consulaire verklaring.
11.1.
Verder merkt de rechtbank op dat uit artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn2 volgt dat de minister alle bewijsmiddelen moet betrekken bij de beoordeling van de gezinsband en dat de aanvraag niet kan worden afgewezen enkel vanwege het ontbreken van bewijsstukken zoals een consulaire verklaring. Dat laatste heeft de minister in dit geval wel gedaan.
11.2.
De beroepsgrond slaagt. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen eiseres verder heeft aangevoerd hierover geen bespreking meer.
Artikel 8 van het EVRM
12. Eiseres voert aan dat de minister de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten onrechte in haar nadeel heeft laten uitvallen. Volgens eiseres had de minister de machtiging tot voorlopig verblijf moeten verlenen, gelet op het feit dat referent zich heeft ingezet voor de Nederlandse normen en waarden en hierdoor heeft moeten vluchten. Het gezinsleven kan daardoor niet worden uitgeoefend in Afghanistan en op afstand kan onvoldoende invulling worden gegeven aan het gezinsleven. Verder heeft de minister ten onrechte meegewogen dat de banden van eiseres en referent met Afghanistan sterker zijn dan die met Nederland en heeft hij geen aandacht besteed aan de slechte positie van vrouwen in Afghanistan onder het huidige regime van de Taliban.
13. De rechtbank overweegt dat de minister bij een aanvraag voor verblijf bij een familie- of gezinslid beoordeelt of sprake is van familieleven tussen de vreemdeling en het familie- of gezinslid in de zin van artikel 8 van het EVRM. Als de minister zich op het standpunt stelt dat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM en een verblijfsaanvraag voor een familie- of gezinslid afwijst, dan maakt de minister een belangenafweging. De minister weegt in dat geval het belang van het familieleven af tegen de belangen van de Nederlandse staat. In dit geval heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat tussen referent en eiseres familieleven bestaat, maar dat het economisch belang van Nederland zwaarder weegt dan het belang van eiseres en referent om hun familieleven in Nederland uit te oefenen.
13.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. De minister weegt zwaar in het nadeel dat het huwelijk tussen eiseres en referent niet op de juiste wijze is aangetoond. Gelet op het eerdere oordeel onder rechtsoverwegingen 11 t/m 11.2 kon de minister deze omstandigheid niet in het nadeel van eiseres wegen, omdat niet van referent mag worden verwacht dat hij zich tot de Afghaanse autoriteiten wendt. Het is de rechtbank bovendien niet duidelijk waarom het voor de belangenafweging relevant is dat er geen consulaire verklaring is overgelegd, aangezien de minister ervan uitgaat dat tussen eiseres en referent gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat. Voor zover de minister meent dat een gelegaliseerde huwelijksakte iets zou zeggen over hoe sterk de band is tussen eiseres en referent en de manier waarop zij invulling geven aan het gezinsleven, volgt de rechtbank dat niet omdat het bestaan van (sterke) gezinsbanden een feitelijke beoordeling is.
13.2.
Ook weegt de minister ten onrechte in het nadeel dat geen sprake is van een objectieve belemmering en het familieleven ook in Afghanistan kan worden uitgeoefend. De minister heeft aan referent een asielvergunning verleend en neemt daarmee aan dat sprake is van een vrees voor vervolging bij terugkeer naar Afghanistan. De rechtbank kan de minister daarom niet volgen in het standpunt dat geen sprake is van een objectieve belemmering om het familieleven in Afghanistan uit te oefenen. Omdat de banden van eiseres en referent met Afghanistan samenhangen met het feit dat de minister geen objectieve belemmering aanneemt, kon de minister deze omstandigheid evenmin in het nadeel wegen.
13.3.
Voor zover eiseres aanvoert dat van belang is dat referent zich voor Nederland en de Europese Unie heeft ingezet door in Afghanistan te werken voor de politie, is de rechtbank van oordeel dat de minister deze omstandigheid al heeft betrokken bij het verlenen van een asielvergunning aan referent en dat dit ertoe leidt dat er objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen.
Hoorplicht
14. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister de hoorplicht heeft geschonden.
De minister mag alleen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.3 Gelet op de motivering van het besluit van 15 februari 2024 en wat eiseres daartegen in bezwaar heeft aangevoerd over de huwelijksakte en over artikel 8 EVRM, is in dit geval niet voldaan aan voormelde maatstaf om van het horen af te zien. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Awb. Dat betekent dat eiseres gelijk heeft en de minister het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Dit omdat de minister eiseres moet horen. Ook stelt de rechtbank de minister niet in de gelegenheid om tijdens deze beroepsprocedure de geconstateerde gebreken te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus), omdat dit geen efficiënte en doelmatige afdoening van de zaak is.
16. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van twaalf weken, omdat de minister eiseres zal moeten horen.
17. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten en het griffierecht van € 187,-. De minister moet deze vergoeding betalen. De proceskostenvergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het bestreden besluit van 20 september 2024;
-draagt de minister op om binnen twaalf weken na de dag verzending van deze uitspraak eiseres te horen en een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
-bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
-veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
1. Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 8 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:6038.
2 Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003.
3 Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4360.
08 oktober 2025

Documentcode: [Documentcode]