ECLI:NL:RBDHA:2025:25404

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
NL24.36504
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een Colombiaanse homoseksuele minderjarige met vrees voor vervolging

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van een Colombiaanse eiser die homoseksueel is en als minderjarige slachtoffer is geworden van seksueel geweld door zijn buurman. De eiser heeft op 4 februari 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, maar deze is door de minister van Asiel en Migratie op 22 augustus 2024 afgewezen. De rechtbank heeft het beroep van de eiser op 24 april 2025 behandeld. De eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Colombia vreest voor vervolging vanwege zijn homoseksualiteit en de bedreigingen van zijn buurman, die banden zou hebben met een gewapende groep. De minister heeft echter geconcludeerd dat de asielmotieven van de eiser niet voldoende zwaarwegend zijn om een asielvergunning te verlenen. De rechtbank heeft in haar oordeel verwezen naar de algemene situatie van homoseksuelen in Colombia en de beschermingsmogelijkheden die er zijn. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen gegronde vrees voor vervolging is en dat de persoonlijke omstandigheden van de eiser niet voldoende zijn om aan te nemen dat hij bij terugkeer in Colombia ernstig gevaar loopt. De rechtbank verklaart het beroep van de eiser ongegrond, wat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36504
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J. Visschers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 4 februari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 augustus 2024 deze aanvraag in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J.M.V. Schaik als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is homoseksueel en is als minderjarige seksueel misbruikt door zijn buurman. Eiser heeft aangifte gedaan tegen de buurman, maar de Colombiaanse autoriteiten hebben hier niks mee gedaan. De buurman van eiser zou banden hebben met een gewapende groep, een guerrilla. Leden van de guerrilla achtervolgden en observeerden eiser waardoor hij gevaar loopt. Eiser is de buurman tegengekomen in de supermarkt waarna hij eiser en zijn familie met de dood heeft bedreigd. Eiser vreest bij terugkeer naar Colombia voor zijn buurman en voor discriminatie vanwege zijn homoseksualiteit.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- homoseksualiteit; en
- verkrachting door eisers buurman.
8. De minister vindt eisers asielmotieven geloofwaardig, maar vindt niet dat deze voldoende zwaarwegend zijn voor het verlenen van een asielvergunning aan eiser. Ten aanzien van de homoseksualiteit van eiser heeft de minister zich onder verwijzing naar het Algemeen ambtsbericht Colombia 2022 op het standpunt gesteld dat er in Colombia geen sprake is van vervolging van de LHBTI-gemeenschap. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn homoseksualiteit zodanige persoonlijk problemen heeft ondervonden dat sprake is van een gegronde vrees bij terugkeer. Volgens de minister is het ook niet aannemelijk dat eiser nog steeds heeft te vrezen voor de buurman bij terugkeer naar Colombia. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

Het standpunt van eiser

9. Eiser voert aan dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Colombia en dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hier geen sprake van is. Zowel uit het Algemeen ambtsbericht Colombia van juni 2024 (ambtsbericht 2024) als uit door hem overgelegde andere informatie blijkt dat LHBTI-personen een verhoogd risico lopen op vervolging en ernstige schade. De minister had hen daarom moeten aanwijzen als risicoprofiel in het landenbeleid van Colombia. Verder voert eiser aan dat de minister niet alle relevante persoonlijke omstandigheden van eiser heeft betrokken bij de beoordeling van zijn vrees bij terugkeer. Volgens eiser heeft de minister ten onrechte een strikte scheiding aangebracht tussen de feiten die horen bij artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en die bij het Vluchtelingenverdrag horen. De minister had bij beide gronden moeten betrekken dat eiser als minderjarige slachtoffer is geweest van seksueel geweld. Daarmee is sprake van een subjectieve vrees, omdat die gebeurtenis van invloed is op eisers psychisch welbevinden. Dat dit relevant is bij de beoordeling blijkt volgens eiser uit de uitspraak Muršić tegen Kroatië van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).1 Eiser wijst er verder op dat het seksuele geweld en de bedreiging van zijn familie, duiden op een situatie in de zin van artikel 31, vijfde lid, van de Vw en dat er dus sprake is van een omkering van de bewijslast. Bovendien heeft eiser aangifte gedaan van de verkrachting. Dat dit er niet toe heeft geleid dat de buurman is opgepakt, versterkt de verklaring van eiser dat de buurman banden heeft met de guerrilla. Ook heeft de buurman eiser en zijn familie kort voor zijn vertrek uit Colombia nog bedreigd. Verder is eiser op school regelmatig gepest en op zijn werk gediscrimineerd vanwege zijn homoseksualiteit.
Het oordeel van de rechtbank
Algemene situatie LHBTI in Colombia
10. De rechtbank is onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 juni 20242 van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat uit de algemene situatie voor homoseksuelen in Colombia niet blijkt dat zij in het algemeen een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico op ernstige schade lopen bij terugkeer. De algemene informatie waar eiser in beroep op wijst verandert dit oordeel niet. Uit die informatie blijkt dat sprake is van geweldsincidenten tegen de LHBTI-gemeenschap in Colombia. Dat hiervan sprake is, heeft de Afdeling in de uitspraak van 5 juni 2024 betrokken. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat er beschermingsmogelijkheden zijn die specifiek gericht zijn op seksuele minderheden en transpersonen en dat niet kan worden gezegd dat bescherming van de Colombiaanse autoriteiten tegen dat geweld of discriminatie niet mogelijk is.3 De minister heeft dan ook in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om LHBTI-personen aan te merken als risicoprofiel in het landenbeleid van Colombia of om zich op het standpunt te stellen dat eiser vanwege zijn homoseksualiteit bij terugkeer heeft te vrezen voor vervolging.

Individuele omstandigheden

11. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de persoonlijke omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht, evenmin een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer met zich brengen. Deze persoonlijke omstandigheden heeft de minister ook voldoende bij het bestreden besluit betrokken.
12. Zo heeft de minister betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij door zijn leidinggevende werd gediscrimineerd op het werk en dat hij op school werd gepest en uit werd gescholden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich daarbij op het standpunt mogen stellen dat niet aannemelijk is geworden dat deze problemen specifiek op eiser waren gericht vanwege zijn geaardheid of van zodanige aard waren dat sprake was van discriminatie in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Daarbij heeft de minister er onder meer terecht op gewezen dat uit de verklaringen van eiser naar voren komt dat zijn leidinggevende iedereen lastig viel.
13. Verder heeft de minister bij zijn oordeel betrokken dat eiser als minderjarige het slachtoffer is geworden van seksueel misbruik door zijn buurman. De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat ook deze omstandigheid geen gegronde vrees bij terugkeer naar Colombia met zich brengt. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat eiser de buurman sinds de verkrachting lange tijd niet heeft gezien en sinds de bedreiging in de supermarkt niets meer heeft vernomen van de buurman. Ook kan eiser in het gehoor weinig informatie geven over de bedreiging van de buurman in de supermarkt in december 2022 en evenmin over de banden van de buurman met de guerrilla. Dat die banden zouden blijken uit het feit dat de autoriteiten geen actie hebben ondernomen naar aanleiding van eisers aangifte, is slechts gebaseerd op vermoedens van eiser.
14. Voor zover eiser heeft aangevoerd op de zitting dat eiser deel uitmaakt van een sociale groep in Colombia, omdat hij als minderjarige slachtoffer is geworden van seksueel geweld, constateert de rechtbank dat eiser deze stelling geenszins heeft onderbouwd en niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser als slachtoffer van seksueel misbruik heeft te vrezen voor vervolging bij terugkeer naar Colombia.
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de door eiser naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden bij het bestreden besluit betrokken en zich voldoende gemotiveerd – ook in het licht van artikel 31, vijfde lid, van de Vw – op het standpunt kunnen stellen dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer opnieuw zal worden blootgesteld aan vervolging dan wel ernstige schade.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
1. Uitspraak van het EHRM van 20 oktober 2016 (Muršić tegen Kroatië) ECLI:CE:ECHR:2016:1020JUD000733413.
2 Uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2331.
3 Vergelijk overwegingen 8. tot en met 8.2. en 10. tot en met 10.3. van de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2331.
11 december 2025

Documentcode: [Documentcode]