In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de bewaring van een Algerijnse vreemdeling. De minister van Asiel en Migratie had op 9 december 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling, bijgestaan door zijn gemachtigde, heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, waarbij hij tevens schadevergoeding heeft verzocht. Tijdens de zitting op 22 december 2025 heeft de rechtbank de zaak behandeld, waarbij de vreemdeling en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de vertegenwoordiger van de minister.
De vreemdeling betoogde dat hij op onjuiste gronden was opgehouden, omdat hij geen identiteitsdocumenten had en de ophouding had moeten plaatsvinden op basis van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet. De rechtbank oordeelde dat de minister de juiste grondslag had gehanteerd, maar dat er een gebrek in het voortraject was. Dit gebrek was echter van geringe aard en leidde niet tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring. De rechtbank concludeerde dat de belangen van de minister zwaarder wogen dan het gebrek in de procedure.
De rechtbank heeft het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Wel werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op € 1.814,00. De uitspraak is openbaar gemaakt op 24 december 2025 en er staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.