ECLI:NL:RBDHA:2025:25436

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
NL25.60449
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een Marokkaanse asielzoeker en de toepassing van het non-refoulement beginsel

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarbij aan de eiser, een Marokkaanse asielzoeker, de maatregel van bewaring is opgelegd. De eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. C.T.W. van Dijk, heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, dat op 7 december 2025 is genomen. De rechtbank heeft de zaak op 22 december 2025 behandeld, waarbij de eiser aanwezig was met een tolk en de minister vertegenwoordigd was door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen risico op schending van het non-refoulement beginsel zou zijn. Eiser heeft in het verleden een asielaanvraag ingediend, maar is nooit gehoord in het kader van het terugkeerbesluit. De rechtbank oordeelt dat de minister bij het nemen van terugkeerbesluiten moet verifiëren of het non-refoulement beginsel in acht is genomen. De rechtbank concludeert dat er geen voldoende individuele omstandigheden zijn aangevoerd die wijzen op een risico op refoulement bij terugkeer naar Marokko.

De rechtbank heeft ook de argumenten van eiser over de toepassing van een lichter middel beoordeeld. Eiser heeft gesteld dat hij meerdere jaren in detentie heeft gezeten en dat een meldplicht een lichter middel zou zijn. De rechtbank oordeelt echter dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom een lichter middel niet toereikend zou zijn, gezien het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60449
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Jafoute. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en stelt ter zitting te zijn geboren op [geboortedatum] 2007.
Non-refoulement
2. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van een risico op schending van het non-refoulement beginsel. Uit het arrest Ararat1 van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de minister verplicht is om een actuele beoordeling te maken van het refoulementsrisico. Dat is in het geval van eiser niet gebeurd. Eiser heeft in 2018 een asielaanvraag ingediend als minderjarige. Bij de gehoren hierover is eiser niet verschenen, maar vervolgens is wel een besluit tot buiten behandeling stelling van de asielaanvraag en een terugkeerbesluit genomen. Eiser is dus feitelijk nooit gehoord in het kader van het terugkeerbesluit en het risico op schending van het non-refoulementbeginsel.
1. Uitspraak van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892 (Ararat).
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het arrest Ararat volgt dat de minister zich er bij elk terugkeerbesluit van moet vergewissen dat het beginsel van refoulement in acht is genomen. De rechter moet een eventuele schending die voortvloeit uit de uitvoering van een dergelijk besluit vaststellen. Het besluit waarin het terugkeerbesluit van eiser is opgenomen is niet inhoudelijk beoordeeld, omdat eiser niet aanwezig was bij de gehoren. De minister kan enkel een geactualiseerde, inhoudelijke beoordeling van het risico op refoulement maken als eiser daartoe medewerking verleent of in ieder geval omstandigheden aanvoert waaruit blijkt dat hij daarvoor te vrezen heeft bij terugkeer. De rechtbank stelt vast dat eiser in het gehoor voor inbewaringstelling van 7 december 2025 en ter zitting geen individuele omstandigheden heeft aangevoerd op basis waarvan het aannemelijk is dat hij, als hij nu zou moeten terugkeren, een risico zou lopen op refoulement. De rechtbank ziet ook naar aanleiding van de dossierstukken niet dat er sprake zal zijn van schending van het non- refoulement beginsel als eiser terugkeert naar Marokko. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser alle zware gronden en alle lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. Ten aanzien van de zware grond onder 3a stelt eiser dat deze grond feitelijk juist is, maar niet aan hem kan worden tegengeworpen, omdat eiser ten tijde van zijn inreis minderjarig was. Over de zware grond onder 3b stelt eiser dat hij in 2018 met onbekende bestemming is vertrokken, maar ook toen was eiser nog minderjarig. Daarbij komt dat deze melding meer dan zeven jaar geleden is. Gezien deze omstandigheden kan deze grond niet worden gebruikt om een actueel risico op onttrekking aan te nemen.
6. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden onder 3a en 3b feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Eiser was ten tijde van zijn inreis niet in het bezit van een geldig grensoverschrijdend document en beschikte ook niet over een visum. Dit is feitelijk juist. Dat eiser minderjarig was ten tijde van zijn inreis, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Verder is eiser op 21 juni 2018 met onbekende bestemming vertrokken, ook dat is feitelijk juist. Dat eiser ook toen nog minderjarig was en het meer dan zeven jaar geleden is dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken doet niet af aan deze feitelijke juistheid.
7. De zware gronden onder 3a en 3b zijn al voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring al dragen. De geschilpunten over de overige gronden van bewaring behoeven daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
8. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser heeft meerdere jaren in detentie gezeten en wenst nu zijn vrijheid terug. Aan eiser kan een meldplicht opgelegd worden. De gemachtigde van eiser heeft contact opgenomen met [persoon] van het meldpunt van de gemeente Utrecht. [persoon] heeft aangegeven dat hij een meldplicht voor eiser bij de gemeente Utrecht kan regelen en ook een slaapplek. Verder had in de motivering in het kader van het lichter middel niet verwezen mogen worden naar de melding dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken, omdat dit meer dan zeven jaar geleden is.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom niet is volstaan met het opleggen van een lichter middel. De stelling van eiser dat er met [persoon] is gesproken en dat hij een meldplicht voor eiser kan regelen heeft eiser niet onderbouwd. Verder heeft eiser in het gehoor voor inbewaringstelling van 7 december 2025 eerst verklaard dat hij nu niet weet of hij wil terugkeren naar Marokko omdat hij iemand kent die hem kan helpen hier in Nederland te blijven. Daarna zegt eiser dat hij wel wil vertrekken naar Spanje en dat hij daar ook een vriendin heeft. Aan het einde van het gehoor verklaart eiser dat hij zelf wil terugkeren, desnoods naar zijn eigen land. De minister heeft mogen overwegen dat uit deze verklaringen niet afdoende blijkt dat eiser vrijwillig wil vertrekken naar Marokko. Een lichter middel zal daarom in dit geval niet doeltreffend zijn. Verder heeft de minister mogen overwegen dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken, waardoor het risico bij het opleggen van een lichter middel te groot is. Dat het al enige tijd geleden is dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken, maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

10. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.