ECLI:NL:RBDHA:2025:25444

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
NL25.50112
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatigheid van bewaring en ophouding van vreemdeling in het kader van de Vreemdelingenwet 2000

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 4 november 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de bewaring van een vreemdeling, eiser, door de Minister van Asiel en Migratie. Eiser had beroep ingesteld tegen een besluit van 9 oktober 2025, waarbij hem de maatregel van bewaring was opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Tijdens de zitting op 22 oktober 2025 heeft eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn standpunten toegelicht. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om verweerder de gelegenheid te geven een machtiging tot binnentreden aan het dossier toe te voegen. Eiser heeft hierop gereageerd, en de rechtbank heeft het onderzoek op 28 oktober 2025 gesloten.

De rechtbank heeft overwogen dat de staandehouding van eiser niet onrechtmatig was, ondanks dat de machtiging tot binnentreden oorspronkelijk voor een andere vreemdeling was bedoeld. De rechtbank concludeert dat er voldoende redenen waren om aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken, en dat de maatregel van bewaring gerechtvaardigd was. Eiser had geen rechtsgeldige argumenten om de maatregel aan te vechten, en zijn verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De rechtbank heeft ook ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel getoetst en geen gronden gevonden voor onrechtmatigheid. De uitspraak werd gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, en is openbaar gemaakt op dezelfde dag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50112

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid de machtiging tot binnentreden aan het dossier toe te voegen en eiser in de gelegenheid te stellen hierop te reageren.
Eiser heeft op 23 oktober 2025 gereageerd op de machtiging tot binnentreden. Verweerder heeft op 27 oktober 2025 op eiser gereageerd.
Op 28 oktober 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank doet met toestemming van partijen zonder nadere zitting uitspraak.

Overwegingen

Staandehouding
1. Eiser voert aan dat bij de staandehouding van eiser geen rechtsgeldige machtiging tot binnentreden is gebruikt en dat de ophouding op een onjuiste grondslag berust. De machtiging tot binnentreden waar verweerder naar verwijst, was bedoeld om een andere vreemdeling staande te houden in de kamer waar uiteindelijk alleen eiser is aangetroffen. Verweerder kan niet met die machtiging die bedoeld was om een andere vreemdeling in die kamer staande te houden, eiser staande houden. Dit is in strijd met het doel vermeld in de machtiging.
1.1.
De daartoe bevoegde ambtenaar mag een woning zonder toestemming van de bewoner betreden als er een redelijk vermoeden bestaat dat er een vreemdeling verblijft die geen rechtmatig verblijf heeft (artikel 53, eerste lid, van de Vw). Ook is dan in beginsel een machtiging tot binnentreden vereist op grond van artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden (Awbi). De machtiging moet het doel van het binnentreden vermelden (artikel 6, eerste lid van de Awbi).
1.2.
Naar het oordeel van de rechtbank was het binnentreden met deze machtiging (waarin een andere vreemdeling dan eiser staat genoemd) niet onrechtmatig. Uit het proces-verbaal volgt dat eiser is aangetroffen in de woning die bekend stond als de verblijfplaats van een illegaal verblijvende vreemdeling (zie paragraaf A2/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (Afdeling) van 31 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3058). Dat is voldoende om een redelijk vermoeden van illegaal verblijf van andere aanwezigen op te leveren. Daarom kon eiser op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw worden staandegehouden (zie de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:1062). Ook geldt dat het doel van het binnentreden in de machtiging vermeld stond: het zonder toestemming betreden van de woning voor zover nodig ter uitzetting, overdracht of inbewaringstelling. Daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 6, eerste lid van de Awbi.
Ophouding
2. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat zijn ophouding ten onrechte is gebaseerd op artikel 50, derde lid, van de Vw. Volgens eiser had zijn ophouding moeten worden gebaseerd op artikel 50, tweede lid, van de Vw, omdat zijn identiteit ten tijde van de ophouding niet vaststond en hij niet beschikt over identificerende documenten.
2.1.
De verbalisanten hebben eisers identiteit bij de staandehouding vastgesteld aan de hand van de informatie (foto) in de infoset van DT&V. Zijn identiteit was dus al voor aanvang van de ophouding bekend. Verweerder moest de ophouding daarom baseren op artikel 50, derde lid, van de Vw. Dat eiser niet beschikte over identificerende documenten maakt dit niet anders. Niet is uitgesloten dat verweerder tijdens de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw nog verificatiewerkzaamheden verricht en aanvullende gegevens van de vreemdeling verzamelt wat betreft de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring niet heeft bestreden. Deze onbestreden gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest. Daarnaast dient de rechtbank, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), ambtshalve te toetsen of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a en b, van de Terugkeerrichtlijn zich verzetten tegen verwijdering. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.
Conclusie en gevolg
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Yildiz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.