ECLI:NL:RBDHA:2025:25454

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
NL23.38410
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Egyptische eiser met politieke overtuiging en beroep tegen afwijzing

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 21 oktober 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure van een Egyptische eiser die op 4 augustus 2022 een asielaanvraag indiende. De eiser, die politiek actief was voor de Freedom and Justice Party in Egypte, stelde dat hij vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten in gevaar was voor vervolging door de Egyptische autoriteiten. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag op 17 mei 2024 afgewezen, met de stelling dat de eiser niet als vluchteling kon worden aangemerkt en dat hij geen reëel risico liep bij terugkeer naar Egypte. De rechtbank heeft het beroep van de eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag behandeld, waarbij de eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat de minister de wettelijke beslistermijn had overschreden, maar dat de eiser geen belang meer had bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen, omdat er inmiddels een besluit was genomen. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat de afwijzing van de asielaanvraag niet voldoende was gemotiveerd, vooral met betrekking tot de politieke overtuiging van de eiser. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen, waarbij de gevolgen van de politieke overtuiging van de eiser bij terugkeer naar Egypte in acht moeten worden genomen. De rechtbank heeft verweerder ook veroordeeld in de proceskosten van de eiser tot een bedrag van € 2.267,50.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.38410

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer 1]
(gemachtigde: mr. M.M. Volwerk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Procesverloop

Eiser heeft op 4 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend in de zin van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser heeft verweerder op 20 november 2023 in gebreke gesteld. Op 7 december 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
Bij besluit van 17 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen. Daarbij heeft verweerder bepaald dat aan eiser niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend en dat hij geen uitstel van vertrek krijgt. Het bestreden besluit omvat ook een terugkeerbesluit.
De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het beroep (NL24.24359) van eisers vrouw ([naam 1]), op 30 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1979 en heeft de Egyptische nationaliteit. Hij heeft op 4 augustus 2022 de asielaanvraag ingediend.
2. Eiser heeft – samengevat – het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. In 2011 is hij politiek actief geworden in Egypte voor de Freedom and Justice Party (FJP). In dat kader was hij onder meer betrokken bij het houden van toezicht op het verloop van meerdere verkiezingen, was hij commissielid bij de jongerentak van de partij en heeft hij deelgenomen aan meerdere demonstraties. Hierdoor wordt hij gezien als politiek opposant van het huidige regime en hoorde hij dat zijn naam op een lijst stond met andere mensen en dat er tegen die mensen een arrestatiebevel is uitgevaardigd door de politie. Eind 2013 is hij ontslagen. Tussen september 2013 en september 2014 is eiser op verschillende adressen in Bani Souwaif en daarna Cairo ondergedoken geweest. In de nacht van 24 op 25 januari 2014 is er een huiszoeking geweest in zijn woning in Bani Souwaif. In september 2014 is eiser naar Qatar gegaan om daar een (arbeids) contract te krijgen. Hij heeft toen hij in Qatar woonde gehoord dat hij op een lijst van de Egyptische autoriteiten stond om te worden opgepakt. Daar kwam bij dat meerdere partijleden zijn opgepakt. Uit angst om opgepakt te worden is eiser in augustus 2022 naar Nederland vertrokken toen zijn contract in Qatar erop zat. Hij heeft in Nederland vervolgens deelgenomen aan meerdere demonstraties tegen het Egyptische regime, en zijn vrouw ook. Op 26 juli 2021 viel de politie hun huis binnen toen eisers vrouw in Egypte op vakantie was maar ze niet thuis waren. Ook is er een inval geweest in het huis van zijn schoonouders op 14 december 2022.
Beroep niet tijdig beslissen
3. Eiser heeft op 7 december 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. In dit kader overweegt de rechtbank als volgt.
3.1.
Niet in geschil is dat de wettelijke beslistermijn is overschreden en dat verweerder pas na overschrijding van deze termijn een besluit heeft genomen. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen, omdat verweerder alsnog heeft beslist op zijn asielaanvraag. Een dergelijk beroep is bedoeld om alsnog af te dwingen dat een beslissing wordt genomen, maar dat is in deze zaak niet meer nodig. Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk. Wel krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Aan het einde van deze uitspraak zal de rechtbank zich hierover verder uitlaten.
3.2.
Tenzij geheel aan het beroep tegemoetgekomen wordt, heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op het alsnog genomen besluit. De rechtbank overweegt dat verweerder niet aan het beroep van eiser tegemoet is gekomen. De asielaanvraag van eiser is namelijk bij het bestreden besluit afgewezen als ongegrond. Het beroep richt zich daarom mede tegen het bestreden besluit.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
De identiteit, nationaliteit en herkomst;
Een politieke overtuiging;
De problemen met de Egyptische overheid voor uw vertrek uit Egypte;
De problemen met de Egyptische overheid na uw vertrek uit Egypte.
4.1.
Verweerder acht eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Daarnaast acht verweerder geloofwaardig dat eiser een politieke overtuiging heeft. Dat eiser problemen heeft (gehad) met de Egyptische overheid vindt verweerder echter niet geloofwaardig (het derde en vierde relevante element). Daar legt verweerder onder meer het volgende aan ten grondslag. De verklaringen van eiser en de door hem overgelegde documenten zijn niet te verifiëren. Bovendien zijn de verklaringen over het arrestatiebevel en de betrokkenheid (of juist het gebrek daaraan) van de rechtbank niet in overeenstemming met de beschikbare landeninformatie. De andere overgelegde stukken, waaronder een brief van zijn voormalig werkgever in Qatar en een brief van Justice Foundation for Human Rights (JHR) bieden geen dan wel onvoldoende onderbouwing van eisers gestelde problemen. Daarnaast heeft verweerder de verklaringen van eisers vrouw over de invallen bij haar en haar familieleden ongeloofwaardig geacht. Dit geldt eveneens voor de verklaringen van eisers vrouw over hun deelname aan de demonstratie(s) in Nederland tegen de Egyptische overheid. Het door eiser ingebrachte nieuwsartikel over een van deze demonstraties waarin een foto van zijn vrouw zichtbaar is, is maar 886 keer bekeken en hierbij is de naam van eisers vrouw niet vermeld. Niet valt in te zien dat dit bericht bekend is bij de Egyptische autoriteiten, temeer ook niet is gebleken dat eiser of eiseres een leidende dan wel prominente rol hebben.
4.2.
Eiser kan volgens verweerder op grond van de geloofwaardig geachte elementen niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag). Evenmin heeft hij hiermee aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser behoort namelijk niet tot een voor Egypte aangemerkte risicogroep. Hoewel aannemelijk is dat eiser een politieke overtuiging heeft, maakt dat nog niet dat hij ook kan worden aangemerkt als een politiek opposant/activist. Daartoe is onder meer relevant dat niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling heeft gestaan van de Egyptische autoriteiten of dat hij momenteel zou worden gezocht.
Problemen met de Egyptische overheid voor vertrek
5. Eiser betoogt dat verweerder het derde relevante element ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd ongeloofwaardig heeft geacht.
Lijst/arrestatiebevel
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij geen document afkomstig van de Egyptische autoriteiten heeft overgelegd, terwijl hij stelt dat hij op een lijst staat en er een arrestatiebevel tegen hem is uitgevaardigd. Op zich kan de rechtbank eisers standpunt volgen dat uit het Algemeen ambtsbericht Egypte 2021 (het ambtsbericht) niet zonder meer volgt dat arrestatiebevelen altijd naar het woonadres van verdachten worden gestuurd. Eiser heeft echter gesteld dat zijn advocaten in Egypte meermaals hebben getracht bij de autoriteiten informatie te verkrijgen over zijn vervolging, maar eiser heeft het arrestatiebevel niet overgelegd. Ook heeft hij niet onderbouwd dat hij of zijn advocaten zich ervoor hebben ingespannen om aan dit arrestatiebevel te komen. Dat er een arrestatiebevel is, of dat eiser op een lijst staat, heeft eiser ook alleen van horen zeggen. Ook heeft verweerder terecht gesteld dat uit het ambtsbericht volgt dat eiser alleen op een arrestantenlijst zou staan als hier een oordeel van de rechtbank of een verzoek van de openbaar aanklager aan ten grondslag ligt. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat dit het geval is. Voor zover het zou gaan om een mondeling/informeel arrestatiebevel geldt dat ook hiervan niet is gebleken en dat uit het ambtsbericht niet volgt dat een arrestatiebevel in deze vorm bestaat. Voor zover militaire en gerechtelijke officieren geen toestemming nodig hebben van de speciale officier van justitie voor een arrestatie, zoals eiser stelt, maakt dat dit in eisers geval niet anders.
Brieven en verklaringen advocaat over strafrechtelijke vervolging
5.2.
Voorafgaand aan het nader gehoor heeft eiser een verklaring van een advocaat van 1 mei 2015 overgelegd, waarin staat dat ten aanzien van eiser een bevel tot aanhouding en voorgeleiding is uitgegeven op basis van de verklaring van de buren, en dat het niet is gelukt om aan documenten te komen waarin officieel bevestigd wordt dat de veiligheidsinstanties naar zijn woning zijn gegaan om hem te arresteren. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat de advocaat in de verklaring aangeeft dat er geen zaak tegen hem is omdat hij niet is aangehouden. Normaal wordt iemand volgens eiser eerst aangehouden en hoort hij later pas waarom hij is aangehouden en waarvan hij wordt beschuldigd. Ook kon de advocaat volgens eiser geen bewijs krijgen omdat het een politieke zaak was. Eiser heeft verklaard dat hij dit document van tevoren al geregeld had omdat hij in Qatar al de intentie had om verder te reizen naar een veilig land.
5.3.
Eiser stelt in beroep dat hij met de verklaring van de advocaat wel degelijk onderbouwing heeft gegeven voor de stelling dat hij gezocht wordt door de autoriteiten. Als een advocaat informatie wil van een rechterlijke instantie of van justitie verloopt dit volgens eiser mondeling, dus er is geen correspondentie die eiser op dit punt kan overleggen. Wel heeft eiser inmiddels twee aanvullende documenten, die hij in beroep overlegt. Daarbij gaat het ten eerste om een kopie van een brief van hemzelf (“de verzoeker, [naam 3]”) aan het hoofd van het Openbaar Ministerie in de stad Beni Suweif. De datering van dit document is onduidelijk, in de vertaling staat: “4-1-2025?”. De brief is voorzien van een stempel en handtekening. In de brief verzoekt eiser om de verstrekking van “proces-verbaal nr.[nummer 2] van het jaar 2017 (lichte strafzaken stad)” met het oog op de indiening daarvan bij zijn werkgever. Ten tweede heeft eiser een ongedateerde verklaring van een advocaat overgelegd waarin staat dat de zaak van eiser is “ingeschreven onder het nummer (recherche) 512 van het jaar 2017 en is voorgedragen op de zitting van 22-7-2017”.
5.4.
Verweerder heeft – ook los van het feit dat eiser op dit moment alleen nog de kopieën van deze documenten heeft overgelegd (met het aanbod de originelen ook in te dienen) – geen aanleiding gezien om deze documenten op echtheid te onderzoeken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in dit kader terecht op het standpunt gesteld dat de inhoud van de documenten tegenstrijdig is aan eisers eerdere verklaringen, aangezien hij eerder niets over een strafzaak heeft gezegd en juist stelde dat dergelijke stukken er niet waren omdat hij niet was aangehouden. Hoe eiser aan een proces-verbaalnummer komt, is niet duidelijk. In de verklaring van de advocaat staat dit proces-verbaalnummer niet. Onduidelijk blijft ook waarop eiser en de advocaat zich verder baseren voor het bestaan van deze strafzaak, omdat de onderliggende stukken niet zijn overgelegd of genoemd. Dat de advocaat of eiser zich tot een rechterlijke instantie of justitie heeft gewend en mondeling aan deze informatie is gekomen, is niet gesteld of gebleken.
Brief werkgever
5.5.
De door eiser overgelegde (waarschuwings)brief voor ontslag uit 2013 van zijn voormalig werkgever heeft verweerder ook onvoldoende onderbouwing kunnen vinden. Hierin staat dat eiser lang niet op zijn werk is geweest en dat hij tot 1 januari 2014 de tijd heeft om weer te verschijnen en dat anders zijn contract zal worden ontbonden. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat hieruit niet kan worden opgemaakt dat eiser problemen had vanwege zijn politieke overtuiging/activiteiten of dat de autoriteiten naar hem op zoek waren en/of dat hij om die reden ondergedoken is geweest.
Huisinval in 2014
5.6.
Verweerder heeft gesteld dat de verklaringen van eisers vrouw, van wie eiser over de huisinval heeft gehoord, op dit punt niet geloofwaardig zijn geacht. De rechtbank verwijst hiervoor naar de overwegingen 10 en 11 van de uitspraak in het beroep met zaaknummer (NL24.24359). Daarnaast heeft verweerder eiser niet ten onrechte tegengeworpen dat hij zijn verklaring dat zijn huis is ingevallen vanwege zijn politieke activiteiten op een eigen aanname baseert (omdat het in de nacht voor de revolutie is gebeurd). Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet te volgen valt dat er geen documentatie of communicatie is geweest vanuit de Egyptische autoriteiten – ook niet tijdens de inval of achteraf.
Conclusie derde relevante element
5.7.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich hiermee niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het derde relevante element ongeloofwaardig is. De rechtbank zal de andere tegenwerpingen van verweerder, zoals dat eisers ondergedoken collega’s wel zijn opgepakt maar eiser niet en dat hij Egypte zonder problemen legaal heeft verlaten, daarom niet bespreken.
5.8.
De beroepsgronden slagen niet.
Problemen autoriteiten na vertrek
6. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder het vierde relevante element ten onrechte en ondeugdelijk gemotiveerd ongeloofwaardig heeft geacht.
Foto nieuwsartikel
6.1.
Eiser heeft verklaard dat zijn schoonfamilie is bezocht door de Egyptische autoriteiten nadat een foto van eisers vrouw is verschenen in een nieuwsartikel van TimeNews van 25 augustus 2022 over een demonstratie in Den Haag tegen het Egyptische regime waaraan eiser en zijn vrouw hebben deelgenomen. Daarna zou eisers zwager door de autoriteiten zijn ontvoerd en zouden de autoriteiten vervolgens de woning van eisers schoonfamilie zijn binnengevallen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze verklaringen ongeloofwaardig zijn. Daarbij heeft verweerder allereerst kunnen betrekken dat de verklaringen van eisers vrouw hierover ongeloofwaardig zijn en de door eisers asielrelaas in belangrijke mate hierop gestoeld is. Dit doet dan ook afbreuk aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen op dit punt. De rechtbank verwijst hiervoor naar de overwegingen in 14 van de uitspraak in het beroep met zaaknummer (NL24.24359).
Inval bij schoonouders op 14 december 2022
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat de foto van de ingetrapte deur van het huis van de schoonouders van eiser zijn politieke problemen niet ondersteunen. Verweerder stelt niet ten onrechte dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat de screenshots te herleiden zijn naar eisers schoonmoeder en het betreffende huis. Ook heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiser op informatie van derden baseert dat het de politie is geweest en hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inval - acht jaar na eisers vertrek uit Egypte - te maken heeft met eisers politieke activiteiten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende oog gehad voor de lastige bewijspositie van eiser. Verweerder heeft namelijk niet alleen gesteld dat de foto niet naar de plaats en persoon te herleiden is, maar ook verwezen naar de omstandigheden eromheen.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Gegronde vrees voor vervolging/reëel risico op ernstige schade bij terugkeer
Brief JHR
7. Eiser heeft een brief overgelegd van de organisatie Justice Foundation for Human Rights (JHR) waarin volgens eiser staat dat geverifieerd is in Egypte dat eiser politiek actief was én dat zijn leven gevaar loopt vanwege de autoriteiten. Dit is dus wel degelijk een concrete onderbouwing van de vrees voor vervolging, aldus eiser.
7.1.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Egypte. De verklaring van JHR is opgesteld op basis van eisers eigen verklaringen. De opsteller heeft aan de hand daarvan geconcludeerd dat eiser – uitgaande van de algemene situatie van politieke tegenstanders van het regime in Egypte – het risico loopt om te worden vervolgd. Eiser heeft in beroep niet concreet gemaakt hoe (anders dan aan de hand van de algemene landeninformatie) in Egypte is geverifieerd door JHR dat eiser daar inderdaad gevaar loopt en waarop dit in zijn concrete geval is gebaseerd.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Politieke overtuiging
8. Eiser betoogt verder dat verweerder zijn verklaringen over zijn politieke overtuiging en de daaruit voortvloeiende vrees om te worden vervolgd niet conform IB 2023/77 en IB 2024/10 heeft beoordeeld. Verweerder heeft op de zitting het standpunt laten vallen dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich bij terugkeer in Egypte terughoudend opstelt in het uiten van zijn politieke overtuiging omdat hij dat in Qatar ook heeft gedaan. Verweerder heeft eiser dit ten onrechte tegengeworpen. De beroepsgrond slaagt.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook ten onrechte nagelaten in de besluitvorming mee te nemen hoe eiser zich bij terugkeer naar Egypte zou willen uiten, waarom hij zich op die manier wil uiten en wat de gevolgen daarvan zijn. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft prejudiciële vragen over de vervolgingsgrond politieke overtuiging beantwoord van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in het arrest S. en A. van 21 september 2023 (ECLI:EU:C:2023:688). De Afdeling heeft op 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:63) in het licht van dit arrest van het Hof einduitspraak gedaan. Vervolgens heeft verweerder op 7 februari 2024 informatiebericht 2024/10 Werkwijze politieke overtuiging (IB 2024/10) gepubliceerd. Daarin staat dat verweerder bij de beoordeling moet betrekken welke door de gestelde politieke overtuiging gemotiveerde activiteiten de vreemdeling bij terugkeer stelt te willen verrichten of hoe hij of zij anderszins zijn of haar opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Ook staat er dat de vreemdeling hierover moet worden bevraagd tijdens het gehoor.
8.2.
Verweerder heeft in dit kader tijdens het nader gehoor gevraagd: “Stel dat u in Egypte nu wel vrij mocht uiten zonder gevolgen. Zou u dit dan doen en hoe zou u zich willen uiten?”. Eiser heeft geantwoord dat hij zich weer op dezelfde manier zou gaan uiten, zich zal inzetten als lid en de partij weer helpen, “ik ga mij dan weer zo hard inzetten” (p. 18 nader gehoor). Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de enkele verklaring dat eiser zich weer op dezelfde manier zou uiten bij terugkeer onvoldoende is om te concluderen dat hij bescherming nodig heeft. Eiser heeft niet nader gespecificeerd hoe hij dat wil doen, waarom en op welke termijn. Doordat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het verleden problemen heeft ondervonden met de Egyptische autoriteiten, ligt het volgens verweerder niet in de lijn der verwachting dat dat in de toekomst wel zo zal zijn.
8.3.
De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. Verweerder heeft met het enkel stellen van de vraag wat eiser zou doen als hij zich vrij mocht uiten, niet voldaan aan de eisen die worden gesteld in IB 2024/10 (die op dit moment geldt). De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen onder 8.8 hiervoor is overwogen en overweegt aanvullend dat het in eerste instantie aan verweerder is om eiser hierover te bevragen en het antwoord te betrekken zijn beoordeling. Dat eisers antwoord onvoldoende is om te concluderen dat hij bescherming nodig heeft, is dus in dit geval te kort door de bocht en een gebrek in het bestreden besluit dat in beroep niet is hersteld.
8.4.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
10. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de hiervoor geconstateerde gebreken niet in de beroepsfase door verweerder zijn hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is en blijft om een asielrelaas op geloofwaardigheid en zwaarwegendheid te beoordelen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. Daarbij dient verweerder een gemotiveerd standpunt in te nemen over de vraag of, en zo ja, hoe eiser zijn politieke overtuiging bij terugkeer in Egypte wil uiten en wat de gevolgen hiervan zouden zijn. Het staat verweerder daarbij vrij om hem opnieuw (nader) te horen.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Voor zover het beroep zich richt tegen het niet tijdig beslissen op eisers asielaanvraag stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Voor zover het beroep zich richt tegen het alsnog genomen besluit op eisers asielaanvraag stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Daarbij merkt de rechtbank dat zij bij uitspraak van vandaag het beroep in de zaak van de vrouw van eiser (NL24.24359) gegrond heeft verklaard. Hierbij merkt de rechtbank op dat zij de zaken heeft aangemerkt als samenhangend als bedoeld in artikel 3 van het Bpb.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op de vrees die voortvloeit uit eisers politieke overtuiging;
  • draagt verweerder op, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.