In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 21 oktober 2025 uitspraak gedaan in een asielzaak van een Egyptische vrouw, eiseres, die samen met haar minderjarige kinderen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had aangevraagd. De aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen, met als argument dat de vrouw niet aannemelijk had gemaakt dat zij een reëel risico liep op vervolging in Egypte vanwege haar politieke overtuigingen. Eiseres had verklaard dat haar man in de negatieve belangstelling van de Egyptische autoriteiten stond vanwege zijn politieke activiteiten, en dat zij zelf ook vreest te worden vervolgd. De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 30 juli 2025 behandeld, waarbij eiseres werd bijgestaan door haar gemachtigde en een tolk aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat de minister het bestreden besluit onzorgvuldig had voorbereid en niet deugdelijk had gemotiveerd. De rechtbank vernietigde het besluit en droeg de minister op om een nieuw besluit te nemen, waarbij eiseres opnieuw gehoord moet worden over haar politieke overtuiging en de gevolgen daarvan bij terugkeer naar Egypte. De rechtbank concludeerde dat de minister niet voldoende had onderbouwd waarom eiseres niet als vluchteling kon worden aangemerkt en dat de geloofwaardigheid van haar verklaringen onvoldoende was beoordeeld.