ECLI:NL:RVS:2019:2986
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- H. Troostwijk
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het vierogenbeginsel bij asielaanvragen en besluitvorming door IND
De vreemdeling had een opvolgende asielaanvraag ingediend die door dezelfde medewerker van de IND werd behandeld: deze persoon hoorde de vreemdeling, bracht het voornemen uit en nam het besluit. De vreemdeling stelde dat dit in strijd was met het vierogenbeginsel, dat volgens hem voortvloeit uit de Procedurerichtlijn en het zorgvuldigheidsbeginsel, en dat hierdoor de objectiviteit van de besluitvorming in het geding was.
De staatssecretaris voerde aan dat sinds 2010 het systeem van zaaksverantwoordelijkheid geldt waarbij één medewerker verantwoordelijk is voor de gehele procedure, tenzij dit niet mogelijk is. Het vierogenbeginsel is niet wettelijk verplicht en het toepassen ervan in alle zaken zou de snelheid van de procedure nadelig beïnvloeden. In plaats daarvan worden andere kwaliteitsinstrumenten ingezet zoals collegiale toetsing en intervisie.
De Afdeling overwoog dat noch de wet, noch de Procedurerichtlijn, noch het zorgvuldigheidsbeginsel voorschrijven dat het vierogenbeginsel in alle asielzaken moet worden toegepast. Het begrip vierogenbeginsel betekent dat minimaal twee medewerkers betrokken zijn bij het horen, het voornemen en het besluit, waarbij degene die het voornemen uitbrengt niet ook het besluit neemt. Dit is echter niet wettelijk voorgeschreven in asielzaken.
De rechtbank had terecht geoordeeld dat het besluitvormingsproces waarbij dezelfde medewerker de vreemdeling hoort, het voornemen uitbrengt en het besluit neemt, niet in strijd is met de wet of het zorgvuldigheidsbeginsel. De grief van de vreemdeling werd ongegrond verklaard en het hoger beroep werd verworpen. De uitspraak bevestigt dat de staatssecretaris niet verplicht is het vierogenbeginsel toe te passen in alle asielzaken.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.