ECLI:NL:RBDHA:2025:25464
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding toegekend na intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen verblijfsvergunning
Verzoeker diende beroep in tegen de minister omdat niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden was beslist op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. De minister ontving de aanvraag op 1 oktober 2024 en had uiterlijk tot 1 april 2025 moeten beslissen. Verzoeker stelde de minister op 15 juli 2025 terecht in gebreke en startte daarna het beroep.
Op 21 augustus 2025 vertrok verzoeker vrijwillig naar Turkije en stemde in met beëindiging van openstaande procedures. Vervolgens trok verzoeker op 27 oktober 2025 zijn beroep in, met het verzoek om proceskostenvergoeding. De minister reageerde op 18 november 2025 op dit verzoek.
De rechtbank oordeelt dat het beroep terecht is ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen en dat het vrijwillige vertrek van verzoeker hieraan niets afdoet. Omdat verzoeker een professionele juridische hulpverlener inschakelde en de zaak van licht gewicht is, wordt een vergoeding van €453,50 toegekend. De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van dit bedrag zonder partijen uit te nodigen voor een zitting.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van €453,50 aan proceskosten aan verzoeker.