ECLI:NL:RBDHA:2025:25515

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
NL25.61459
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van asielzoeker in detentiecentrum Rotterdam en de rechtmatigheid van de maatregel

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarbij aan de eiser de maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, die stelt vluchteling te zijn, heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, dat ook als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft de zaak op 23 december 2025 behandeld, waarbij eiser via een beeldverbinding aanwezig was, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft overwogen of de minister eiser in bewaring mocht stellen zolang zijn asielverzoek nog niet is beslist. Eiser betoogde dat dit onrechtmatig was volgens de UNHCR Detention Guidelines, maar de rechtbank oordeelde dat de bewaring niet met het oog op uitzetting was, maar noodzakelijk was voor het vaststellen van de identiteit en nationaliteit van eiser. De rechtbank concludeerde dat er geen strijd was met de richtlijnen.

Daarnaast heeft de rechtbank beoordeeld of het detentiecentrum Rotterdam aan te merken is als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie. Eiser voerde aan dat de luchtvervuiling rondom het centrum een schending van zijn rechten opleverde, maar de rechtbank oordeelde dat er geen bewijs was dat de omstandigheden in Rotterdam onrechtmatig waren. De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden toegepast en dat de inbewaringstelling rechtmatig was. Uiteindelijk werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61459

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is met behulp van een beeldverbinding verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Mocht de minister eiser in bewaring stellen zolang nog niet op zijn asielverzoek is beslist?
1. Eiser betoogt dat hij vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat een inbewaringstelling onrechtmatig is zolang zijn asielprocedure nog niet is afgerond. Dit volgt volgens eiser uit de ‘UNHCR Detention Guidelines’. [1]
1.1.
De rechtbank stelt vast dat de ‘UNHCR Detention Guidelines’ inderdaad als uitgangspunt hebben dat bewaring met het oog op uitzetting alleen kan plaatsvinden als de asielaanvraag definitief is afgewezen. Reden daarvoor is dat asielzoekers die zich nog in de asielprocedure bevinden niet beschikbaar zijn voor uitzetting. Eiser zit echter in bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000, omdat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en voor het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor een beoordeling van zijn asielverzoek, wegens het risico op onttrekking. Dit betekent volgens de rechtbank dat eiser niet in bewaring is gesteld met het oog op uitzetting, zoals bedoeld in de ‘UNCHR Detention Guidelines’. De rechtbank is van oordeel dat daarom geen sprake is van strijd met deze richtlijnen. De minister heeft daarnaast op de zitting terecht toegelicht dat het enkele feit dat eiser een asielprocedure heeft lopen, niet maakt dat hij niet in bewaring mag worden gesteld. Artikel 59b van de Vw 2000 maakt het juist mogelijk om asielzoekers in bewaring te stellen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het detentiecentrum Rotterdam aan te merken als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie?
2. Eiser voert aan dat het detentiecentrum Rotterdam geen gespecialiseerde inrichting is zoals bedoeld in artikel 16 van de Terugkeerrichtlijn, omdat geen sprake is van ‘fresh air’. Volgens eiser ligt het detentiecentrum Rotterdam naast Rotterdam The Hague Airport waardoor de lucht vervuild is met schadelijke stoffen. Dit is volgens eiser een schending van artikel 5, vierde lid, van het EVRM [2] en het maakt volgens eiser de inbewaringstelling onrechtmatig. Eiser heeft verschillende artikelen overgelegd die gaan over de luchtvervuiling rondom detentiecentrum Schiphol en betoogt dat ook bij detentiecentrum Rotterdam de lucht vervuild is vanwege de nabijgelegen luchthaven. Daarnaast voert eiser aan dat de aanwezigheid van de schadelijke stoffen leidt tot een schending van lichamelijke en psychische integriteit zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Volgens eiser komt het risico van dergelijke omstandigheden voor rekening van de minister, aangezien de minister heeft gekozen voor de bouw van het detentiecentrum op die locatie.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat het detentiecentrum Rotterdam volgens vaste rechtspraak voldoet aan de eisen die zijn gesteld aan een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. [3] De rechtbank ziet in dat wat door eiser is aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel. De artikelen die eiser heeft overgelegd gaan over detentiecentrum Schiphol, en er is volgens de rechtbank geen enkel (begin van) bewijs dat de informatie in deze artikelen ook betrekking heeft op detentiecentrum Rotterdam. Bovendien is niet gebleken dat eiser persoonlijk last heeft van de gestelde luchtvervuiling. Ook is niet gebleken dat eiser van een schadelijke luchtvervuiling in het detentiecentrum Rotterdammelding heeft gedaan bij de directeur van het detentiecentrum, aangezien deze klacht ziet op het regime waarbinnen de vreemdelingenbewaring feitelijk wordt uitgevoerd. Van een schending van artikel 5, vierde lid, van het EVRM en artikel 8 van het EVRM is volgens de rechtbank dan ook geen sprake. Eiser wordt daarom niet gevolgd in zijn conclusie dat de inbewaringstelling alleen al om deze reden onrechtmatig is. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel?
3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is volstaan met een lichter middel, omdat niet is (door)gevraagd naar zijn (mogelijke) suïcidale uiting. Eiser heeft namelijk tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij ‘nog liever dood gaat dan nogmaals in detentie’. Volgens eiser is de motivering van de minister, waarin slechts wordt verwezen naar een standaard tekstblok dat medische zorg aanwezig is in het detentiecentrum, onvoldoende als reactie op deze mondelinge uiting. Daarnaast had vanwege de vervuilde lucht rondom het detentiecentrum Rotterdam en daardoor het ontbreken van ‘fresh air’ een lichter middel opgelegd moeten worden.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in de maatregel voldoende gemotiveerd heeft dat in dit geval geen andere afdoende, maar dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister verwijst daarbij in eerste instantie terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Deze gronden zijn door eiser niet betwist. Daarnaast stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet heeft aangetoond dat er omstandigheden zijn die ervoor zouden moeten zorgen dat de minister een lichter middel had moeten opleggen of dat eiser detentieongeschikt zou zijn. De minister heeft de (psychische) gezondheid van eiser hierbij voldoende betrokken. Voor zover eiser medische zorg nodig heeft voor zijn (zoals eiser op de zitting ook zei, mogelijke) suïcidale gedachten, wijst de minister terecht op het feit dat in het detentiecentrum medische zorg aanwezig is, die gelijkwaardig is aan de zorg in de vrije maatschappij. [4] Daarnaast heeft de minister op de zitting terecht toegelicht dat in de maatregel van bewaring ook is aangegeven dat, in geval van gevaar van suïcide van betrokkene, in detentie een Extra Beveiligde Zorgafdeling aanwezig is. Dat de minister in de maatregel van bewaring een standaard tekstblok heeft gebruikt en dat deze motivering niet zou volstaan volgt de rechtbank dan ook niet. Bovendien heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de beschikbare medische zorg in het detentiecentrum in dit geval onvoldoende zou zijn of dat hij niet in staat zou zijn de inbewaringstelling op verantwoordelijke wijze te ondergaan. Wat betreft de vervuilde lucht en het ontbreken van ‘fresh air’, verwijst de rechtbank naar dat wat onder rechtsoverweging 2.1. is overwogen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de
minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de
rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [5]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.The UN Refugee Agency, “Detention Guidelines. Guidelines on the applicable criteria and standards relating to the detention of asylum-seekers and alternatives to detention.”.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zie bijvoorbeeld ABRvS van 21 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2103 of ABRvS 29 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:4002.
4.ABRvS 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16.
5.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).