ECLI:NL:RBDHA:2025:25527

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
NL25.60325
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing van de maatregel van bewaring van een vreemdeling met zicht op uitzetting naar Marokko

Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de maatregel van bewaring van een vreemdeling, eiser, die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd op 26 oktober 2025. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel, waarbij hij verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder op 7 november 2025 een uitspraak gedaan over de rechtmatigheid van de maatregel tot dat moment. Tijdens de zitting op 23 december 2025 was eiser niet aanwezig, maar zijn gemachtigde was wel aanwezig. De rechtbank heeft de situatie van eiser beoordeeld, met name of er zicht op uitzetting naar Marokko bestaat en of de minister voldoende voortvarend handelt. Eiser betoogde dat er geen zicht op uitzetting was, omdat er geen concrete uitzettingshandelingen waren verricht. De rechtbank oordeelde echter dat er wel degelijk zicht op uitzetting was, aangezien de minister stappen had ondernomen om de benodigde documenten te verkrijgen. Eiser had ook de verantwoordelijkheid om zijn paspoort te verkrijgen om zijn vertrek te bespoedigen. De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een lichter middel rechtvaardigden. Uiteindelijk werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60325

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

1. De minister heeft op 26 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 7 november 2025. [1]
1.2.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.3.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van afmelding, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Toetsingskader
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2.1.
Uit de uitspraak van 7 november 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 4 november 2025) rechtmatig is.
Bestaat zicht op uitzetting naar Marokko?
3. Eiser betoogt dat voor hem geen zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. Hierbij wijst eiser erop dat door de minister geen daadwerkelijke uitzettingshandelingen zijn verricht, zoals een presentatie of het boeken van een vlucht. Daarnaast hebben de Marokkaanse autoriteiten de identiteit en nationaliteit van eiser eerder niet bevestigd en om nieuwe vingerafdrukken gevraagd. Niet is gebleken dat nieuwe vingerafdrukken zijn opgestuurd en/of aanvullend identiteitsonderzoek is verricht. Eiser concludeert dat het uitzettingstraject is stil gevallen. Verder heeft de minister onterecht tegengeworpen dat eiser geen medewerking verleent. Eiser heeft namelijk verklaard dat zijn paspoort in Duitsland ligt, maar hij niet weet hoe hij het origineel moet opvragen. Hij is daarnaast bereid om contact met zijn echtgenoot te leggen, maar weet niet hoe hij dat moet doen. De minister had zelf contact kunnen leggen met de Duitse autoriteiten en zelf kunnen proberen het document te achterhalen.
3.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Voorop staat dat zicht op uitzetting naar Marokko in zijn algemeenheid niet ontbreekt. [2] Maar ook in de situatie van eiser is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. De minister heeft op de zitting toegelicht dat op 31 oktober 2025 een laissez-passer (lp) aanvraag is verzonden. Op 3 november 2025 hebben de Marokkaanse autoriteiten gevraagd om nieuwe dacty. Deze zijn op dezelfde dag afgenomen en op 6 november 2025 is een nieuwe/aanvullende lp-aanvraag verzonden met deze dacty en een kopie van het paspoort van eiser als bijlage. Het betoog van eiser dat geen nieuwe vingerafdrukken zijn opgestuurd is dus feitelijk onjuist. Bovendien hebben de Marokkaanse autoriteiten niet te kennen gegeven dat zij voor eiser geen lp zullen verstreken. Dat (nog) geen presentatie is gepland, doet niet af aan het zicht op uitzetting. Zoals toegelicht tijdens de zitting beoordelen de Marokkaanse autoriteiten een lp-aanvraag namelijk op basis van dacty, en in geval van eiser is ook een kopie van zijn paspoort overgelegd. Verder hoeft de minister nog geen vlucht te boeken, daarvoor is immers een lp of een origineel paspoort nodig. Eisers conclusie dat het uitzettingstraject stil ligt kan de rechtbank dus ook niet volgen.
3.2.
Het originele paspoort ligt volgens de verklaringen van eiser in Duitsland. Het ligt op de weg van eiser om dit paspoort naar Nederland op te sturen, waarmee zijn vertrek kan worden bespoedigd. Als eiser niet weet hoe hij dit moet bewerkstelligen, ligt het op zijn weg om hierbij hulp te vragen. Dat de minister zelf actief het paspoort van eiser zou moeten achterhalen en/of contact moet leggen met de Duitse autoriteiten, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft namelijk een meewerkplicht waardoor het aan hem is om zijn paspoort naar Nederland te laten opsturen. Hiermee zou hij zijn vertrek kunnen bespoedigen en de bewaring kunnen bekorten.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
4. Eiser betoogt dat de minister niet voldoende voortvarend handelt omdat geen concrete handelingen zijn verricht.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit de M120 blijkt dat de minister op 6 en 27 november 2025 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten op de status van de lp-aanvraag. Ook heeft op 26 november 2025 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. De minister heeft tijdens de zitting hieraan toegevoegd dat op 17 december 2025 nogmaals schriftelijk gerappelleerd is bij de Marokkaanse autoriteiten op de status van de lp-aanvraag en dat op 23 december 2025 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voldoende voortvarend handelt.
Had de minister een belangenafweging in het voordeel van eiser moeten maken en/of een lichter middel moeten opleggen?
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt en niet heeft gekeken of een lichter middel opgelegd had moeten worden. De minister heeft daarbij onvoldoende de psychische en emotionele toestand van eiser meegenomen, terwijl uit het vertrekgesprek blijkt dat eiser emotioneel overbelast is.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de minister bij de oplegging van de maatregel van bewaring een belangenafweging heeft gemaakt, die eerder is beoordeeld. Volgens het beleid van de minister is hij vervolgens na een aaneengesloten periode van zes maanden vreemdelingenbewaring gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken. [3] Eiser verblijft bijna twee maanden, namelijk sinds 26 oktober 2025, in bewaring. De minister was daarom niet gehouden om een verzwaarde belangenafweging te maken. In beginsel komt gedurende de eerste zes maanden van
de bewaring meer gewicht toe aan de belangen van de minister bij voortduring van
de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere
omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes
maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van
de minister. Eiser heeft echter dergelijke bijzondere omstandigheden niet naar voren
gebracht. Dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de emotionele toestand van eiser, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft deze toestand ook verder niet geconcretiseerd. Bovendien volgt uit de verslagen van de vertrekgesprekken van 26 november 2025 en 23 december 2025 dat in het vertrekgesprek geen omstandigheden aangevoerd zijn naar aanleiding waarvan de bewaringsmaatregel niet langer zou kunnen voortduren. Hieruit blijkt dat de belangen van eiser wel degelijk zijn meegenomen. Dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, volgt de rechtbank ook niet. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van 7 november 2025, rechtsoverweging 4.1.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister
en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de
rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 7 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21126.
2.ABRvS, 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.
3.Paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
4.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en HvJEU 4 september