ECLI:NL:RBDHA:2025:25552

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
NL25.62159
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgberoep bewaring en verzoek om schadevergoeding in het bestuursrechtelijke kader van de Vreemdelingenwet

Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak tussen een eiser en de minister van Asiel en Migratie. De eiser, geboren in 1994 en van Libische nationaliteit, had beroep ingesteld tegen de voortduren van de maatregel van bewaring die op 24 september 2025 was opgelegd op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft het onderzoek op 24 december 2025 gesloten zonder zitting. Eiser voerde aan dat er gewijzigde omstandigheden waren die de maatregel onrechtmatig maakten, waaronder zijn pogingen om contact te leggen met het IOM en zijn mentale klachten door de langdurige bewaring. Hij stelde ook dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn, gezien het uitblijven van reacties van de Libische en Tunesische autoriteiten.

De rechtbank oordeelde echter dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en dat er voldoende zicht op uitzetting was. De rechtbank volgde eiser niet in zijn stellingen over het risico op onttrekking en de onrechtmatigheid van de bewaring. De rechtbank concludeerde dat de verweerder voldoende voortvarend handelde en dat de klachten van eiser niet voldoende waren onderbouwd. Uiteindelijk werd het beroep ongegrond verklaard en werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak werd openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62159

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 24 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 24 december 2025 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Libische nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 21 november 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. [1] Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 14 november 2025.
4. Eiser voert aan dat sprake is van gewijzigde omstandigheden waardoor de maatregel van bewaring onrechtmatig is geworden. Hierbij noemt eiser dat hij acties heeft ondernomen en heeft geprobeerd contact te leggen met IOM. Daarnaast heeft eiser alle beschikbare informatie gegeven. Verder kan niet aan hem worden tegengeworpen dat hij niet terug wil, gelet op het gevaar dat hij loopt, vanwege zijn geaardheid en zijn bekendheid op sociale media. Ook heeft eiser mentale problemen vanwege de duur van de bewaring. Deze omstandigheden zijn ten onrechte niet betrokken in de belangenafweging. Eiser voert verder aan dat geen zicht is op uitzetting binnen redelijke termijn, gelet op het uitblijven van een reactie op de rappels van zowel de Libische als de Tunesische autoriteiten. Daarbij is de kans heel klein dat de autoriteiten een lp [2] zullen verstrekken, aangezien eiser geen documenten heeft. Bovendien handelt verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting. Verweerder verricht alleen standaardmatige handelingen, die zinloos zijn om een lp te verkrijgen. Tot slot is ten onrechte geen lichter middel toegepast. De gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd zijn niet meer van toepassing en er is geen sprake meer van een risico op onttrekking. Hierbij is van belang dat eiser vrienden en kennissen heeft in Rotterdam en kan hij bij instanties in Rotterdam worden opgevangen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat niet langer een risico op onttrekking zou moeten worden aangenomen. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij contact heeft proberen te leggen met IOM, stelt de rechtbank vast dat dit niet is onderbouwd met bewijsstukken. Verder volgt uit de verslagen van met eiser gevoerde vertrekgesprekken (het meest recente gesprek dateert van 2 december 2025) juist dat eiser niet wenst mee te werken aan terugkeer naar Libië of Tunesië. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat hij gevaar loopt vanwege zijn seksuele geaardheid, leidt dit niet tot de onrechtmatigheid van de bewaring. Hierbij is van belang dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. Hij heeft verder niet concreet onderbouwd dat een terugkeer naar Tunesië dan wel Libië in strijd is met artikel 3 van het EVRM. [3]
6. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld is er in het algemeen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Libië en Tunesië. De enkele omstandigheid dat de Libische en Tunesische autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de aanvragen om een lp is geen reden om in het specifieke geval van eiser aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Verder handelt verweerder voldoende voortvarend aan eisers uitzetting door periodiek te rappelleren over de lp-aanvragen en door regelmatig vertrekgesprekken te houden met eiser. De stelling van eiser dat dit zinloze handelingen zijn, is niet onderbouwd.
7. Voor zover eiser stelt dat hij mentale en lichamelijke klachten heeft vanwege de voortdurende bewaring is dat evenmin door hem geconcretiseerd en onderbouwd. Verder blijkt uit de verslagen van de vertrekgesprekken (bijvoorbeeld het vertrekgesprek van 30 oktober 2025) dat eiser in het detentiecentrum toegang heeft tot medische zorg. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder alsnog met een lichter middel dient te volstaan.
8. Ook overigens is er geen aanleiding voor de conclusie dat het voortduren van de bewaring tot aan het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 december 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

2.Laissez-passer.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.